Blijde
Een blijde is een voorloper van de houwitser/mortier. Blijdes werden gebruikt om bij een beleg projectielen te werpen naar een fort maar leenden zich ook heel goed om allerlei vuiligheid, kadavers, over de vestingwal te werpen (om ziekten te veroorzaken). Om die reden was de waterput in een kasteel vaak overdekt.
Er bestaan twee soorten blijdes: de slingerarm (of slingerblijde) en de lepelblijde.
De Lepelblijde [bewerken]
De lepelblijde was een belegeringswapen dat het best vergelijkbaar is met een grote lepel op een verrijdbare stellage, getrokken door dieren of mensen. De energie die nodig is om een projectiel, neergelegd in de lepel, naar de vijand te slingeren werd opgeslagen in een boog die gespannen werd met een sterk touw over een as met een kleine diameter met gaten. De as had een voorziening dat die maar in één richting kon draaien. De boog werd gespannen door de as te draaien met behulp van stokken en veel mankracht, later ook met paardenkracht.
Het plotseling ontgrendelen van deze energie en het abrupte tegenhouden van de arm met de lepel deden het projectiel met kracht met een voorspelbare afstand naar de vijand werpen. Het bereik van de projectielen kon worden beïnvloed door het aantal windingen te variëren op de as.
De lepelvormige houder kon meer projectielen tegelijk wegschieten dan een slinger, zoals die voorheen vaak werd gebruikt. Dit onderscheidt het wapen van bijvoorbeeld de onager, die door de Romeinen werd gebruikt.
De blijde is een variant op de katapult.
De lepelblijde werd opgevolgd door de slingerarm, een belegeringswapen dat in staat is om veel grotere rotsblokken en andere projectielen over grotere afstand te schieten.
| Zie de categorie Ballista van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |
|
Beluister |
(info) |