Sohei

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Sōhei)
Ga naar: navigatie, zoeken

Sohei (僧兵,Sōhei) waren de boeddhistische strijder-monniken die de Japanse geschiedenis van circa 949 tot 1603 hebben beïnvloed. Dit gebeurde op sociaal maar voornamelijk politiek en militair vlak. Ze steunden op de steeds groter wordende invloed van de boeddhistische tempels.

De strijder-monniken[bewerken]

Sohei is de term die het vaakst wordt toegekend aan de Japanse strijder-monniken. Het is opgebouwd uit 2 karakters. Het eerste, so (僧), betekent hier Boeddhistische priester of monnik en hei (兵) betekent strijder of soldaat. (Strijder-)monnik is echter de meest correcte vertaling aangezien het grootste deel van de strijdmachten van de Boeddhistische tempels in middeleeuws Japan bestonden uit bewapende arbeiders uit de grote tempelcomplexen of ingehuurde strijders die in deze laatste verbleven. Het populistische beeld van een 'gewijde' Boeddhistische priester die ook gevechtsvaardigheden bezat kwam maar zelden voor. Dit is goed te vergelijken met de Teutonische ridders uit middeleeuws Europa die in versterkte abdijen samenleefden, dit waren de Europese 'strijder-monniken'. Ook hier waren deze ridders zeer zelden gewijde priesters.

Akuso is een tweede veelvoorkomende benaming voor de strijder-monniken, het betekent slechte of kwade monniken. Dit is een reputatie die ze te danken hebben aan het vele bloedvergieten dat door hen werd veroorzaakt door de eeuwen heen aangezien de nadruk wel degelijk op het strijder of soldaat zijn lag bij de sohei en de benaming monnik enkel gebruikt werd om aan te tonen dat ze deel waren van een van de tempelcomplexen.

Yamabushi is een foutieve benaming die wel eens gegeven wordt aan strijder-monniken maar die term heeft enkel betrekking op aanhangers van de Shugendo sekte en deze bezaten nooit strijders georganiseerd als strijdmachten.

Sōhei door de eeuwen heen[bewerken]

Inleiding[bewerken]

De eerste zogeheten priester strijders komen al voor vanaf het einde van de 6e eeuw in Japan. Zij vonden hun oorsprong in de boeddhistische kloosters die vanaf de Nara periode (奈良時代) vrijstelling hadden voor alle soorten belasting en niet onder de wetten vielen van de aristocratie.
In Nara (奈良) waren er 8 belangrijke scholen die grote invloed uitoefenden op het keizerlijke huis en de besluitvorming binnen de staat. Bij het verhuizen van de hoofdstad in de Heian periode (平安時代) naar het huidige Kyōto (京都), had de regering getracht de boeddhistische sektes te omzeilen wat evenwel niet lukte. Rondom het toenmalige Heiankyo (平安京) vestigden zich al snel nieuwe boeddhistische scholen. Deze scholen oefenden direct invloed uit op de hoofdstad, wat tevens tot spanning leidde tussen de Nara scholen.

Sinds de boeddhistische kloosters boven de wet stonden vonden er ook lieden die de wet overtreden hadden er een toevluchtsoord, door het toetreden in de school. Niet alleen criminelen, maar ook ex-keizers of andere vooraanstaande personen traden in de scholen[1]. Het boeddhisme staat bekend als godsdienst om de uiteindelijk verlichting te bereiken. Door de komst van ook dat soort mensen, groeiden de scholen aanzienlijk en kon de leer soms in twijfel worden getrokken, daar lang niet alle priesters zich hielden aan de kloostervoorschriften.

Hun machtspositie in aanmerking genomen, ze leefden van toelages van het keizerlijk huis terwijl ze boven de wet stonden, is het niet verwonderlijk dat vanaf de 8ste eeuw tot het hoogtepunt in de 16e eeuw de kloosters uitgroeide tot een uitzonderlijk rijke en bemoeizuchtige groep fanatiekelingen die tot grote opstanden konden komen gedurende deze periode.

