Von Bönninghausen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Von Bönninghausen wapen 1816.svg
Wapen van Frans Egon PH. J. von Bönninghausen, huis Herinckhave (1816)
Herinckhave.jpg
Huis Herinckhave in Fleringen

Von Bönninghausen (ook: von Bönninghausen tot Herinkhave) is een Nederlandse en Duitse adellijke familie.

Geschiedenis[bewerken]

De bewezen stamreeks van dit geslacht begint met Ferdinand Lothar von Bönninghausen (1634-1686), natuurlijke zoon van de keizerlijke veldmaarschalk Lothar Dietrich von Bönninghausen (1598-1657) die in 1634 tot des H.R.Rijksbaron werd verheven; diens voorgeslacht gaat terug tot de 15e eeuw. Ferdinand Lothar voerde de naam van zijn vader en tevens diens volle familiewapen. Hij werd heer van het vaderlijk huis Fresekenburg (Neheim). Bovendien zette hij de militaire traditie voort ten dienste van de keurvorst van Keulen en de vorst-bisschop van Munster.[noot 1] Daarmee is het duidelijk, dat Ferdinand tot de Westfaalse adel behoorde (noblesse d'épée). Hij trouwde met Helena von Mumm en sneuvelde in 1686 als kolonel te Raab, Hongarije.

Enkele telgen[bewerken]

Ferdinand Lothar von Bönninghausen (1634-1686), kolonel, stamvader van de Nederlandse en Duitse takkentak

  • Caspar Lothar Dietrich von Bönninghausen(1661-1739), heer van Bremschede, Suttrop, Marpe en Darup, generaal-majoor, Landeshauptmann in Westfalen
    • Friedrich Christian von Bönninghausen (1692-1771), heer van Herinckhave (1723), Bremschede, Marpe, Darup enz., luitenant-generaal, trouwt 1723 Johanna Maria Grubbe, erfdochter van Herinckhave. (Hun zoon Friedrich Christiaan, 1730-1788, werd in 1769 proost van Scheda). Hij hertrouwt 1744 Maria Elisabeth von Dorgelo, eredame te Brussel bij Maria Anna van Habsburg (-Oostenrijk). Van hen Ernestus Ludovicus, die volgt, en Joseph Caspar Anton (1747-1800), heer van Bremschede en Marpe. Laatstgenoemde staat aan het hoofd van een Duitse tak, waarvan:
      • Joseph Ernestus Ludovicus von Bönninghausen (1747-1812), heer van Herinckhave en Darup, majoor gardes, kamerheer van de keurvorst van Keulen, provisioneel representant van het volk van Overijssel; zie voor zijn zonen onder Nederlands nageslacht

Nederlands nageslacht[bewerken]

jhr. Franciscus Egon Philippus Joannes (Frans Egon) von Bönninghausen (1789 - 1849), heer van Herinckhave, vrederechter, in 1816 benoemd in de nieuw opgerichte ridderschap van Overijssel. Hij kwam officieel ook voor met de dubbele naam Von Bönninghausen tot Herinkhave.[1]

  • jhr. mr. Lodovicus Ernestus Franciscus Jacobus von Bönninghausen (1828-1910), burgemeester (1855-1910) en gemeentesecretaris van Tubbergen (1857-1906), lid Provinciale Staten van Overijssel (1857-1898), advocaat en procureur (1851-1891), trouwt 1852 met Johanna Charlotte von Heyden tot Woninge (Nienborg, D, 1824 - Herinckhave 1907). De echtelieden lieten Herinckhave ingrijpend moderniseren en verfraaien. Na zijn overlijden werd landgoed Herinckhave (650 ha.) in 1916 geveild en heeft de vierde zoon het teruggekocht.
    • jhr. Egon Johannes Josephus Stephanus von Bönninghausen (1856-1933), burgemeester van Weerselo (1884 - 1885) en van Borne (1885 - 1925)
    • jhr. Paulus Frederikus Antonius Johannes von Bönninghausen (1858-1919), burgemeester van Lisse (1888 - 1919). In 1902 werd de Sint-Agathakerk gebouwd, ofwel de 'Kathedraal van de Bollenstreek'.[2]
      • jhr. mr. Lodewijk Ernest Egon Antonius Maria von Bönninghausen tot Herinkhave (1893-1947), officiële naamswijziging, dezelfde als zijn oom Lodewijk Ernest Maria, met toevoeging 'tot Herinkhave', kanselier Malthezer Orde, advocaat en procureur
    • Jhr. Ernest Theresia Meinard von Bönninghausen (1861-1920), assuradeur
    • jhr. mr. dr. Lodewijk Ernest Maria von Bönninghausen tot Herinkhave (1867-1965), bewoner van Burg Hohes Haus (Nienborg, 1905 - 1953), officiële naamswijziging bij arrest van 26 juni 1929 gerechtshof Arnhem met toevoeging 'tot Heringhave' en bij vonnis van 15 april 1940 rechtbank Almelo gewijzigd in Von Bönninghausen tot Herinkhave. Hij was lid van de Malthezer Orde; advocaat en procureur. Hij was zowel Nederlands als Duits jurist; raakte betrokken bij de nasleep van het Mayerling Incident (1889) voor Hendrik graaf van Bylandt en Joanna Freiin von Vetsera.

