Dalmatië (regio)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De ligging van Dalmatië in Kroatië

Dalmatië (Kroatisch: Dalmacija) is een streek in Kroatië, aan de Adriatische Zee. De hoofdstad van Dalmatië is Split.

Geschiedenis[bewerken]

De Grieken[bewerken]

De Grieken, die ten zuiden van Dalmatië woonden, koloniseerden en helleniseerden de kuststrook van Dalmatië in de 6e eeuw v.Chr. Een mooi voorbeeld daarvan is Issa (het huidige Vis). Het uiterste zuiden van Dalmatië werd door Alexander de Grote onderworpen tijdens zijn Europese veldtocht (in het jaar 335 v.Chr.).

Romeinen[bewerken]

Dalmatia in het Romeinse Rijk

De Romeinen begonnen met de bezetting van Illyrië in 168 v.Chr.. Ze beperkten zich hierbij alleen maar tot de kuststreek, die al door de Grieken was gehelleniseerd. De naam van de nieuwe provincie werd Illyricum, naar haar echte naam. In 156 v.Chr. vielen de Romeinen voor het eerst ook het binnenland binnen en versloegen daar de Dalmatiërs en dwongen hen tribuut te betalen. De rest van het binnenland volgde omstreeks het jaar nul. Zie Dalmatia voor een uitgebreider overzicht van Romeins Dalmatië.

Dalmatische stadstaten en het Slavische land[bewerken]

In het begin van de 7e eeuw trokken grote groepen Slavische migranten Illyrië binnen. Daardoor werd het binnenland van wat vroeger de Romeinse provincie Dalmatia was, bevolkt door Slavische stammen zoals de Kroaten en de Serviërs. De steden aan de kust bleven machtig en hadden een hoge vorm van beschaving ontwikkeld. De van origine Italiaanse bevolking kon veilig verder leven in de grote steden aan de kust (gesteund door hun verwanten in Italië), terwijl het binnenland bevolkt werd door de Slaven, waarvan de kerstening niet echt vooruitging. Daarbij kwam nog dat de twee bevolkingsgroepen (de Kroaten en de Serviërs) zeer vijandig tegenover elkaar stonden.

In 806 n. Chr. werd Dalmatië tijdelijk een bezit van het Heilige Roomse Rijk, maar door het verdrag van Aken, in 812, werd het gebied terug Byzantijns. In 840 en 842 vielen de Sacarenen de meest zuidelijkste steden van Dalamatia aan, maar door een gecombineerde veldtocht van de Franken en de Byzantijnen konden de Sacarenen verslagen worden.

Vanaf 830 werden het noordelijke en de centrale regio's van Dalmatië door het hertogdom Kroatië bestuurd; de hartelijke relatie met de Romeinse steden begon onder hertog Mislav, rond 835, die ook een vredesverdrag sloot met de doge van Venetië, Pietro, in 840. Hertog Mislav was ook bekend door zijn vele schenkingen aan kerken.

Het Byzantijnse Keizerrijk had zijn handen eraan vol zijn grenzen te verdedigen tegen het Bulgaren-Kanaat en verloor zijn greep op het binnenland van Dalmatië: de zuidelijke hertogdommen Pagania, Zahumlje, Travunia en Doclea werden bestuurd door hun Slavische bevolking, die deels heidens, deels christelijk was en die een gemengde bevolking van Kroaten en Serviërs had. Dit had tot gevolg dat er regelmatig problemen waren met Kroatië (in het noordwesten) en Raška, de grootste Servische staat (in het noordoosten). Sommige historici hebben de delen van Dalmatië die onder Kroatië vielen als Wit Kroatië beschreven, en de zuidelijke hertogdommen als Rood Kroatië. Hierbij moet wel in acht genomen worden dat Dalmatië toen veel groter was en veel meer binnenland had dan Dalmatië nu, dat voor het gemak op een ander pagina staat.