Allereerst bestonden de priesterstrijders voornamelijk uit struikroverbendes die zich in de beschermende nabijheid van kloosters ophielden en later ook gebruik maakten van de voordelen van de monniken door hun eigenlijke diplomatieke onschendbaarheid[2]. Later trainden de monniken hun eigen militie of legers die tot grote aantallen konden groeien om hun wil op te dringen aan de keizer of aan een landheer precies zoals zij het wilden.

Ontstaan en conflicten tussen tempels[bewerken]

De 18e abt van de Enryakuji (延暦寺), Tendai (天台) school, Ryogen (良源) (912-985) is de oprichter van het eerste sohei-leger. Dit was een privé leger om de belangen van het klooster te verdedigen. Hij stelde 26 artikelen op waaraan de monniken moesten voldoen (970). Hierin stond onder andere de gebruiken voor hun 12 jarige training waarin ze geen gebeden mochten onderbreken, wapens dragen, hun gezichten bedekken of lichamelijk letsel mochten toebrengen. Onduidelijk is het of het eerste leger uit huurlingen bestond of, zoals het later geval was, uit getrainde monniken.

Waren ze in het begin nog kleine groepen van rovers, vanaf de 10e eeuw[bron?] vormden de sohei geoefende legertjes die voor de volgende doeleinden ingezet werden:

  • het beschermen van de tempel tegen indringers,
  • het protesteren tegen beslissingen genomen buiten de school door de keizer,
  • het stoppen van andere religieuze instellingen van het delen van hun privileges,
  • het dwingen van het terugbetalen van leningen aan het klooster,
  • het aanvallen en bestoken van burgers om hun angst en respect in te boezemen.

Deze eerste conflicten tussen en binnen boeddhistische tempels waar sohei werden ingezet in de 10de eeuw waren echter geen godsdienstoorlogen zoals in het Westen, waar vaak argumenten over doctrine's of dogma's de aanleiding waren van het conflict. In Japan was de oorsprong van het conflict enkel terug te leiden naar politiek. Van de 10de tot de 14de eeuw bleef dit laatste zo goed als de enige aanleiding bij conflicten die zich bijna exclusief afspeelden tussen en binnen de tempels van Nara en De Hieiberg[3].

De keizerlijke regering had meestal geen directe controle over deze tempels maar kon er toch op 2 manieren invloed op uitoefenen. De eerste zijnde dat de keizer vaak het recht behield de zasu[4] aan te stellen en de tweede dat men aan het hoofd van tempels ook vaak leden van prominente families van het hof terug vond (monzeki). Het waren politieke onenigheden over de aanstellingen van deze posten die leidden tot gewapende conflicten, die uitgevochten werden door sohei.

Het eerste noemenswaardig incident betreffende geweld tussen monniken gebeurde in 949 wanneer 56 sohei van de Todajitempel uit Nara in Kioto verzamelden om te protesteren tegen een ongewenste aanstelling. Bij het daaropvolgende gevecht werd een aantal van de deelnemers gedood. Hierop volgde een demonstratie in 968 door sohei uit Kofukuji gericht op leden van de Fujiwara-clan, maar hier werden de wapens enkel gebruikt als intimidatie ter versterking van de religieuze angst die de monniken probeerden te veroorzaken. Een jaar later in 969 speelde er zich echter weer een gewapend conflict af betreffende aanspraak op tempelgronden waarbij Kokufuji monniken werden gedood door monniken uit Todaji. De tijd van de sohei bleek aangebroken te zijn.

