Naar inhoud springen

Urinoir (straatmeubilair)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Een urinoir (ook wel vespasienne[1], pissijn, pissoir of waterplaats genoemd) is een openbaar toilet voorzien van doorgaans verscheidene pisbakken waar mannen kunnen plassen. Urinoirs kunnen vrijstaand zijn en niet, gedeeltelijk of volledig afgeschermd zijn. De urinoir is een van oorsprong Franse uitvinding en is veel voorkomend in het Europese straatbeeld.

Een Colonne Rambuteau in Parijs, gefotografeerd in 1865.

De naam pissoir komt oorspronkelijk van het Middelfranse woord pisser, plassen; een woord dat zelf afkomstig is van het Oudfranse pissier.

Voor het bestaan van urinoirs bestonden er al gedeelde plaatsen voor mensen om hun behoefte te doen. Deze plaatsen stonden bekend als 'publieke secreten' of 'publieke privaten'; latrines waar men naartoe kon bij hoge nood. Op het eiland Marken bestond één latrine waar iedereen in het dorp gebruik van maakte. Deze gedeelde latrines bestonden ook in steden en en werden vooral gebruikt door de armen die zelf vanwege ruimtegebrek geen toilet in hun huis hadden. De hygiënische toestanden bij deze latrines waren echter erg slecht. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd een eigen toilet ook voor arme mensen steeds toegankelijker, wat de publieke secreten voor die groep uiteindelijk overbodig maakte.[2] Daarnaast was het gebruikelijk dat mannen op straat wildplasten. Met de opkomst van stedelijke gebieden en de aanleg van riolen ontstond de behoefte om speciale gelegenheden op te zetten om wildplassen tegen te gaan. Dit had een aantal redenen; met het groeien van de steden werden het aantal stille hoekjes om te plassen steeds minder, de stank werd vaak ondragelijk en volgens de toen heersende epidemiologische opvattingen was stank niet alleen vies, maar ook gevaarlijk.[2] De Franse stad Parijs had de Europese primeur en plaatste in het voorjaar van 1830 de eerste openbare urinoirs op de grote boulevards. In de zomer van datzelfde jaar werden veel van deze urinoirs vernield gedurende de Julirevolutie en gebruikt als materiaal voor straatbarricades.

Nederland kent sinds ongeveer 1870 urinoirs in het straatbeeld. De eerste urinoirs werden in de hoofdstad Amsterdam geïnstalleerd in de vorm van de gietijzeren plaskrul bij het Paleis voor Volksvlijt. Deze urinoirs bestaan voornamelijk uit een verhoogd donkergroen metalen scherm dat in een spiraalvorm rond een enkel urinoir is gebogen. Sommige plaskrullen zijn groter en bieden plaats aan twee personen. Ze hebben een eenvoudiger vorm. De plaskrul is ontworpen op basis van de gulden snede door de Amsterdamse Dienst der Publieke Werken. Het ontwerp van de plaskrul verscheen voor het eerst in 1870, maar een vernieuwd ontwerp in de stijl van de Amsterdamse School van Joan van der Mey uit 1916 wordt nog altijd gebruikt.[3] Op het hoogtepunt stonden er in de hoofdstad 175 plaskrullen, vandaag de dag nog slechts 37.[4] Deze overgebleven plaskrullen zijn in 2008 opnieuw verzinkt en gerestaureerd; de plaskrullen langs de grachten worden door de Amsterdamse gemeente in stand gehouden om te voorkomen dat mensen gingen wildplassen en daarbij in de gracht zouden vallen. De gemeente voert nadien een uitsterfbeleid; als een plaskrul kapot is of wordt verwijderd vanwege weg- of kadewerkzaamheden, dan wordt het urinoir niet vervangen of opnieuw geïnstalleerd.[5] Op dit uitsterfbeleid is echter ook kritiek ontstaan: men zou het beleid te woke, ofwel politiek correct, vinden.[6] Naast de gebruikelijke plaskrullen kent Amsterdam ook een uniek urinoir langs de Oudezijds Voorburgwal. Dit urinoir, op de oostelijke kade, is in 1926 neergezet naar een ontwerp van Allard Remco Hulshoff die werkzaam was bij de Dienst der Publieke Werken en is gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. Het is sinds 2001 een rijksmonument.[7] In de stad Leiden werden de eerste gietijzeren plaskrullen in 1880 geplaatst nadat de eerder geplaatste waterplaatsen werden vervangen.[6]

Het urinoir in de stijl van de nieuwe zakelijkheid bij het Hoge der A in Groningen, gefotografeerd in 2011.

