Vanallengordels

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Van Allen-gordels)
Ga naar: navigatie, zoeken

De vanallengordels, ook stralingsgordels of deeltjesgordels genoemd, zijn twee gordels van geladen deeltjes rond de aarde. De laagstgelegen gordel, op een afstand van 2000-5000 km, bestaat voornamelijk uit protonen. Deze werd in 1958 ontdekt door de satelliet Explorer 1. De gordel is vernoemd naar zijn ontdekker James Van Allen, die erop stond dat de satelliet een geigerteller aan boord zou meenemen.

De tweede gordel ligt op een hoogte tussen de 13 000 en 19 000 km en is ongeveer 6000 km dik. Deze gordel bestaat voornamelijk uit elektronen en is door Pioneer 1, 2 en 3 (ook in 1958) ontdekt en in kaart gebracht.

De deeltjes in de buitenste vanallengordel zijn afkomstig van de zonnewind, de deeltjes in de binnenste gordel(s) zijn afkomstig van kosmische straling.[1]

Natuurkundige achtergrond[bewerken]

De binnen- en buitengelegen vanallengordels met draaiingsas en magnetische as van de aarde

De vanallengordels bestaan uit geladen deeltjes die met hoge snelheid op de aarde afkomen. Rond de aarde komen deze deeltjes het magneetveld van de aarde (de magnetosfeer) tegen. Er treedt eigenlijk hetzelfde effect op als in een dynamo of een wervelstroomrem. Door de vorm van het magneetveld, geconcentreerd rond de polen, worden de deeltjes in het magneetveld vastgehouden. De geladen deeltjes bewegen zich langs magnetische veldlijnen van de noordpool naar de zuidpool en terug.

Hoogte[bewerken]

De vanallengordels liggen voor het grootste deel op aanzienlijke hoogte boven het aardoppervlak, maar dat is niet overal het geval. Rond de polen naderen de magnetische veldlijnen het aardoppervlak. Een groot deel van de geladen deeltjes wordt teruggestuurd naar de andere pool, een klein aantal weet tot 40 à 50 km hoogte te geraken. Op die hoogte zijn niet veel luchtmoleculen, maar genoeg om het noorder- en zuiderlicht te laten ontstaan in de botsing tussen snelle geladen deeltjes en luchtmoleculen.