GZK-limiet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De GZK-limiet (afgeleid van de namen Greisen-Zatsepin-Kuzmin) is de theoretische bovengrens van de energie die kosmische straling kan hebben.

Afleiding[bewerken]

De limiet is in 1966 opgesteld door Kenneth Greisen, Vadim Kuzmin and Georgiy Zatsepin. Een jaar na de ontdekking van de kosmische achtergrondstraling voorspelden ze dat kosmische straling met een energie groter dan 6×1019 eV zal reageren met de fotonen van de kosmische achtergrondstraling waarbij pionen zullen ontstaan. Doordat de botsingskans toeneemt met de afstand, zal extragalactische kosmische straling die een afstand van meer dan 50 megaparsec (163 miljoen lichtjaar) aflegt tot de Aarde, geen energie meer kunnen hebben groter dan de GZK-limiet, aangezien er geen objecten zijn die binnen die afstand deze deeltjes kunnen produceren.

Strijdige waarneming[bewerken]

Een probleem is dat er af en toe deeltjes worden geobserveerd die wel een energie hebben die groter is dan de theoretische GZK-limiet. Het is niet bekend hoe deeltjes deze energie kunnen hebben. Er zijn sommige wetenschappers die opperen dat de waargenomen deeltjes fouten zijn van de gebruikte meetapparatuur. De detector AGASA en het Haverah Park experiment hebben bij deeltjes met een energie groter dan 6×1019 eV namelijk een grotere flux bepaald dan de detectoren HiRes en de Pierre Auger Observatorium.

Actieve sterrenstelsels[bewerken]

In november 2007 heeft het Pierre Auger Observatorium bekendgemaakt dat de kosmische straling afkomstig is van actieve sterrenstelsels. De resultaten zijn beschikbaar gekomen in het tijdschrift Science. [1]

Referenties[bewerken]

  1. Adrian Cho (2007) "Universe's Highest-Energy Particles Traced Back to Other Galaxies", Science, 9 november 2007, p 896-897