Genpei-oorlog[bewerken]

De activiteiten van de monniken in de Genpei-oorlog zijn een uitzondering op de conflicten die zich enkel tussen de tempels afspeelden die in het vorige deel werden vermeld. In die tijd waren de leiders van de grote clans voornamelijk geïnteresseerd in het rekruteren van zo veel mogelijk troepen onder hun bevel, zodat deze ook sohei aanwierven, die hun vak als krijgers goed kenden door de onderlinge conflicten van de tempels. In de legers van zowel de Taira als de Minamoto-clan trof men dus sohei aan doorheen de Genpei-oorlog maar ze hadden ook een grote rol in een van de eerste grote conflicten in deze oorlog, de slag van Uji. Aan het begin van de oorlog in 1180 had de Minamoto-clan de steun van prins Mochihito, die na een gefaalde rebellie vluchtte uit Kyoto naar de tempel van Miidera, met de Taira krijgers op zijn hielen. Deze tempel vroeg hulp aan Enryakuji[5] en aan de tempels van Nara. Deze laatste liet blijken dat ze hulp zouden bieden maar Enryakuji was de rivaliteit met de Naratempels nog niet vergeten en werd bovendien omgekocht door de Taira. De Miidera en Minamoto strijdmachten trokken vervolgens naar de Naratempels om er versterking te zoeken. Maar ze werden onderschept door de Taira en de slag van Uji was het resultaat. De Miidera/Minamoto alliantie van samoerai en sohei werd verslagen en de Taira-clan stuurde na het gevecht een destructieve strijdmacht naar de Miidera-tempel. Nara zou er echter nog slechter van af komen, de Taira stuurden eerst een groep krijgers met geweldloze bedoeling maar deze werden gedood en hun hoofden tentoongesteld aan de poorten van Kokufuji. De wraakactie van de Taira-clan die hierop volgde resulteerde in het branden van de gehele stad Nara. Dit zond een rilling door De Berg Hiei, het enige tempelcomplex met sohei dat nog over was, zo verbleef de Minamotoleider Kiso Yoshinaka in 1183 nog in Enryakuji maar durfden ze zich niet langer te moeien met zijn militaire campagnes.

Kamakura- en Nanboku-cho-periode[bewerken]

Grote hal van Enryakuji

Na hun activiteit in de Genpei-oorlog bleven de tempels een tijd weg uit militaire conflicten met hun sohei. Maar dit betekende niet dat de invloed en militaire macht van de tempels voor altijd verdwenen was want deze laatste werd na de Genpei-oorlog samen met de verwoeste tempels herstelt. Dit zorgde er echter voor dat de rivaliteiten tussen de tempels ook terug verschenen, zo geraakt Enryakuji in de loop van de 13de eeuw weer enkele keren in argument over bepaalde aanstellingen, alhoewel het niet duidelijk is of dit ook elke keer gepaard ging met gewapende conflicten. Ook de sohei uit Nara hadden een kleine invloed in de Shokyu-oorlog in 1221 maar dit was van korte duur aangezien de verwoesting uit de Genpei-oorlog nog vers in het geheugen zat van de Nara-monniken.

De Berg Hiei moeide zich niet in deze oorlog maar in de Nanboku-cho-oorlogen of ook wel de oorlogen tussen de Noordelijke en Zuidelijke Dynastieën in de 14de eeuw stelde keizer Go-Daigo zijn zoon, prins Moriyoshi[6] aan als zasu van Enryakuji, zodat hun sohei kort meededen aan Go-Daigo's poging de macht over te nemen in 1331[7]. In het vervolg van de oorlog werd er echter weinig tot geen gebruikt meer gemaakt van sohei-strijdmachten.

Van 1367 tot 1369 was er nog sprake van een conflict tussen langs de ene kant de Nanzenji Zen tempel en de shogun tegenover de sohei van Miidera, Enryakuji en Kokufuji. De aanleiding hiervoor lag bij onenigheid over een tolkantoor van Nanzenji, die als verliezers uit dit conflict kwamen.

Ikko-ikki en Oda Nobunaga[bewerken]

In de jaren na hun activiteit in de Nanboku-cho-periode bleven de sohei hun gewone gang gaan door hun invloed op de politiek uit te oefenen tot op het moment van de Onin-oorlog die begon in 1467. Hier zag men de opkomst van een nieuw soort heilige strijders, het waren echter geen monniken maar vooral boeren die de rol speelden van religieuze fundamentalisten die vochten voor nieuwe populistische sektes in het boeddhisme. Deze vormden de religieus geïnspireerde opstanden die beter bekendstaan onder de naam Ikko-ikki. Deze Ikko-ikki behoorden voornamelijk tot een strekking van het Ware Reine Landboeddhisme[8].