De Narentijnse piraten van Pagania (genoemd naar de rivier Narenta, de huidige Neretva) hadden veilige havens ter beschikking, zoals de eilandhaven Curzola. Zij versloegen twee Venetiaanse vloten die tegen hen gestuurd waren, in 840 en 887. Daardoor werden de Venetianen zelfs gedwongen om een eeuwlang tribuut aan de piraten te betalen. De doge Pietro II Orseolo kon ze in 998 uiteindelijk verslaan en nam daarbij de titel Dux Dalmatianorum (Hertog van de Dalmatiërs) aan. Daarbij werden de Byzantijnse aanspraken, die nog steeds kuststeden in bezit hadden, volledig vergeten.

Ondertussen betaalden Latijnse steden zoals Tragurium (het huidige Trogir) en Iadera tribuut aan de Kroatische koningen en zij consolideerden tegelijk hun macht in de Slavische steden zoals Nin, Biograd en Šibenik. Verder konden de koningen hun controle over de zuidelijke grenzen opwerpen.

Het christelijke Schisma was een zeer belangrijke factor in de geschiedenis van Dalmatië: Hoewel de Kroatische kerk (zetel te Nin) onder het Pauselijk rechtsgebied viel, gebruikten zij toch de Slavische liturgie. Zowel de Latijnse bevolking van de Dalmatische steden als het Vaticaan gaven de voorkeur aan de Latijnse liturgie. Dit creëerde spanningen tussen beide stichten. Het grote schisma tussen oostelijk (Orthodoxe) en westelijk (Rooms-katholiek) christendom (in 1054) versterkten die spanningen tussen het binnenland en de kuststeden alleen maar, omdat de meeste Slaven de voorkeur gaven aan het Orthodoxe christendom. De Latijnse invloed uit de kuststeden werd daarom verhoogd en de Byzantijnse acties in het gebied verder onderdrukt, vooral tijdens de grote kerkvergaderingen van 1059-1060, 1066, 1075-1076, maar ook tijdens lokale kerkvergaderingen. Wat er vooral uitspringt is het afvoeren van de bisschop van Nin en de aanstelling van de aartsbisschop van Spalatum (het huidige Split) en Dioclea (het huidige Bar) en het expliciet verbieden van een andere liturgie dan de Griekse of Latijnse.

De belangrijkste Servische staat, Raska, onderging in die tijd een grote expansie. Tegen het einde van 12e eeuw bezat het land de zuiderse stadstaten én de kuststeden, maar de meeste van die steden, vooral Duklja bleven bewoond door katholieken.

Dalmatië streef nooit naar een politieke of etnische eenheid en vormde nooit één natie, maar het bereikte een uitzonderlijk hoog niveau op gebied van kunst, wetenschap en literatuur. De regio’s in het noordoosten, zoals Bosnië, Servië en Bulgarije hadden elk hun eigen periode van nationale grootsheid, maar de Dalmatische stadstaten (onder Byzantijns gezag), vaak geïsoleerd en verplicht om steun te zoeken in Italië, en volgden de Italiaanse beschaving.

De geografische positie van de Dalmatische stadstaten volstaat om de relatief kleine invloed van de Byzantijnse cultuur uit te leggen, doorheen de zes eeuwen (535-1102) dat Dalmatië een deel was van het Oost-Romeinse Rijk. Naar het einde van deze periode vervaagde de Byzantijnse heerschappij meer en meer naar een nominale maatschappij.

De rivaliteit tussen Venetië en Hongarije, 1102 - 1420[bewerken]

Aangezien de stadstaten (kuststeden en het binnenland) langzamerhand de Byzantijnse steun verloren (en ook omdat de interne verschillen zo groot waren dat ze onmogelijk als eenheid konden optreden) waren de steden verplicht steun te zoeken bij ofwel Venetië, ofwel Hongarije. Zowel Venetië als Hongarije hadden dus belangen in de Dalmatische steden, vooral omwille van economische redenen.

De Venetianen, waaraan de inwoners van de kuststreek van Dalmatië al verwant waren in cultuur en taal, konden genereuze toegevingen doen aan potentiële vijanden, aangezien het hoofddoel van Venetië niet expansie was, maar het voorkomen van het ontstaan van een politieke of commerciële vijand in de Adriatische Zee.
De schippers in Dalmatië keken dan weer op naar Venetië als bazin van de Adriatische Zee. Venetië gaf de bescherming en Dalmatië leverde een onderdeel aan het leger of de vloot, maar er kon ook in goederen betaald worden: Arbe (Rab) betaalde elk jaar 10 pond zijde en 5 pond goud.

