Beukennootje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ontbolsterde ongepelde beukennootjes

Een beukennootje is de vrucht van de beukenboom, Het is een klein driehoekig nootje, een dopvrucht, waarvan de vruchtwand verhout is, zoals ook bij de hazelnoot, eikel en kastanje. De nootjes worden omsloten door een napje, dat gevormd wordt uit de vruchtbladen en de schutbladen. In elk napje zitten 2 nootjes. Als de nootjes rijp zijn opent het napje in vier delen en vallen de beukennootjes op de grond. De beukennootjes worden onder andere verspreid door eekhoorns, die ze als wintervoorraad gebruiken.

De beukennootjes zijn ook voor de mens eetbaar (maar zijn in grote hoeveelheden wel giftig) en kunnen in het bos worden gevonden, voornamelijk in de maanden oktober, november en december. Ze zijn rauw te eten of gebakken met een klontje boter. Vroeger werden ze ook als meel aan de varkens gevoerd. Zo werd op de Walderveense standerdmolen in 1727 een schepel boeckentmeel voor 1 gulden en acht stuivers verkocht.

In de Fabeltjeskrant werd het beukennootje aldus bezongen in het Praathuislied:

"Dubbele porties beukennoot / Vers van de boom of licht gezouten / Da's gezellig bij het kouten".