Buiten Amsterdam en Leiden kenden veel Nederlandse steden urinoirs in allerlei verschillende stijlen en omvang. De eerste urinoirs die in Nederlandse steden en dorpen te vinden waren, waren de gietijzeren plaskrullen. Vanaf de jaren 1920 en 1930 werden nieuwere urinoirs gebouwd in modernere stijlen als de Amsterdamse School en de nieuwe zakelijkheid. Voorbeelden hiervan zijn de urinoir bij het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem dat oorspronkelijk in Deventer stond en bij het Hoge der A te Groningen. In deze periode werden ook urinoirs gebouwd bij bruggen en transformatorhuisjes.[6] Na de Tweede Wereldoorlog werden in Rotterdam op sommige plaatsen gedurende de wederopbouwplannen ook urinoirs geïntegreerd in het straatbeeld. Dit gebeurde onder andere bij de Delftsevaart en bij de Meentbrug. In de jaren 1950 kwamen in veel steden nieuwe, modernistische urinoirs die waren gemaakt van geprefabriceerd beton. Een van die urinoirs is een gemeentelijk monument: de betonnen urinoir aan de Hereweg in Groningen.

In de jaren 1980 ging het economisch minder goed in Nederland. Als gevolg hiervan moesten veel steden bezuinigen. De tot dan vrij prominent aanwezige urinoirs stonden vaak bovenaan deze bezuinigingslijst. Dit had ook andere redenen:

  • Urinoirs werden door velen als lelijk en vies gezien in het straatbeeld.
  • Urinoirs zorgden vaak voor stankoverlast.
  • Urinoirs werden voortdurend beklad en vernield door vandalen.
  • Urinoirs werden in veel steden voor lange tijd gebruikt door homoseksuelen als homo-ontmoetingsplaats, vooral in Amsterdam, iets dat veel gemeenten absoluut niet op prijs stelden.
  • Urinoirs werden lang in belangrijke mate gezien als voorziening voor mensen die op straat werkten, zoals de melkboer. Die beroepen werden na de Tweede Wereldoorlog echter steeds minder beoefend.
  • Urinoirs boden vaak alleen uitkomst bij hoge nood voor mannen. Na de tweede feministische golf ontstond hier steeds meer verzet tegen.

Daarnaast was er jarenlang sprake van allerlei vormen van criminaliteit in en rond urinoirs, variërend van vandalisme tot mishandeling, ontucht, steekpartijen en berovingen, soms zelfs met dodelijke afloop.[8] Gedurende de jaren 80 verdwenen om deze redenen veel urinoirs uit het straatbeeld, al overleefden sommige plaskrullen de bezuinigingsrondes nog tot in de jaren 90. Het hielp niet dat er weinig weerstand bestond tegen de verwijdering ervan, wat ervoor zorgde dat urinoirs een zeldzaamheid zouden worden in menig Nederlandse stad vanaf de jaren 90.[2] Tegenwoordig staat er één plaskrul langs de Herengracht in Leiden, maar wijkt het af ten opzichte van de standaard plaskrul die in Amsterdam te vinden is. De toppen van de krul zijn geschilderd in de kleuren van de Nederlandse vlag, het schaamschot is gemaakt van porselein en is de achterkant van het schot is bedekt met een muurtje bakstenen.

Moderne varianten

[bewerken | brontekst bewerken]

