Leerstijl

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De leerstijl is een begrip uit de cognitieve psychologie en didactiek.

Het is een beschrijving van attitudes en gedragingen die bepalen wat iemands voorkeurmanier van leren is. Er blijken immers nogal wat verschillen te bestaan in de manier waarop lerenden de leerstof verwerken. Sommigen zijn meer visueel ingesteld, anderen meer auditief. Ook de manier van instuderen verschilt. Sommigen nemen de leerstof één- à tweemaal alinea per alinea grondig door. Anderen doorlopen de hele cursus eerder oppervlakkig en hernemen die dan meerdere malen. Met het beschrijven van leerstijlen hopen auteurs en onderzoekers aanknopingspunten te vinden voor studenten en docenten om leerresultaten te verbeteren. Als de docent de leerstijl van een student zou kennen zou de instructie effectiever kunnen zijn. Deze verwachtingen worden zelden waar gemaakt.

Het onderzoek naar de persoonlijke leerstijl van studenten kwam eind 20e eeuw in de aandacht met het onderzoek van David Kolb en Jan Vermunt, die elk hun eigen systeem bedachten om de verschillende leerstijlen te beschrijven en in kaart te brengen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de meeste modellen van leerstijlen een lage betrouwbaarheid, een magere validiteit en een verwaarloosbaar effect op de instructie hebben. Gunstige uitzonderingen zijn de modellen van Allinson & Hayes, Vermunt en Entwistle.

Kolb[bewerken]

De vier leerstijlen volgens Kolb.

De leerstijlen van Kolb[1] zijn gebaseerd op een theoretisch model van vier denkstappen (1983) (zie figuur). De theorie van Kolb is een samenvatting van het werk van John Dewey, Kurt Lewin, en Jean Piaget. Voor deze stappen en de daarmee samenhangende leerstijlen ontbreekt echter een wetenschappelijke onderbouwing. Er is veel fundamentele kritiek van wetenschappelijke onderzoekers op Kolb en zijn model: Basuray (1982), Coffield, Mosely, Hall & Ecclestone (2004), Jonassen & Grabowski (1993), en Wierstra & de Jong (2002). De laatste onderzoekers zetten ook grote vraagtekens bij het denkmodel van Kolb waarop zijn leerstijlenmodel gebaseerd is.

Leerstijlen van Kolb[bewerken]

David Kolb onderscheidt vier gedragingen en vier bijhorende leerstijlen.

  • Doener, vertonen een combinatie van actief experimenteren en concreet ervaren. Ze hebben een voorkeur voor situaties waarin ze zo snel mogelijk aan de slag kunnen en leren het best wanneer er ruimte is voor oefenmomenten. De leerprocessen die doeners hanteren, steunen vooral op gissen en missen.
  • Dromer, zij hebben een voorkeur voor concreet ervaren en reflectief observeren. Ze zoeken leersituaties op waarin zij zelf kunnen meemaken hoe iets in de praktijk uitpakt. Zij hebben de neiging problemen van alle kanten te bekijken en zien steeds weer nieuwe ingangen en oplossingen. Dromers leren heel snel via identificatie.
  • Denker, combineren het reflectief observeren en abstract conceptualiseren. Zij zijn het liefst bezig met het vertalen van observaties in hypothesen en theorieën. Ze kunnen goed redeneren en zijn graag intellectueel bezig. Ze werken graag zelfstandig om de gelegenheid te krijgen zelf eerst een beeld te vormen van de theorie.
  • Beslisser, zijn goed in en hebben een voorkeur voor abstract conceptualiseren en actief experimenteren. Zij gaan het liefst theorieën uitproberen in de praktijk en in experimenten. Ze nemen initiatief en durven experimenteren. Bij het hanteren van een probleem gaan zij deductief en probleemoplossend te werk. Ze functioneren optimaal als zij een leertaak kunnen beginnen met kennisname van duidelijk en beknopt geformuleerde regels en principe, die zij dan in een oefensituatie kunnen verwerken.


