OSI-model

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
OSI-model

7: Toepassingslaag
6: Presentatielaag
5: Sessielaag
4: Transportlaag
3: Netwerklaag
2: Datalinklaag
1: Fysieke laag

Het OSI-model is een door ISO gestandaardiseerd referentiemodel voor datacommunicatiestandaarden, ter bevordering van de interoperabiliteit tussen heterogene netwerktopologieën. OSI is de afkorting van: Open Systems Interconnect.

Inleiding[bewerken]

Het model onderkent zeven relevatie stadia (zowel fysiek als logisch). De bovenste laag van het model wordt de applicatielaag genoemd. Op die plaats heeft de digitale data de vorm van begrijpelijke informatie, in de vorm van (voor de mens) betekenisvolle tekst en getallen. De onderste laag van het model wordt de fysieke laag genoemd. Op die plaats is er alleen nog maar sprake van een (foto)elektrische signaal dat geschikt is voor transport over een IT-infrastructuur. Onderweg van laag 7 naar laag 1 wordt de oorspronkelijke data keer op keer opnieuw ingekapseld door, bij elke laagovergang, steeds nieuwe data toe te voegen. Deze datatoevoegingen zijn noodzakelijk voor drie hoofdzaken: de route over de infrastructuur, volgordelijkheid en de foutcorrectie. Er bevinden zich binnen het OSI-model geen toegewijde lagen ten behoeve van beveiliging, zoals bijvoorbeeld versleuteling. Databeveiliging is namelijk niet de essentie van het model. Fabrikanten staan vrij op elke laag beveiligingsalgoritmen toe te voegen, maar de beschrijving ervan bevindt zich altijd buiten dit model.

Het OSI-model heeft enigszins zijn betekenis verloren, omdat de datacommunicatie­wereld de facto gestandaardiseerd is geraakt op Ethernet als netwerktopologie en TCP/IP als communicatieprotocol. Rond 1980 waren er beduidend meer netwerktopologieën en communicatieprotocollen in gebruik, omdat deze zaken toen nog fabrikantgebonden waren. Juist vanwege deze diversiteit was er veel meer behoefte aan interoperabiliteit en werd zodoende het OSI model ontwikkeld. Het moest mogelijk zijn om van de ene netwerktopologie en/of het netwerkprotocol “over te stappen” naar de andere, met behoud van zgn. routeringinformatie en aflever­zekerheden.

Betekenis en functie van de afzonderlijke lagen[bewerken]

OSI-model
Data unit Laag Functie
Host
layers
Data 7. Application layer (Toepassingslaag) de gebruikersapplicatie of –toepassing
6. Presentation layer (Presentatielaag) Formatteert en structureert data zodanig dat het lees- of interpreteerbaar is voor de applicatie
5. Session layer (Sessielaag) Start, onderhoudt en beëindigt sessies tussen applicaties
Data segment 4. Transport layer (Transportlaag) Segmentatie en volgordelijkheid
Media
layers
datagram 3. Network layer (Netwerklaag) logische adressering, routeinformatie, foutdetectie en -correctie
dataframe of ('packet') 2. Data link layer (Datalinklaag) Protocol Multiplexing , Medium toegang en Fysieke addressing (MAC)
Bit 1. Physical layer (Fysieke laag) Binaire transmissie, elektrische of optische specificaties van het signaal en fysieke specificaties van het medium

Geschiedenis[bewerken]

Opkomst[bewerken]

Over een tijdspanne van 10 jaar, zo grofweg tussen 1975 - 1985 was er sprake een enorme groei in aantal, omvang en diversiteit van datanetwerken, bij zowel fabrikant, aanbieder als afnemer. IT-infrastructuur was immers het noodzakelijk fundament onder de snel groeiende ICT systemen waarmee de bedrijfseffectiviteit sterk kon worden opgevoerd. Aanvankelijk werden computernetwerken als totaaloplossing geleverd en bestond er geen operabiliteit tussen de vele netwerktypen en –technologieën. Het koppelen van heterogene netwerken was lastig, zo niet onmogelijk. Dit was een tijd van netwerktypen en –topologieën als: TTY, Baseband, Broadband, Arcnet, Token Ring, ATM en (het uiteindelijk zeer succesvol gebleken) Ethernet.