Nadat urinoirs grotendeels waren verwijderd, bleef de behoefte voor openbare toiletten bestaan. Begin jaren 80 werd een nieuw soort openbare toiletten ontworpen: zelfreinigende toiletten. Een artikel van het NRC van 17 september 1982 beschreef hoe Amsterdam, in navolging van Parijs en Londen, de primeur had om te onthullen dat de stad ook zou overgaan tot het plaatsen van zogenoemde sanisettes. Zo kregen zowel mannen als vrouwen de beschikking over een openbaar en hygiënisch openbaar toilet. Voor een bezoek aan de sanisette zouden een of twee kwartjes betaald moeten worden. Daarmee kon een deel van de kosten worden terugverdiend. De exploitatie was toevertrouwd aan de Franse fabrikant JCDecaux, die daarvoor 30.000 gulden per toiletgelegenheid in rekening bracht. Een jaar later publiceerde Het Parool op 25 augustus 1983 een artikel dat de Amsterdamse Urinoir Commissie (Urco) en de heer De Bruyn op het punt stond om het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders voor te stellen een proef te beginnen met de sanisette. Het eerste exemplaar zou geplaatst moeten worden op het Spui. Uiteindelijk keurde de gemeenteraad de proef goed en meldde de Amigoe van 21 april 1984 dat er zeven sanisettes in de hoofdstad zouden komen. Het plaatsen van de sanisettes was een van de projecten die bekostigd zouden worden van de 49 miljoen gulden die de gemeente Amsterdam in 1985 wilde bezuinigen volgens een artikel van het Nederlands Dagblad van 24 oktober 1984. Dankzij bureaucratie zou het echter tot 1987 duren voordat de eerste sanisette in Amsterdam werd geplaatst. Dit openbaar toilet werd echter niet geplaatst op het Spui, maar op het Damrak tegenover het Beursplein. De officiële ingebruikname vond plaats op 29 oktober van dat jaar. Voor twee kwartjes kreeg iemand 15 minuten de tijd om gebruik te maken van het openbaar toilet, waarna de deur om veiligheidsredenen vanzelf weer open ging. Schuin tegenover de nieuwe sanisette onthulde de Amsterdamse wethouder Ten Have ook een gratis toegankelijk toilet van een concurrerende firma volgens een artikel van Trouw op 30 oktober van dat jaar. Dit zogenaamde stadstoilet van de Oosterhoutse firma Struik Betonindustrie en Kunststofriolering zou zichzelf redelijk weten te reinigen volgens de woordvoerder, maar niet zo grondig als de sanisette. Een groot voordeel van de Struik-wc was dat het geen draaiende borstels, stangen en bewegende kleppen bevatte en daarom een stuk veiliger was voor gebruik. Daarnaast was het stadstoilet van Struik gemaakt van licht polyester en niet van beton zoals de sanisette. Bovendien waren vervangende onderdelen voor het toilet overal te koop. Ondanks de grotendeels zeer positieve reacties op de sanisette, verdween het eerste exemplaar binnen twee jaar. Over het algemeen waren de zelfreinigende toiletten een bescheiden succes: in 1993 waren er volgens het Algemeen Dagblad 75 zelfreinigende toiletten verspreid over Nederland. De hoge kosten zorgden er echter voor dat veel gemeenten zich weerhielden om er veel te installeren. Dit terwijl de verwijdering van openbare toiletten bleef doorgaan: de gemeente Den Haag besloot in 1992 om bijna alle openbare toiletten op te ruimen.[2]

Na enkele jaren zonder een nieuw zelfreinigend toilet, kreeg Amsterdam op 19 januari 1993 opnieuw de primeur. Na een proef uit 1991 werd er weinig prioriteit gegeven aan degelijke openbare toiletten in de stad. Ondanks de lobby van vrouwenemancipatiebewegingen, sneuvelden voorstellen voor technologisch geavanceerde toiletten voortdurend omdat er steeds andere zaken bestonden die voor de gemeente belangrijker werden geacht. De sanisette van de tweede generatie, ontworpen door M. Bruna van Publex Stadsmeubilair, was ingebouwd in een reclamezuil van aluminium en gietijzer en stond in de Hobbemastraat, vlak bij het Rijksmuseum. Met een toegangsprijs wilde de gemeente drugsdealers te weren die enkele jaren eerder de eerste sanisette op het Damrak gebruikten om illegaal verdovende middelen te verhandelen.[9] Onduidelijk is hoe lang deze zelfreinigende toiletten hebben bestaan, maar het toilet bestaat sindsdien niet meer in de eerder genoemde straat.

Het verzinkbare urinoir met afsluitbaar vrouwengedeelte op de Dam in Amsterdam, gefotografeerd in 2018.

Een succesvollere moderne variant van een urinoir is het plaskruis. Het plaskruis is een mobiel te plaatsen urinoir dat geen aansluiting op het riool nodig heeft maar periodiek verwisseld wordt. Ze worden vaak gebruikt voor muziekfestivals en andere grote evenementen, maar sommige steden gebruiken ze ook regelmatig om wildplassen tijdens drukke uitgaansnachten tegen te gaan. Het plaskruis is ontworpen door Joost Carlier en werd voor het eerst gebruikt in 1991 gedurende het evenement Monsters Of Rock in het Nijmeegse Goffertpark. Een andere oplossing die het straatbeeld niet verstoort en tegenwoordig wordt gebruikt is het verzinkbaar urinoir. Buiten gebruik is het een in het plaveisel verzonken urinoir. Ze worden in de nacht met een interne lift op straathoogte gebracht voor het uitgaanspubliek. In 2016 kwam er een verzinkbaar urinoir met afsluitbaar vrouwengedeelte op de Dam in Amsterdam, dat alleen 's nachts kan worden gebruikt.[10] In 2024 heeft de gemeente Amsterdam 4,6 miljoen euro vrijgemaakt voor het plaatsen van nieuwe MVG-toiletten in de stad. Het eerste MVG-toilet staat sinds 17 april 2025 in het Oosterpark en is sinds 1 juni van dat jaar te gebruiken.[11]