Het model kent tussen deze gedragingen vier verschillende overgangen waarin geleerd wordt:

  • Ervaren (concrete ervaringen opdoen)
  • Reflecteren (observeren en reflecteren)
  • Conceptualiseren (vormen en formuleren van abstracte begrippen)
  • Toepassen (experimenteren en actief toetsten)


Het model laat zien dat leren het best verloopt als de deelnemer de gehele cyclus doorloopt, vaak beginnend bij Ervaren. Dit is de cyclus van het ervaringsleren.

Ervaringsleren[bewerken]

Tijdens het ervaren wordt ingegaan op de stof waar de les over gaat in een vorm die de deelnemers aanspreekt op het eigen niveau: wat heb jij al eens ooit. In de fase daarna wordt de deelnemer uitgedaagd om in zijn ervaringen te zoeken naar verdieping. In de derde fase wordt nieuwe stof gepresenteerd. in de laatste fase wordt de deelnemer uitgenodigd of uitgedaagd om de nieuwe stof toe te passen.

Vermunt[bewerken]

Jan Vermunt heeft onderzoek gedaan naar opvattingen en gedrag van studenten met betrekking tot hun leren[2]. Uit dit onderzoek bleek dat de leer- en regulatie-activiteiten die studenten uitvoeren en de studie-opvattingen en -motieven die zij hebben zodanig met elkaar samenhangen, dat van vier leerstijlen kan worden gesproken: een betekenisgerichte, een reproductiegerichte, een toepassingsgerichte en een ongerichte leerstijl.

Leerstijlen van Vermunt[bewerken]

Studenten met een betekenisgerichte leerstijl zoeken naar verbanden in de studiestof, proberen zelf structuur aan te brengen en staan kritisch tegenover de te bestuderen stof (diepteverwerking). Ze bepalen zelf hoe ze leren en wat ze belangrijk vinden (zelfsturing). Ze zien studeren als het opbouwen van kennis en inzichten en studeren uit persoonlijke interesse. Slaats, Van der Sanden & Lodewijks (1996) vonden bij leerlingen uit het middelbaar beroepsonderwijs een vergelijkbare leerstijl, die zij 'constructieve' leerstijl noemen.

Studenten met een reproductiegerichte leerstijl leren de studiestof vaak uit hun hoofd, herhalen de stof veelvuldig en gaan gedetailleerd te werk (stapsgewijze verwerking). Daarnaast laten zij zich door het onderwijs sturen en zien ze studeren als het opnemen van kennis. Ze zijn gericht op het behalen van certificaten en het uittesten van eigen capaciteiten.

Studenten met een toepassingsgerichte leerstijl proberen datgene wat ze leren in de praktijk toe te passen (concrete verwerking). Ze zien studeren dan ook als het leren gebruiken van de kennis die men verwerft en zijn bij het studeren gericht op hun toekomstige beroep (beroepsgerichte leeroriëntatie).

Studenten met een ongerichte leerstijl vinden het moeilijk om hun eigen leren te sturen, maar hebben ook nauwelijks houvast aan de aanwijzingen in de studiestof of van docenten (stuurloze regulatiestrategie). Ze vinden dat het onderwijs stimulerend hoort te zijn en werken graag samen met medestudenten. Verder staan ze onzeker tegenover hun studie (ambivalente leeroriëntatie): ze twijfelen of ze goed genoeg zijn om de studie af te maken of ze vragen zich af of ze wel de goede studie hebben gekozen.

Voor lesgevers is het geen gemakkelijke taak om hun doceergedrag aan te passen aan de verschillende leerstijlen van hun studenten.

Referenties en Bronnen[bewerken]

  1. Experiential Learning: Experience as the Source of Learning and Development; David A. Kolb; (Paperback) Eerste druk Oktober 1983, uitgever FT Press Paperback, 288 Pagina's (ISBN13: 9780132952613)
  2. Learning Patterns in Higher Education; Auteur: David Gijbels, Vincent Donche Co-auteur: John Richardson, Jan Vermunt; (Paperback); Uitgever: Taylor & Francis Ltd; Uitgave: augustus 2013; 336 pagina's; (ISBN13: 9780415842525)