In Kioto was er echter nog een nieuwe populistische sekte uitgegroeid, het Nichiren Boeddhisme[9]. Deze bezat 21 tempels doorheen de stad die veel weg hadden van de Ikko-ikki gemeenschappen[10]. De Nichiren-tempels geraakten vervolgens in conflict met de Ikko-ikki en voerden een aantal succesvolle veldslagen tegen hen. De oude tempels van De Hiei Berg zagen deze nieuwe tempels echter als een bedreiging die zich bovendien in het hart van de macht[11] had gevestigd. Dit resulteerde in een aanval van de Enryakuji tempel en wanneer hun sohei van De Hiei Berg neerdaalden bleef er geen enkele Nichiren tempel rechtstaan in Kioto.

Oda Nobunaga

Na dit incident vond De Hiei Berg zijn latente militaire macht terug en zocht bondgenoten onder prominente lokale daimyo, dit waren de Azai- en Asakura (familie)-clans, geduchte rivalen van Oda Nobunaga die volop zijn plannen voor de eenmaking van Japan was aan het uitvoeren. Deze laatste versloeg de Asai en Asakura-clans bij de slag van Anegawa in 1570 en zou deze volledig hebben vernietigd indien de sohei van De Hiei Berg niet tot hun hulp waren gesneld. Een jaar later konden de Asai en Asakura zich herstellen en hadden een formele alliantie gevormd met De Hiei Berg. Dit was een bedreiging die Nobunaga niet kon negeren en in 1571 trok hij met 30000 man naar De Hiei Berg, hij omsingelde de berg met zijn troepen en wanneer de nacht viel was het tempelcomplex van Enryakuji in vlammen opgegaan. Nobunaga's daad zorgde ervoor dat de lijst met slachtoffers de 20000 oversteeg.

De laatste sohei[bewerken]

Het incident dat als de beruchtste daad van Oda Nobunaga de geschiedenis zou ingaan betekende het einde voor de sohei van Enryakuji. De monniken bouwden na verloop van tijd de tempels terug op met hulp van Nobunaga's opvolger, Toyotomi Hideyoshi, maar nooit weer zouden er hier strijdmachten van sohei verschijnen.

Ook al kunnen we de strijders van de Ikko-ikki moeilijk sohei noemen is het waard te vermelden dat ook zij aan hun eind kwamen door toedoen van Hideyoshi in 1585. Hun tempels werden eveneens herstelt of herbouwd maar enkel als religieuze autoriteit zonder militaire macht.

Klassen[bewerken]

Afgezien van de staatsstructuur is er in principe in de geschiedenis overal hetzelfde generaliserende kastensysteem te zien:

  • De keizerlijke of regerende macht
  • De strijdende klasse
  • De geestelijke klasse
  • De boeren of werklieden.

Deze vier hebben een eigen positie die verschilt van de andere door vaste kenmerken in zowel sociale als voornamelijk de manier waarop zij hun leven trachten te bewerkstelligen en waren ook herkenbaar in Japan in de vroege tijden van de 6e en 7e eeuw.

Men kan zeggen dat in Japan, de strijdende klasse boven de geestelijke klasse voor lange tijd bepaald heeft hoe de sociale en politieke structuur er uit zag. In zekere zin is dit waar, doch de geestelijke klasse kan in Japan tot zekere zin ook als strijdende klasse verheven worden. De sohei zijn in staat geweest door machtsvertoon, gevechten of totale opstanden, de uitvoerende machtshebbers hun wil op te leggen of in ieder geval een zekere invloed te creëren op de besluitvorming van deze. Samen met de bushi (武士) vormde de priesters de dominerende bewapende klassen die samen de hoofdbron van het geweld in middeleeuws Japan bepaalden.

In vroeg Japan kan men drie klassen krijgers onderscheiden.

