Wederzijdse verstaanbaarheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wederzijdse verstaanbaarheid (Engels: mutual intelligibility) is een term waarmee in de algemene taalkunde het verschijnsel wordt bedoeld dat sprekers van verschillende taalvormen elkaar onderling kunnen verstaan, terwijl ze elk hun eigen taal spreken en geen voorkennis van de taal van de ander hebben. De term mutual intelligibility werd in 1926 bedacht door Leonard Bloomfield.[1]

Wederzijdse verstaanbaarheid kan "symmetrisch" zijn, wat wil zeggen dat beide sprekers elkaar even goed verstaan, of asymmetrisch, wat wil zeggen dat de ene spreker de andere beter verstaat dan vice versa. Binnen een bepaald taalgebied heersen vaak verschillende gradaties van wederzijdse verstaanbaarheid, die samenhangen met de aanwezigheid van een dialectcontinuüm.

Toepassingen[bewerken]

Het verschijnsel wederzijdse verstaanbaarheid wordt door taalkundigen vooral gebruikt als maatstaf om de mate waarin tussen twee talen verwantschap bestaat te bepalen. Dialectologen gebruiken het als criterium om de grens tussen wat als een taal en wat als een dialect mag worden beschouwd af te bakenen.[2][3] Soms levert dit resultaten op die in tegenspraak lijken met aannames die binnen de taaltypologie en de vergelijkende taalkunde gebruikelijk zijn; zo blijken het Nederlands en het Nederduits onderling minder goed verstaanbaar dan het Nederlands en het Standaardduits, terwijl de twee eerstgenoemde taalvormen in taalkundig opzicht dichter tot elkaar staan[4] Ook binnen de sociolinguïstiek speelt het verschijnsel wederzijdse verstaanbaarheid een belangrijke rol, namelijk bij het onderzoeken van de factoren die de mate van wederzijdse verstaanbaarheid beïnvloeden.

Zie ook[bewerken]