Wil tot macht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wil tot Macht (Duits: Der Wille zur Macht) is één van de grondbegrippen van de filosofie van Friedrich Nietzsche.

Nietzsche heeft in zijn leven één theorie zeer uitvoerig uitgewerkt en daardoor wordt hij vereenzelvigd met deze theorie. De basis van de idee die hij verspreidt, is dat alles wat in het universum is, gedreven wordt door één ding: de wil tot macht. Wat hij hiermee bedoelt, legt hij uitvoerig uit in het boek Jenseits von Gut und Böse. Hij doet dit echter zodanig dat hij hieraan zijn bijnaam te danken heeft, "de filosoof met de hamer". Hij maakt de theorieën van anderen kapot, slaat ze stuk met zijn hamer. Hier zie je onmiddellijk dat Nietzsche zelf zodanig gedreven is door zijn wil tot macht, dat hij geen van alle andere filosofen spaart.

Andere belangrijke werken van Nietzsche zijn: Die fröhliche Wissenschaft (1882), Also sprach Zarathstra (1885) en Zur Genealogie der Moral (1887). Hierin zijn twee inspiratiebronnen duidelijk herkenbaar: de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer en Charles Darwin.

Volgens Nietzsche is de werkelijkheid een onophoudelijk 'worden' of 'gebeuren'; zij is constant in beweging en verandering. Door een spel en strijd van krachten die elkaar tegenwerken ontstaat dit. Elke kracht wil zich als dermate uiten, en zo andere krachten aan zich wil onderwerpen en bevelen. Elke kracht wordt dan ook beschreven als een wil tot macht: "dat wil zeggen als onverzadigbaar verlangen naar het betonen van macht; of gebruik, uitoefening van macht, als scheppende drift enz." De wil tot macht is aan de ene kant een bevelen van een andere wil tot macht, en aan de andere kant is het een zelfoverwinning: Iedere macht wil meer macht dan het op ieder moment bezit.