  • De keizerlijke troepen
  • De kenmon of samoerai (侍)
  • De sohei of strijder-priesters

Boeddhistische scholen[bewerken]

Tijdens de Nara-periode kon men zes scholen onderscheiden van het boeddhisme dat derde hands ingevoerd werd vanuit China, dat het oorspronkelijk van India geïmporteerd had. Deze scholen waren gesitueerd om de toenmalige hoofdstad, Heijokyo (平城京) in de Yamato (大和) provincie, met als hoofdtempel de Todai-ji (東大寺).

Nadat de hoofdstad naar het huidige Kioto was verplaatst, het toenmalige Heiankyo, rezen er al snel nieuwe sektes op die evenwel nog groter groeiden dan de Nara-scholen. Dit uiteraard tot ongenoegen van deze die hun monopolie positie verloren aan het hof. Deze kloosters hadden hun eigen privé-legers van sohei die getraind en gedisciplineerd waren. Voornamelijk waren de Tendai-school (天台宗)[12], Nichiren-school (日蓮宗) en Jodo-school (浄土宗)belangrijk in de gevechten.

Dagelijkse leven en training[bewerken]

Authentieke bronnen die beschrijven hoe een sohei zijn dagindeling verdeelde tussen militaire training en het typische monnikenleven bestaande uit gebeden, studie en meditatie zijn zeer schaars. Enkele feiten zijn echter duidelijk, we weten dat het grootste deel van de sohei geen tempel-geloften hadden afgelegd en zich daarom voornamelijk concentreerden op militaire training. Uit bronnen betreffende de Negoroji-tempel zien we dat elk lid 5 tot 7 pijlen per dag moest maken en dat men 1 keer per week competitief trainde met boog of haakbus. Bovendien werd hun uitrusting constant in zeer goede conditie gehouden. Gevechtstraining was meedogenloos, men zou weinig tot geen emotie getoond hebben wanneer iemand stierf tijdens de training met als resultaat hun reputatie van onbevreesde strijders op het slagveld[13]. Deze sohei bleken ook niet terug te deinzen van stevige portie wijn, liederen en vrouwelijk gezelschap. Bij hun dagelijkse voedsel werd het het boeddhistische verbod op vlees eveneens niet erg nauw opgevolgd. Hun voedsel was simpel maar wel zeer voedzaam, het bestond voornamelijk uit rijst, vis, groenten, zeewier, zout en fruit, soms aangevuld met verscheidene soorten vlees.

Uitrusting[bewerken]

Kleding[bewerken]

Het monastieke gewaad van de monniken vormde de basis van de kleding van de sohei. De onderliggende mantels waren meestal wit en de buitenste wit, tan- of saffraankleurig. Daarboven droeg men een jasje, meestal zwart, dat men vandaag nog terugvind bij monniken. Schoeisel bestond uit waraji, rieten sandalen, die gedragen werden over witte tabi, sokken. Geta, houten klompen, werden ook soms gedragen. Rond het hoofd werd meestal een monnikskap gedragen die enkel het gezicht zichtbaar liet en soms werd dit vervangen door een witte hachimaki, een hoofdband. De vroege sohei gebruikten 2 soorten harnassen. Het eerste was de do-maru, een borstplaat met schouderplaten vergelijkbaar met een kogelvrije vest die men onder de buitenste mantel droeg. Deze was opgebouwd uit metalen of leren schalen die elkaar overlapten. Het tweede soort was de yoroi, dit was hetzelfde soort harnas dat de samoerai droegen. Wanneer men dit laatste gebruikte zette men ook vaak de bijpassende helm op, dit zorgde ervoor dat het verschil tussen een gewone krijger en een sohei soms bijna niet te merken viel.

Het harnas evolueerde in de loop der eeuwen en in de 16de eeuw was een nieuwe versie van de do-maru de standaard geworden. Dit hield in dat de schouderplaten kleiner waren geworden en de borstplaat meer solide was geworden om betere bescherming te bieden tegen kogels.

Wapens[bewerken]

Aan zijn riem droeg een sohei een typisch Japans zwaard, eerst was dit van tachi vorm, een iets langere en gebogen versie van de latere katana. Het werd met de snijkant naar de grond gericht gedragen. Een tanto, een dolk, zou ook vaak tot de uitrusting hebben behoord. Japanse handbogen werden ook gebruikt aangezien vele sohei ervaren boogschutters waren, ook op paard[14] .