België heeft zowel oude als nieuwe urinoirs die beschikbaar zijn in zowel Vlaamse als Waalse steden. In de Vlaamse stad Brugge zijn een aantal urinoirs beschikbaar voor gebruik. De gemeente hanteert een unieke plaskaart waar alle openbare toiletten te vinden zijn.[12] Deze plaskaart is in 2016 in het leven geroepen als onderdeel van een heus 'plasplan' om zo het wildplassen tegen te gaan en de zichtbaarheid van openbare toiletten te vergroten. Een aantal bijzondere urinoirs bevinden zich bij twee kerken; de Sint-Annakerk en de Sint-Gilliskerk. De urinoirs zijn van beton gemaakt, biedt plek voor drie mannen en staan bij een muurtje van de kerken. Daarnaast bestaan er ook zogeheten RVS plaskrullen, die zowel soelaas bieden voor zowel een als twee personen. In het centrum bestaan er ten slotte specifieke zelfreinigende toiletten die ook door vrouwen als gehandicapten gebruikt kunnen worden.[13] Andere steden die urinoirs bij kerken kennen zijn Kruiskerke en Sint-Niklaas.

Groot-Brittannië

[bewerken | brontekst bewerken]

Gietijzeren urinoirs werden ontwikkeld in het Verenigd Koninkrijk, waar het Schotse bedrijf Walter McFarlane and Company urinoirs goot in hun Saracen Foundry. Het eerste exemplaar in oktober 1850 werd geïnstalleerd in Paisley Road, Glasgow. Tegen het einde van 1852 waren er bijna 50 gietijzeren urinoirs geïnstalleerd in Glasgow, waaronder ontwerpen met meer dan één hokje. In tegenstelling tot de kolommen van Claude-Philibert Barthelot de Rambuteau, die aan de voorkant volledig open waren, waren de eenpersoonsurinoirs van McFarlane ontworpen met spiraalvormige gietijzeren schermen waardoor de gebruiker aan het zicht onttrokken werd en waren zijn urinoirs met meerdere cabines volledig verborgen achter sierlijke, modulaire gietijzeren panelen. Drie fabrikanten in Glasgow, Walter Macfarlane & Co., George Smith (Sun Foundry) en James Allan Snr & Son (Elmbank Foundry), leverden het merendeel van de gietijzeren urinoirs in Groot-Brittannië en exporteerden ze over de hele wereld, waaronder Australië en Argentinië. Oude, gietijzeren urinoirs zijn tegenwoordig nog te vinden in het Verenigd Koninkrijk. Een aantal staan in Londen, maar de meeste staan in Birmingham en Bristol. Een exemplaar van het spiraalvormige urinoir van Walter McFarlane staat nog steeds in Thorn Park, Plymouth. Een aantal urinoirs zijn gerestaureerd en verplaatst naar het terrein van verschillende openluchtmusea en historische spoorlijnen. Tegenwoordig zijn er in het V.K. tijdelijke urinoirs geïntroduceerd met meerdere onafgeschermde urinoirs rond een centrale kolom.[14][15]

In de Duitse hoofdstad Berlijn waren de eerste urinoirs gemaakt van hout en in 1863 voor het eerst geplaatst. Om een ontwerp te krijgen dat net zo onderscheidend was als in andere steden, werden er in 1847, 1865 en 1877 verschillende architectuurwedstrijden georganiseerd. Het laatste ontwerp, voorgesteld door een gemeenteraadslid, werd in 1878 aangenomen. Het betrof een achthoekige constructie van gietijzer met zeven cabines en een puntdak, die plaatselijk bekend stond als het Café Achteck ("Achthoekcafé"). Net als Britse ontwerpen waren ze volledig omsloten en voorzien van binnenverlichting. In 1920 was hun aantal gestegen tot 142, tegenwoordig bestaan er nog slechts een tiental van dit type openbare toiletten in Berlijn.[16] Andere steden als Braunschweig, Düsseldorf en Hamburg hebben tegenwoordig een combinatie van vergelijkbare Café Achteck- en modernere urinoirs geïnstalleerd of gerestaureerd.