In een poging dit interoperabiliteitprobleem het hoofd te bieden, werd het OSI comité opgericht. De geschiedenis rond de ontwikkeling van het OSI model is echter geen wijd verbreid verhaal. Veel van het ontwerpwerk is feitelijk gedaan door Honeywell Information Systems, met Charles Bachman als voornaamste technische man. Ondanks dat de focus in de eerste instantie lag op het ontwerp van gedistribueerde databases, begon de groep zich rond 1975 te realiseren dat eerst een gestandaardiseerde communicatie architectuur nodig was. De groep bestudeerde daarop een aantal bestaande architecturen waaronder de “ System Network Architecture” (SNA) van IBM en veel van het werk op het gebied van data communicatie protocollen in opdracht van ARPANET. Dit resulteerde in een zeven lagen architectuur, waarvoor tijdelijk de interne werknaam “Distributed Systems Architecture” (DSA) gebruikt werd. Ondertussen in 1977 brengt het Britse Standaardisatie Instituut bij ISO de noodzaak onder de aandacht voor de definitie van een standaard communicatie infrastructuur voor gedistribueerde dataverwerking. Dit verzoek resulteerde in de formatie van het OSI subcomité (Technical Committee 97, Subcommittee 16). Het Amerikaans Nationaal Standaardisatie Instituut (ANSI) werd belast met de ontwikkeling van een reeks van voorstellen die als basis konden dienen bij de eerste formele vergadering van het OSI subcomité.

Bachman en collega Canepa van Honeywell Information Systems participeerden in de vroege ANSI vergaderingen en presenteerden daar hun zeven-lagen model. Dit model werd als enige geselecteerd om in te dienen bij het OSI subcomité. Op de ISO vergadering van maart 1978 in Washington, DC, presenteerde het Honeywell team hun oplossing. Men vond dat de voorgestelde lagenarchitectuur voorlopig het hoofd kon bieden aan de meeste vereisten rond de gewenste interoperabiliteit tussen de toenmalige heterogene communicatiesystemen. Consensus werd bereikt in de overtuiging dat het model voldoende mogelijkheden biedt om verder uit te breiden als dat nodig mocht zijn. Een voorlopige versie van het model werd gepubliceerd in maart 1978. De daarop volgende versie (die op enkele punten iets verder was uitgewerkt) werd gepubliceerd in juni 1979 en later formeel gestandaardiseerd. Tegenwoordig is het een standaard van de ITU-T onder de benaming: 'Recommendation X.200 (07/94)'

Latere uitbreidingen[bewerken]

Soms worden er aan het OSI-model onofficieel lagen toegevoegd of ertussen gezet, zoals bijv. "laag 8 is de gebruiker" of "laag 0 is de stoffelijkheid van de kabels De enige officieel geaccepteerde uitbreiding was de noodzakelijke opsplitsing van datalink laag (laag 2) in de sublagen: LLC (logical Link Control) en MAC (Media acces Control).

LLC sub laag[bewerken]

De bovenste sublaag van de datalink laag (laag 2) is de LLC laag (Logical Link Control). Hier worden simultaan heterogene protocollen behandeld volgens de zgn. Multiplexing techniek, zoals b.v. IEEE802.2 (Ethernet), IEEE802.5 (Token Ring) en IEEE802.11 (WiFi). De LLC sublaag verzorgt de eindpunt adressering op het niveau van de ‘device driver’ binnen de Data Link laag.

MAC sub laag[bewerken]

De onderste sublaag van de datalink laag (laag 2) is de MAC laag (Media Access Control). Hier wordt vastgesteld wanneer toegang tot het transport medium verkregen kan worden (binnen het oude Ethernet over coax kabel heette dat mechanisme: CSMA/CD. Maar tegenwoordig met de moderne Ethernet switches als centraal knooppunt zit deze informatie in de dataframe structuur als zgn. MAC adres

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]