Het meest geassocieerde wapen met sohei is echter de naginata, een houten steel met een lemmet aan het einde dat gelijkaardig was aan dat van een zwaard. In de 11de en 12de eeuw werd een vorm met een langer lemmet het meest gebruikt[15].Vanaf 14de eeuw werden er heel wat rechte speren aangetroffen in het arsenaal van de sōhei. Merk wel op dat er geen duidelijk bewijs dat dit wapen belangrijker was dan de andere in het arsenaal van de sohei in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt.

Toen de Portugezen in de 16de eeuw de haakbus introduceerden in Japan werden de tempels een van de beste klanten van de nieuwe geweermakers. Dit nieuwe wapen van de sohei was een simpel musket dat werd afgevuurd door er een brandende lont op de gooien.

Vechtstijl[bewerken]

Naginata

De tactieken van de sohei-legers waren zeer gelijkaardig aan die van de gewone samoerai doorheen de geschiedenis. Maar aangezien de naginata het vaakst met sohei wordt geassocieerd geld dat ook voor de bijpassende vechtstijl. Opwaartse slagen in de richting van de vijand zijn onbeschermde liezen waren vaak voorkomende manoeuvres. Te voet zou het wapen van zij naar zij worden verplaatst wanneer men de vijand slagen toedeelde of men zou de naginata in het rond wervelen zoals een waterrad. Dit laatste leidde tot de vorming van legendes zoals die van Gochiin no Tajima[16]. Te paard paste men een gelijkaardige tactiek toe waarbij men recht stond in de stijgbeugels en het wapen rondom zich zou wervelen.

De Ikko-ikki legers stonden ook bekend om in hun typische fanatieke stijl de vijand te intimideren en het eigen moreel te bevorderen door middel van chanten[17]. In deze massale chants werden de vijanden bijvoorbeeld als kwade duivels bestempeld, wat soms tot onverwachte schermutselingen leidde tussen beide legers.

Nog enkele voorbeelden:

  • Namu Amida butsu (heil tot de boeddha Amida) (南無阿弥陀仏)
  • Namu Myōhō Renge Kyō (heil tot de lotus van de wonderbaarlijke wet) (南無妙法蓮華経)
  • Hij die voortgaat is zeker van verlichting, hij die terugtrekt komt in de hel.
  • Het paradijs is de beloning voor het sneuvelen in het gevecht.

Hun grootste psychologische wapens waren wel de draagbare schrijnen. De draagbare schrijnen (mikoshi 神輿,みこし) zorgden zeker in de tijd vóór de Sengoku-periode (戦国時代) voor een probleem voor ieder die zich tegen de sohei wilde zetten. Het hield letterlijk in dat iedere gelovige hun niet kon aanvallen doordat ze een heiligdom bij zich droegen. Wie dat deed, viel zichzelf er direct mee aan. Ook hier geloofde de sohei meer zelf aan en was van blijvende steun op de moraal, op sommige incidenten na[18].

Hedendaags worden er nog enkel in vechtsport scholen vormen van training van de sohei terug gevonden. Met name in de Chinese Kung-Fu stijlen.

Benkei[bewerken]

Benkei en Yoshitsune

Het stereotiepe beeld van de sōhei is vaak terug te leiden naar de legende van Saitō Musashibō Benkei. De verhalen over hem vertellen ons dat deze sohei eerst een lid van Enryakuji was maar dat hij verbannen werd voor slecht gedrag. Vervolgens stichtte hij een eigen tempel op De Hiei Berg maar omdat zijn schrijn geen bel had zou hij de bel van Miidera gestolen hebben en deze op zijn eentje terug de berg op gedragen hebben. Maar het enige geluid dat de bel maakte was het jammeren om terug te keren en dus liet Benkei de bel terug af de berg rollen tot in Miidera.

