Instituut voor Religieuze Werken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Instituut voor Religieuze Werken (officiële naam: Istituto per le Opere di Religione (IOR), vaak naar verwezen met de naam Vaticaanse Bank) is bedoeld voor alle financiële zaken die het Vaticaan aangaan. Behalve dat de bank garant staat voor projecten van de zittende paus, doet zij dat ook voor eventuele projecten van lokale rooms-katholieke kerken en organisaties.

Leiding[bewerken]

De bank werd sinds 2009 geleid door de Italiaanse econoom Ettore Gotti Tedeschi. Hij volgde Angelo Caloia op. De IOR, waartegen al 4 jaar juridische onderzoeken lopen, zat sinds 24 mei 2012 zonder voorzitter. Toen werd Ettore Gotti Tedeschi weggestuurd. Hij probeerde tevergeefs de bank transparanter te maken, zodat het IOR zou voldoen aan de internationale normen tegen witwaspraktijken. Van 25 mei 2012 tot 15 februari 2013 fungeerde de Duitse bankier Ronaldo Schmitz als interim-bestuurder. Paus Benedictus XVI benoemde als één van zijn laatste beleidsdaden de Duitse jurist Ernst von Freyberg m.i.v. 15 februari 2013 tot voorzitter van het Instituut en daarbij lid van de Orde van Malta. Nadat hij orde op zaken had gesteld,[1] werd Von Freyberg op 9 juli 2014 op zijn beurt opgevolgd door de Fransman Jean-Baptiste de Franssu.[2]

Aantijgingen[bewerken]

Volgens verschillende auteurs heeft de Vaticaanse bank een rol gespeeld in de financiering van de zogenaamde rattenlijnen, de ontsnappingsroutes voor Duitse nazi's en Italiaanse fascisten naar onder meer Noord-Amerika, Zuid-Amerika en andere delen van de wereld. Uit documenten in Amerikaanse en Duitse archieven blijkt, dat de nazi's goud van de Reichsbank naar de Vaticaanse Bank overbrachten. Deze bank sluisde dit door naar banken in Zwitserland, waar het later door nazi's werd gebruikt om te ontsnappen.

Ook vermogen van de Kroatische Ustasa-regering volgde deze weg, aldus auteurs onder wie William Gowen, een voormalige speciale agent van het Amerikaanse leger. Het gaat hier om oorlogsbuit, kunst, goud, zilver en juwelen afkomstig van de slachtoffers van het regime, en de opbrengsten van slavenarbeid. Volgens Gowen heeft de Kroatische ambassadeur voor het Vaticaan, mgr. Krunoslav Draganovic hem verteld, dat hij in 1946 zo'n tien vrachtwagenladingen ontving in San Girolamo in Rome. Draganovic was de organisator van deze operatie. Hij rapporteerde indertijd direct aan Giovanni Battista Montini, de latere paus Paulus VI. Volgens hem was de uiteindelijke bestemming de Vaticaanse Bank. Dit werd later gebruikt voor de ontsnapping van Ustasa-leiders.

Banco Ambrosiano[bewerken]

Het Instituut voor Religieuze Werken werd vanaf 1971 geleid door de Amerikaanse aartsbisschop Paul Marcinkus (1922-2006) die in 1989 zijn ambt moest neerleggen wegens een financieel schandaal dat zich bij de bank had voorgedaan. De bank had een groot aandeel in de Italiaanse bank Banco Ambrosiano, die gelden van de Rooms-katholieke kerk en van de maffia belegde in Zuid-Amerika. Nadat de Banco Ambrosiano in 1982 failliet ging betaalde het Instituut voor Religieuze Werken 250 miljoen dollar aan schuldeisers.

Rechtszaak[bewerken]

In 1999 daagden (familieleden van) slachtoffers in Kroatië en enkele organisaties onder meer de Vaticaanse Bank, de Fransiscaanse Orde en de Nationale Bank van Zwitserland (Schweizerische Nationalbank) voor de rechtbank om teruggave van het vermogen te eisen. De Vaticaanse Bank en de Fransiscaanse Orde hebben de beschuldigingen ontkend en hebben geprobeerd de rechtsgang te vertragen. De zaak loopt nog steeds.

Onderzoek naar witwaspraktijken[bewerken]

In 2009 kwam de bank in opspraak door een artikel in het Italiaanse blad Panorama over witwaspraktijken, die onderzocht worden door de Italiaanse politie. Op 21 september 2010 legde het Italiaans Openbaar Ministerie beslag op 23 miljoen euro van het Instituut voor Religieuze Werken en begon een onderzoek naar witwaspraktijken door de Vaticaanse bank.

Instelling onderzoekscommissie[bewerken]

Op 24 juni 2013 besloot paus Franciscus tot de instelling van een pauselijke onderzoekscommissie met als opdracht te rapporteren over een reorganisatie van het Instituut voor Religieuze Werken.[3] Kardinaal Raffaele Farina werd benoemd tot voorzitter van deze commissie.

Zie ook[bewerken]

Noten

Bronnen