Hongarije, van zijn kant, versloeg de laatste Kroatische koning in 1097 en vanaf het verdrag van 1102 eisten ze alle landen die ooit bezittingen van de Kroatische edellieden waren op. De koning van Hongarije (Coloman) begon het binnenland van Dalmatië in te nemen 1102-1105. De boeren en handelaars die in het binnenland leefden kozen de kant van Hongarije, de sterkste landmacht in de buurt en die schonk hen tevens stedelijke privileges. Hoewel ze onderdaan waren van de koning van Hongarije, hadden ze toch het recht hun eigen magistraten, bisschoppen en rechters te kiezen (met koninklijke instemming). Zelfs hun Romeins recht bleef geldig en ze hadden de toestemming om afzonderlijke bondgenootschappen te sluiten. Vreemdelingen, zelfs geen Hongaar, mochten niet in een stad blijven wonen als ze ongewenst waren; mensen die tegen het Hongaars gezag waren konden zelfs emigreren met heel zijn huishouden en bezit. Dit stond in schril contrast met het lot van de horige in West-Europa op dat moment. In plaats van tribuut werden de opbrengsten van de douane gebruikt om de koning, de magistraten, de bisschop en de gemeenschap te betalen.

Deze rechten (en de analoge privileges die Venetië toekende) werden echter te vaak kwaad aangedaan. Zo bezette Hongaarse garnizoenen, bijvoorbeeld, onbereidwillige steden, terwijl Venetië zich voortdurend moeide met de handel, de aanstelling van de bisschoppen of het dienstverband van de publieke domeinen. De Dalmatiërs bleven daarom dan ook alleen loyaal aan hun heerser wanneer het hen uitkwam en opstandjes kwamen vaak voor. Zo waren er bijvoorbeeld in Zadar 4 opstanden tussen 1180 en 1345, hoewel Zadar met speciale zorg door hun Venetiaanse overheersers werd behandeld, omdat Zadar essentieel was voor het behoud van de maritieme superioriteit.

De vroeger vijandige Latijnse en Slavische volkeren begonnen samen te smelten tot een gemeenschappelijke beschaving. Ragusa is een goed voorbeeld daarvan; tegen de 13e eeuw waren er Latijnse en Slavische bestuurders van Ragusa en tegen de 15e eeuw was de literatuur bijna helemaal Slavisch geworden en de stad werd vaak bij zijn Slavische naam genoemd, Dubrovnik.

De wankele verbonden tussen de Dalmatische steden en Venetië of Hongarije verlengden de strijd tussen beide buitenlandse machten. Deze gecompliceerde situatie verergerde door de ketterij van de Bogomielen, maar ook door andere buitenlandse invloeden.

De steden Zadar, Split, Trogir en Dubrovnik en de hun omliggende landen veranderden meerdere keer van vlag tijdens de 12e eeuw. Zowel Venetië, het Byzantijnse Rijk als Hongarije streden er om de macht.

In 1202 verleende de legers van de 4de Kruistocht hulp aan Venetië door Zadar voor de stad in te nemen. In 1204 veroverde hetzelfde leger Byzantium zelf, waardoor de Byzantijnse aanspraken in Dalmatië stopten.

In de vroege 13e eeuw verminderde de gevechten en begonnen de Dalmatische steden de buitenlandse overheersing (vooral van Venetië) te accepteren, toch waren er sporadisch enkele opstanden. Hongarije kreeg het ondertussen zwaar te verduren van de Mongoolse binnenvallen. In 1241 moest koning Bela IV zelfs naar Dalmatië (in het fort Klis) vluchten voor een aanval. De Mongolen vielen ook de Dalmatische steden aan tussen 1242 en 1244 maar trokken zich daarna terug.

De bewoners van de kuststeden zagen in de Slaven al lang niet meer het vijandige volkje uit de bergen. Er waren zelfs enkele Kroatische (=Slavisch) magnaten (zoals de Šubić-familie uit Bribir) wiens macht soms zeer groot was, de grootste in het noordelijke districten tussen 1295 en 1328.