Het bekendste verhaal rond hem is echter zijn relatie met de Minamoto-generaal Yoshitsune. Ze zouden elkaar hebben ontmoet wanneer de jonge Yoshitsune de enige was die Benkei kon verslaan wanneer deze laatste bezig was met alle krijgers uit te dagen op de Goto brug in Kioto. Vanaf toen werd Benkei de trouwe compagnon van Yoshitsune en vocht samen met hem doorheen de Genpei-oorlog tot op het punt van hun dood bij de slag van Koromogawa in 1189. De legende gaat dat Benkei hier de vijand tegenhield, ook al was hij dodelijk gewond, zodat zijn meester eervol seppuku kon plegen.

Tijdlijn[bewerken]

Een beschrijving van alle belangrijke acties waar sohei deel in hadden.

  • 946 Kōfuku-ji en Tōdai-ji ruziën over de tempelgronden wat resulteert in de dood van vele monniken aan de kant van de Kōfuku-ji.
  • 960 De Enryaku-ji maakt gebruik van sohei om een meningsverschil met de Gion (祇園) tempel op te lossen. (goso, gewelddadig protest)
  • 981 Een conflict tussen de 2 sohei-fracties binnen Tendai over de benoeming van Yokeials abt van de Hōssho-ji.
  • 989 Opnieuw een conflict nadat de keizer Yokei benoemd had als abt van de Enryaku-ji.
  • 993 Jimon (寺門) sohei branden uit wraak de tempel van de Sanmon (山門) op Hiei plat waarop 1000 monniken vluchtten naar Miidera (三井寺).
  • 1039 Treffen tussen sohei en samoerai die geroepen waren om de Jimon bij te staan die overvallen was door de Sanmon.
  • In de 11e eeuw branden de Sanmon tot vier keer toe de Jimon tempels af.
  • 1081 Gezamenlijk aanval van de Sanmon en Jimon op de Kofuku-ji.
  • 1095 Duizenden sohei vechten tegen de samoerai van de Fujiwara-clan (藤原) als reactie op het inmengen van deze clan in de zaken van de tempel. Hun eerste verlies werd omgezet in overwinning na een 2e aanval op de hoofdstad
  • 1113 De Sanmon valt de Kofuku-ji aan over een triviale aanstelling van een abt.
  • 1124 Opnieuw valt de Enryaku-ji, de Miideratempel aan.
  • 1141 De Miideratempel wordt opnieuw afgebrand.
  • 1146 De sohei worden verdreven door Taira Kiyomori (平清盛) nadat ze zijn volgelingen aan hadden gevallen, doordat ze de draagbare schrijn onteerden.
  • 1180 Miidera-monniken onder leiding van Gochin no Tajima (ごちん忽) vechten samen met de Minamoto clan in de slag van Uji (宇治). (zie ook Tsutsui Jomyo Meishu (筒井浄妙めいしゅ) en Saka no Shiro Yogaku)
  • 1183 De sohei van de Hieiberg en de Kōfuku-ji mengen zich in de Genpei-oorlog samen met de Minamoto tegen de Taira-clan (waaronder ook Saito Musahibo Benkei 西塔武蔵坊弁慶). Na het verlies valt de Taira-clan de Kōfuku-ji aan en vermoord alle sohei en monniken, in totaal 20 000 man worden vermoord.
  • 1274 Nara sohei vallen in massa Kioto binnen.
  • 1367 De Tendai sōhei rukken samen op met die van de Kōfuku-ji tegen de Nanzen-ji (南禅寺) van het Zen boeddhisme, dat door het Shogunaat geprefereerd werd om hun nieuwe poort af te breken
  • 1368 Nadat dezelfde zen sekte een spottende tekst over de Tendai had geschreven (apen en paddenstoelen) kwam het tot een treffen tussen sōhei en de samurai van het Shogunaat. Wat uiteindelijk eindigde in een staakt-het-vuren.
  • 1488 De Ikkō-Ikki neemt de macht over in Kaga (加賀国) provincie. De sōhei vormde een eenheid die tegen de samurai op konden staan. Ze bereidden hun gebied al snel uit tot omliggende territoria. De shinshu-sōhei waren de eerste niet-samurai die een provincie leidden.
  • 1571 Eerste aanval van Oda Nobunaga op de opstandelingen, zijn eerste leger geleid door Shibata Katsuie (柴田勝家) werd verslagen.
  • 1571 Oda Nobunaga steekt berg Hiei in brand, moordt de bevolking uit en zorgt voor de inperking van de Tendai sekte. Ook het eerste punt in de geschiedenis dat de strijdende priesters aan de wortel aangepakt werden.
  • 1573 Oda Nobunaga trekt zelf ten strijde, maar moest zich terug trekken.
  • 1574 Deze keer overwint Oda Nobunaga nadat hij het Ikkō-Ikki kasteel te Ise (伊勢) in brand stak met alle inwoners.
  • Hierna vechten overblijfselen sōhei nog mee aan de zijde van Tokugawa om uiteindelijk volledig van het toneel te verdwijnen als het shogunaat gerealiseerd wordt.