Nadat de eerste urinoirs werden vernield gedurende de Julirevolutie van 1830, werden ze na 1843 opnieuw geïntroduceerd in Parijs toen er meer dan 400 werden geïnstalleerd door Claude-Philibert Barthelot de Rambuteau, de Préfet van het departement Seine. Ze hadden een eenvoudige cilindrische vorm, waren opgetrokken uit metselwerk, open aan de straatkant en rijkelijk versierd aan de andere kant en op de kap. In de volksmond stonden deze urinoirs bekend als colonnes Rambuteau (Rambuteau-kolommen). Als reactie hierop stelde Rambuteau de naam vespasiennes voor, verwijzend naar de 1e-eeuwse Romeinse keizer Titus Flavius Vespasianus, die belasting hief op urine die werd verzameld in openbare toiletten voor gebruik bij het looien. Dit is de gebruikelijke term waarmee straaturinoirs in de Franstalige wereld worden aangeduid, hoewel pissoirs en pissotière ook veel worden gebruikt.

De volgende versie van de vespasiennes in Parijs bestond uit een gemetselde zuil waarop affiches konden worden geplakt aan de kant van het voetpad, waardoor een traditie ontstond die tot op de dag van vandaag voortduurt als een zogeheten Morris-zuil, een zuil met een gedetailleerd dak en zonder urinoir. Gietijzeren urinoirs die vergelijkbaar waren in andere landen werden geïntroduceerd als onderdeel van de herinrichting van de stad door baron Haussmann. In de daaropvolgende decennia werden er allerlei verschillende ontwerpen geproduceerd, met twee tot acht cabines, waarbij meestal alleen het midden van de gebruiker aan het zicht van het publiek werd onttrokken, terwijl het hoofd en de voeten nog steeds zichtbaar waren. Er werden ook schermen toegevoegd aan de Rambuteau-zuilen. Op het hoogtepunt van hun verspreiding in de jaren 1930 waren er 1.230 urinoirs in Parijs, maar in 1966 was hun aantal gedaald tot 329. Vanaf 1980 werden ze onder de toen burgemeester van Parijs Jacques Chirac systematisch vervangen door nieuwe technologie, een unisekstoilet dat afgesloten en automatisch zelfreinigend was. Dit openbaar toilet werd de Sanisette genoemd en tegenwoordig staan er zo'n 400 van door heel de stad.[9][17] In 2006 was er nog maar één historisch gietijzeren urinoir over, die tegenwoordig op de Boulevard Arago staat. Het urinoir is inmiddels gerestaureerd maar buiten gebruik gesteld vanwege de historische waarde van het bouwwerk.[18] Andere Franse steden als Honfleur hadden of hebben vandaag de dag, net als Parijs, vergelijkbare gietijzeren urinoirs in het straatbeeld. Een aantal steden, waaronder Grenoble, hebben zelfs nog werkende colonnes Rambuteau als urinoir. Later zijn ook betonnen urinoirs geplaatst in steden als Arles en Tourcoing.

In Wenen werden, net als in Berlijn, vergelijkbare houten urinoirs geplaatst in het begin. Deze urinoirs waren echter kleiner en zeshoekig. Verder waren ze uitgerust met een nieuw "oliesysteem", gepatenteerd door Wilhelm Beetz in 1882, waarbij een soort olie werd gebruikt om geuren te neutraliseren zodat leidingen overbodig werden.[19] Tegenwoordig zijn er nog ongeveer 15 in gebruik en één is gerestaureerd en tentoongesteld in het Technisches Museum Wien.

Gedurende het bestaan van de urinoir is er door verschillende groepen verzet geweest tegen dit type openbaar toilet. De eerste klachten ontstonden al in de jaren 20 van de negentiende eeuw rondom het zedelijke aspect. Het gebeurde regelmatig dat mannen hun gulp pas dicht deden tijdens het verlaten het urinoir, ondanks bordjes die dat expliciet verboden. Mede daarom werd vanaf de jaren 20 veelvuldig gepleit voor ondergrondse toiletten omdat die niet zo in het zicht lagen. Bovendien waren daar in het buitenland goede ervaringen mee opgedaan. En hoewel er op sommige plaatsen daadwerkelijk ondergrondse toiletten werden gebouwd (zoals gebeurde bij de Coolsingel in Rotterdam voor de Tweede Wereldoorlog), kwamen er uiteindelijk maar weinig dankzij de hoge aanlegkosten in de zachte Nederlandse bodem.[2]