In 1346 werd Dalmatië zwaar door de Zwarte Dood getroffen. De economische situatie was toen al slecht en de steden werden steeds meer afhankelijk van Venetië.

De stichter van het Bosnische koninkrijk, Stephen Tvrtko, was in 1389 in staat om een enclave aan de Adriatische Zee tussen Kotor and Šibenik te veroveren en zelfs de noordelijke kust tot Rijeka, behalve het Venetiaanse Zara (Zadar) en diens onafhankelijke bondgenoot Dubrovnik. Dit was slechts tijdelijk; in 1391 overleed hij en na 2 jaar vielen de gebieden terug in Venetiaanse handen. De strijd om Dalmatië tussen Venetië en Hongarije ging verder.

Een binnenlands probleem in Hongarije had ook zijn weerslag op Dalmatië: koning Sigismund had af te rekenen met het huis van Napels uit Anjou, een familietak. Aan het begin van de 15e eeuw verwelkomden alle Dalmatische steden dan ook de vloot van het Koninkrijk Napels, behalve Dubrovnik. De Bosnische hertog Hrvoje bestuurde Dalmatië dan ook voor die familietak, tot hij veranderde van kant en zijn trouw aan Sigismund schonk.

Dit conflict liep over een periode van 20 jaar, een periode waarin de macht en invloed van Hongarije verminderde. In 1409 verkocht Ladislaus of Naples zijn 'rechten' over Dalmatië aan Venetië voor 100.000 dukaten. Tegen 1420 had Venetië bijna de volledige controle over Dalmatië en in 1437 erkende Sigismund dat dan ook, in ruil voor 10.000 Dukaten. De stad Omiš gaf zich in 1444 over aan Venetië en enkel Dubrovnik bleef onafhankelijk.

Venetië en de Turkse overheersing, 1420 - 1797[bewerken]

Na deze Venetiaanse overwinning kwam er een periode van relatieve rust, maar in het oosten roerde een nieuw gevaar; de Turken rukten gestaag op. Hongarije zelf werd door de Turken aangevallen en kon zich niet langer Dalmatië controleren. Constantinopel, de laatste barrière tegen de Ottomanen, viel voor het Ottomaanse rijk in 1453, Servië en Bosnië volgden in 1459 en 1463, en Herzegovina in 1483. Daarmee ontmoetten de Venetiaanse en Ottomaanse grenzen elkaar en eindeloze oorlogen woedden tussen beide staten.

Dubrovnik zocht veiligheid door vriendschap te sluiten met de Turken en verkochten zelfs twee kleine stukjes land aan de Ottomanen (Neum en Sutorina) om zo de Venetianen de verhinderen om langs het land toegang te krijgen tot de regio.

In 1508 dwong de vijandige Liga van Kamerijk Venetië om haar garnizoenen terug te trekken voor dienst te doen in Venetië zelf. Kort daarop werd Hongarije ten val gebracht (in 1526). Zo hadden de Turken tegen 1537 gemakkelijk grote delen van Dalmatië veroverd. In 1540 werd er eindelijk vrede gesloten, waarbij Venetië de kuststeden behield, maar het volledige binnenland werd een Turkse provincie, die door een Sanjakbeg (een administratief persoon met militaire macht) bestuurd werd vanuit het fort in Klis.

Christelijke Slaven trokken nu massaal vanuit naburige landen naar de steden, waar ze de Italiaanse bevolking verdrongen. Het Slavisch werd dan ook de belangrijkste taal.

Dalmatië na 1797[bewerken]

Dalmatië was van 1815 tot 1918 een deel van Oostenrijk-Hongarije. Zie Koninkrijk Dalmatië voor een bespreking van deze periode.

Dalmatië na 1918[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog kwam Dalmatië grotendeels toe aan Italië. Na de Tweede Wereldoorlog werd Dalmatië bij Joegoslavië ingelijfd, en sinds 1991 is het gebied een deel van Kroatië.

Steden in Dalmatië[bewerken]

Grotere eilanden die bij Dalmatië horen[bewerken]