Literatuurlijst[bewerken]

Boeken[bewerken]

  • Adolphson, M.S. (2007) The teeth and claws of the Buddha: monastic warriors and sōhei in Japanese history. University of Hawaii Press.
  • Lamens, J.P. Japonicus Tyrannus - a political biography of Oda Nobunaga (1532 - 1582). Universiteit Leiden.
  • Sporry, B.T. (1983) De geschiedenis van Japan. Unieboek b.v. Bussum.
  • Turnbull, S. (2003) Japanese Warrior Monks Ad 949-1603. Osprey Publishing.

Online[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Onder andere keizer Go-Shirakawa (後白河), keizer Go-Daigo (後醍醐) en Vrouwe Hojō Masako (北条政子).
  2. Alleen onder voorwaarde dat ze toe zouden treden tot de school.
  3. De Hieiberg ligt ten noordoosten van Kioto, de Enryakujitempel werd er in 767 gesticht. De ligging was van belang voor het feng shui geloof dat zegt dat het kwade een stad vanuit het noordoosten kon aanvallen.
  4. De tempeloverste
  5. Deze tempel was uitgegroeid uit tot de belangrijkste en invloedrijkste op De Hiei Berg
  6. Ook wel prins Morinaga genoemd
  7. In het Genkō Incident werden Go-Daigo's plannen ontdekt omdat hij verraden werd door een metgezel en werd zijn leger verslagen.
  8. Deze strekking was het Shin Boeddhisme, hun belangrijkste tempel was Honganji en ze kende een spectaculaire groei onder de populistische predikant Rennyo tijdens de Onin-oorlog.
  9. Ook als de Lotus sekte bekend.
  10. Versterkte tempels omsingeld door wallen en slotgrachten. Het waren autonome gemeenschappen die zichzelf konden verdedigen.
  11. De hoofdstad was nog steeds Kyoto.
  12. Later maakte men onderscheid binnen de Tendai-sekte tussen de Jimon en Sanmon-scholen die respectievelijk door Enchin (円珍) en Ennin (圓仁) werden opgezet.
  13. Let wel, dit was slechts een reputatie die voor een groot deel aan stereotypen is te danken. Er zijn wel degelijk een redelijk aantal sōhei die de strijd ontvlucht zijn doorheen de geschiedenis.
  14. Training op paard groeide tot de kunst van yabusame, die tegenwoordig nog op festivals wordt beoefend.
  15. Dit werd de shobuzukuri naginata genoemd, het lemmet was hier bijna even lang als de steel.
  16. Ook Tajima de pijlensnijder, hij was een sōhei van Miidera die in de slag van Uji op de brug over de Uji rivier stond terwijl hij zijn naginata als een propeller zou gebruikt hebben om de pijlen van de vijand af te weren.
  17. Het ritmisch spreken of het zingen van woorden of geluiden.
  18. In de presentie van professor Huang, maakt hij vermelding van een ontheiliging van een draagbare schrijn door Taira Kiyomori die door een pijl te schieten op de schrijn de monniken op de vlucht jaagde