Tôn Đức Thắng

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tôn Đức Thắng.jpg

Tôn Đức Thắng (Mỹ Hòa Hưng (Long Xuyên), 19 augustus 1888Hanoi, 30 maart 1980) was een Vietnamese politicus.

De familienaam is Tôn. Het is Vietnam gebruikelijk om een persoon bij zijn voornaam, in dit geval Thắng, aan te duiden.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Tôn Đức Thắng werd in Zuid-Vietnam aan de oever van de Mekong geboren, het gebied, destijds Cochin-China genoemd, was toen al een Franse kolonie, de Vietnamese keizer, die het gebied had moeten afstaan, was een Franse marionet. Cochin-China maakte deel uit van de door Franse gouverneurs bestuurde Unie van Indochina.

Thắng was vanaf het begin betrokken bij de anti-koloniale beweging en het verzet tegen de Franse kolonisatie van Vietnam. Toch nam hij in 1912 dienst in de Franse marine. In 1919 was hij matroos op een Franse kruiser, de Waldeck-Rousseau dat tijdens de operaties tegen de Sovjet-revolutionairen in Sebastopol en in de Zwarte Zee was gestationeerd. Op dat schip heeft hij tussen 26 en 28 april 1919 deelgenomen aan een muiterij die het schip in handen van die revolutionairen wilde spelen.[1]

Na zijn ontslag uit de militaire dienst keerde hij in 1920 terug naar Vietnam waar hij in 1929 vanwege zijn revolutionaire activiteiten tot 20 jaar dwangarbeid op het gevangeniseiland Poulo Condore (Con Son voor de kust van Zuid-Vietnam werd veroordeeld.

Naar aanleiding van de machtsovername van Ho Chi Minh en de augustusrevolutie van 1945 die tot de oprichting van de Democratische Republiek Vietnam (Noord-Vietnam) leidde, werd Tôn Đức Thắng op 2 september 1945 vrijgelaten uit de gevangenis.

In het nu de facto onafhankelijke Noord-Vietnam ging Tôn Đức Thắng een grote rol spelen in de politiek. Hij werd voorzitter van het permanente comité van de Nationale Vergadering, een orgaan dat een belangrijke rol in de wetgeving speelde.

Medaille van de Stalin Vredesprijs

In 1951 werd hij benoemd tot voorzitter van het Nationale Volksfront (Lien Hoi Hien Quoc Dan Vietnam (Lien Viet)). Na de Indo-China-conferentie in Genève in 1954 werd de Lien Viet omgedoopt tot Patriottisch Front (MAT Tran Quốc Việt Nam) omgedoopt. Onder zijn voorzitterschap werd het een overkoepelende bond van de massaorganisaties in het nu communistische Noord-Vietnam. In deze rol werkte Tôn Đức Thắng aan de eenwording van Vietnam.

nieuwe en oude ster.

Daarnaast was hij van 1950 tot 1969 voorzitter van de Sovjet-Vietnamese Vriendschapsbond. In 1955 ontving hij van de Sovjet Unie de Stalin Vredesprijs.[2][3] Hij kreeg de prijs voor zijn rol tijdens de onderhandelingen op de Indochina-conferentie.

Tôn Đức Thắng werd in 1960 eerste vicepresident en als de opvolger van Bùi Bang Đoàn van 1955 tot 1960 voorzitter van het Permanent Comité voor de Nationale Vergadering (Quoc Hoi Việt Nam).

Medaille van de Leninprijs.

In 1967 ontving Tôn Đức Thắng ook de Lenin Vredesprijs, de opvolger van de Stalin Vredesprijs die hij al in 1955 had ontvangen.[4]

Na de dood van Ho Chi Minh op 2 september 1969 werd Tôn Đức Thắng zijn opvolger als president van Noord-Vietnam.

Na de verovering van Zuid-Vietnam en de oprichting van de Socialistische Republiek Vietnam op 2 juli 1976 was hij president van Vietnam en hij vervulde dit grotendeels ceremoniële ambt tot aan zijn dood. Tijdens zijn ambtstermijn raakte Vietnam verwikkeld in een fel uitgevochten oorlog met de Volksrepubliek China, Vietnamese troepen vielen Cambodja binnen en verjoegen het steentijd-communistische bewind van de Rode Khmer. Economisch ging het Vietnam slecht; er was veel oorlogsschade en duizenden bootvluchtelingen ontvluchtten het land.

Tôn Đức Thắng droeg sinds 1958 de Orde van de Gouden Ster (Vietnamees: "Huân chương Sao vàng"), de hoogste onderscheiding van de Democratische Republiek Vietnam.

De controverse[bewerken | brontekst bewerken]

Christoph Giebel, Associate Professor of International Studies and History aan de Universiteit van Washington en auteur van het boek Imagined Ancestries of Vietnamese Communism: Ton Duc Thang and the Politics of History and Memory onderzocht scheepsjournalen en ander historisch materiaal. Hij kwam tot de conclusie dat Tôn Đức Thắng niet aan een muiterij aan boord van een Frans oorlogsschip deelnam. Het verhaal werd in de jaren 50 in de communistische wereld verspreid om een oude relatie tussen het Vietnamese communisme en de Oktoberrevolutie in Rusland te suggereren. Ook bij andere verhalen over Thắngs verleden zette Christoph Giebel vraagtekens; het gaat zijn betrokkenheid bij een in Saigon opgerichte vakbond in de jaren 20 en de staking op de marine-werf in Saigon in 1925.

In Giebel's analyse werd Tôn Đức Thắng die nooit veel macht en invloed had gebruikt als uithangbord van het communistische regime. Thắng had een geloofwaardigheid die Ho Ci Minh ontbeerde. Waar nodig werden verhalen over hem verzonnen en door de communistische propaganda verspreid.[5]