jhr. Maximilianus Frederik Carel Frans von Bönninghausen (1793 - 1822), heer van de Eeshof (Tubbergen), page van koning Lodewijk Napoleon, kapitein in Franse, vervolgens in Nederlandse dienst. Hij is in 1822 ingelijfd in de Nederlandse adel.

Duitse telgen[bewerken]

  • Clemens Maria Franciscus von Bönninghausen (Herinckhave 1784 - Darup 1864), heer van Darup, jurist, architect, arts en pionier op het gebied van de homeopathie. Zijn nazaten kregen in 1932 officieel toestemming zich Freiherr (baron) te mogen noemen met als motief, dat de familie von Bönninghausen in de 18e eeuw als baron bekendstond. (Criterium van 'verjaring', ofwel '100 jaar voeren van de titel').
  • Hermann von Bönninghausen (1888-1919), atleet bij de Olympische Spelen van 1908 en 1912 (had de bijnaam 'Ajax')
  • Albert von Bönninghausen (1897-1992), burgemeester van Oedt (1930), verklaard tegenstander van de NSDAP en werd in verband daarmee overgeplaatst naar de gemeente Korschenbroich (1934; tegen geringe wedde als repercussie), door de Engelsen nadien opnieuw burgemeester van Oedt (1947). Hij schonk aan de gemeente Venlo (NL) het omvangrijke huisarchief van kasteel Arcen, na eerder bezwaar van de Duitse overheid.
  • Freiherr Wilhelm Friedrich von Bönninghausen (1906-1945), Unteroffizier. Gesneuveld in Heiligeneich, Oostenrijk.
  • Freiherr Dr. Heinrich von Bönninghausen (1908-1940), Oberveterinär. Gesneuveld in Frankrijk.
  • Inge von Bönninghausen (1938), journaliste, feministe, programmamaker bij de omroep

Wapen[bewerken]

Wapen van Maximillianus Frederik Carel Frans von Bönninghausen, huis Tubbergen (1822). Dit wapen is gelijk aan dat van Frans Egon uit 1816, maar heeft op de helm een kroon van zeven parels.

Op een blauw veld een zilveren snoek, die gedeeltelijk uit zilver water komt (variant: die uit de rand van het schild komt). In de eerste helft van de 17e eeuw kreeg de snoek een gouden kroon. Betekenis: de snoekenkop is in de Middeleeuwen een synoniem voor de Arma Christi. Helmteken: een herhaling van het schild in een vlucht. Later werd dit schild op pauwenveren geplaatst. Die veren waren ontleend aan het wapen Van Gelre. Nadien werden de veren weer vervangen voor 6 stralen en 7 sterren, of 4 stralen en 5 sterren. Dit naar aanleiding van het Latijnse woord voor snoek: 'lucius', wat is afgeleid van 'lux' en dat licht betekent.

Registratie wapens 1816 en 1822[bewerken]

Bij Koninklijk Besluit (KB) van 24 februari 1816 werd Frans Egon Philippus Joannes (1789-1849), wonende op huis Herinkhave, benoemd in de Ridderschap van Overijssel waarbij hem het wapen met de volgende blazoenering werd verleend:

"Onder een lucht, rechts roze, in het midden lichtblauw, links grijs, een kalm water, waarin de lucht zich weerspiegelt en waaruit schuin oprijst een snoek van natuurlijke kleur, gekroond met een kroon van drie bladeren. Een aanziende helm; geen wrong; dekkleden blauw en zilver; helmteken een schildje volgens het schild, waarvan vier gouden zonnestralen uitgaan, twee horizontaal en de beide andere schuin, afgewisseld met vijf gouden sterren."

Bij KB van 14 juni 1822 werd Maximillianus Frederik Carel Frans (1793-1822), wonende op huis Tubbergen, ingelijfd in de Nederlandse adel waarbij hem hetzelfde wapen werd verleend als in 1816 aan zijn jongere broer, echter met toevoeging:

"maar op de helm een kroon met zeven parels."

Externe links[bewerken]