Hoefijzerwormen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hoefijzerwormen
Hoefijzerwormen
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Onderrijk: Eumetazoa (Orgaandieren)
Superstam: Lophotrochozoa
Stam
Phoronida
Hatschek, 1888[1]
Afbeeldingen Hoefijzerwormen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Hoefijzerwormen op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Hoefijzerwormen of snorwormen (Phoronida) (naar de Griekse mythologische figuur Phoronis, bijnaam van Io) is een stam van het Dierenrijk waarvan er wereldwijd slechts 10 soorten bekend zijn.

Kenmerken[bewerken]

Deze tot 20 cm lange dieren hebben een plomp, langwerpig lichaam, met een uitstulping aan de achterkant dat als anker fungeert waarmee het dier zich in zijn koker of gang vastzet. Over de mond hangt een korte lip heen, het epistoom, en is omringd door een hoefijzerachtig lofofoor met talrijke lange, van trilharen voorziene tentakels. Hun darm is U-vormig.

Habitat[bewerken]

Hoefijzerwormen leven tot op een diepte van 50 meter op de bodem van de zee en maken een vliezige koker in modderige zandbodems of boren gangen in kalksteen en schelpen. De kokers waarin zij leven, staan vaak in groepen bijeen. Zij vormen echter geen kolonies, zoals de verwante mosdiertjes. Ze hebben een grote ecologische waarde omdat ze met hun booractiviteiten de schelpen vergruisen en het kalkgesteente openen waardoor dit voor andere borende organismen toegankelijk wordt.

Voeding[bewerken]

De dieren verzamelen micro-organismen en organisch afval met behulp van de tentakels.

Taxonomie[bewerken]

De hoefijzerwormen zijn als volgt onderverdeeld:[2][3]

Bijzonderheid is dat het geslacht Actinotrocha uitsluitend uit larven bestaat van soorten die ook in de adulte geslachten voorkomen. In de wetenschappelijke literatuur wordt deze methode tot op heden ook gebruikt.[3]

Soorten[bewerken]

Phoronis mülleri Selys Longchamps komt in de Noordzee voor; het tot 8 cm lange wormvormige lichaam is slechts enkele mm dik.

Twee andere soorten uit de Europese zeeën zijn:

Bronnen
  1. Hatschek B., 1888. Lehrbuch der Zoologie, eine morphologische Übersicht des Thierreiches zur Einführung in das Studium dieser Wissenschaft. Fischer, Jena, 1e ed., 432 p.
  2. Emig Christian C. (2007). Phoronida world database. Available online at http://www.marinespecies.org/phoronida. Geraadpleegd op 19-05-2010
  3. a b Actinotrocha, the larva of PHORONIDA
  4. a b c Wright, T.S. (1856). Description of two tubicolar animals. Proc. R. Soc. Edinb. 1, 165-167.
  5. Haswell W. A., 1883. Preliminary note on an Australian species of Phoronis (Gephyrea tubicola). Proc. Linn. Soc. N. S. Wales, 7, 606-608.
  6. Oka A., 1897. Sur une nouvelle espèce du genre Phoronis. Ann. Zool. japon., Tokyo, 1, 147-150.
  7. Selys-Longchamps M. de, 1903. Über Phoronis und Actinotrocha bei Helgoland. Wiss. Meeresunters., Helgoland, 6, 1-55.
  8. a b Silén L., 1952. Researches on Phoronida of the Gullmar Fiord area (West coast of Sweden). Ark. Zool., 4 (4), 95-140.
  9. Cori C. J., 1889. Beitrag zur Anatomie der Phoronis. Inaug.-Diss. Prague (Univ. Leipzig), 48 pp.
  10. a b Gilchrist J. D., 1907. New forms of the Hemichordates from South Africa. Trans. S Afr. Phil. Soc., 17, 151-176.
  11. Pixell H. L., 1912. Two new species of Phoronida from Vancouver Island. Q. J. microsc. Sci., 58, 257-284.
  12. a b Müller J., 1846. Bericht über einige neue Thierformen der Nordsee. Arch. Anat. Physiol., 13, 101-104.
  13. a b Zimmer R. L., 1964. Reproductive biology and development of Phoronida. PhD Thesis, Univ. Microfilm, 416 p.
  14. Roule L., 1896. Sur les métamorphoses larvaires du Phoronis sabatieri. C. R. Acad. Sci. Paris, 122, 1343-1345.