Homoseksuelen

[bewerken | brontekst bewerken]

Sinds de plaatsing van urinoirs in Nederland, werden ze gebruikt als homo-ontmoetingsplaats door homoseksuele mannen. In een tijd waarin sodomie bij wet strafbaar was en homoseksualiteit (toen nog bekend als homofilie) werd afgekeurd door velen in de Nederlandse samenleving, boden urinoirs een welkome plaats voor homo's om elkaar stiekem te ontmoeten. De autoriteiten waren hier echter niet van gediend en de reden voor het ontwerp van de eerste plaskrul was het belang van transparantie. Zo konden agenten makkelijk beoordelen of er meerdere mensen zich in een urinoir bevonden en ertegen optreden. Desondanks werden tot ver in de jaren 80 zo'n 40 Amsterdamse plaskrullen gebruikt door homo's om te cruisen en ook urinoirs in andere steden (zoals de betonnen urinoir op het Charloisse Hoofd nabij de voetgangersingang van de Maastunnel in Rotterdam) werden lange tijd gebruikt voor dit doel.[20] Latere urinoirs, voornamelijk die van de jaren 20 en 30 die geïntegreerd waren bij transformatorhuisjes en bruggen, hadden een meer gesloten ontwerp en boden meer privacy voor homoseksuelen.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het besluit in Amsterdam om steeds meer urinoirs te sluiten in de stad. Dit omdat de urinoirs konden worden gebruikt voor het plegen van ontuchtige handelingen. In 1969 werden in één keer 50 van de toen nog 175 openbare urinoirs in Amsterdam gesloten, wat tot protest van de homobeweging leidde. Hetzelfde gebeurde in andere steden met de geleidelijke sluiting van urinoirs maar met het aanbreken van de eenentwintigste eeuw, de grotere acceptatie van homoseksuelen in de samenleving en het gebruik van andere locaties als homo-ontmoetingsplek, nam het protest grotendeels af en worden de weinig overgebleven urinoirs nog zelden gebruikt als homo-ontmoetingsplek.[2]

Behalve bij de homoseksuelen was de urinoir vanaf het begin der bestaan al niet geliefd bij de feministen. Urinoirs waren meer dan eens doelwitten voor ludieke acties van feministen door de jaren heen. De eerste kritiek ontstond rond 1900 toen de eerste feministen pleitten voor de inrichting van publieke privaten. De mannen hadden al urinoirs, maar vrouwen van de gegoede klasse moesten in warenhuizen of cafés naar het toilet. In Amsterdam had hun lobby uiteindelijk succes; in 1909 bestonden er al acht inrichtingen die vrouwen konden gebruiken, op andere plaatsen duurde het langer. Dit kwam omdat publieke privaten op veel plekken nog altijd een slechte naam hadden. Ook de behoorlijk hoge kosten waren een argument: een openbaar toilet kostte de gemeente in 1967 twee gulden per bezoek aan onderhoud. Omdat de eerste urinoirs specifiek ontworpen waren voor mannen, was het voor vrouwen nagenoeg onmogelijk om gebruik te maken van het openbaar toilet zonder dat de schaamstreek zichtbaar zou worden bij het hurken. Hoewel de latere urinoirs van baksteen en beton meer privacy boden, waren ze nog altijd specifiek gericht op mannen. Tijdens de tweede feministische golf voerde de Dolle Mina's actie tegen deze, in hun ogen, vorm van discriminatie door met roze linten plaskrullen in Amsterdam dicht te binden om 'plasrecht' te eisen.[21][22] In 1985 gaf de Amsterdamse Urinoir Commissie Urco positief advies over het plaatsen van automatische openbare toiletten, maar juist in dat jaar werd de commissie opgeheven en is dit plan nooit uitgevoerd.[11]

Het op mannen gerichte ontwerp van de Amsterdam plaskrullen kwam ook in 2017 ter discussie doordat een vrouw in Amsterdam een boete kreeg voor wildplassen. De overtreder had niet gebruikgemaakt van een plaskrul omdat bij het hurken inkijk mogelijk is. Ze weigerde de boete te betalen wegens vrouwendiscriminatie. Volgens de rechter zijn de plaskrullen echter wel geschikt voor vrouwen en moest ze de boete betalen. Het leidde tot de landelijke urinoirplasactie Zeikwijf dat internationale aandacht kreeg.[23]

Op andere Wikimedia-projecten