Shomu
| Shomu | ||
| 701 - 756 | ||
| 45e keizer van Japan | ||
| Periode | 3 maart 724 – 19 augustus 749 | |
| Voorganger | Gensho | |
| Opvolger | Koken | |
| Vader | Monmu | |
| Moeder | Fujiwara no Miyako | |
Keizer Shomu (聖武天皇, Shōmu-tennō, 701-756) was de 45e keizer van Japan[1] volgens de traditionele volgorde.[2]
Shomu, bij zijn geboorte Obito no miko genaamd, was de enige zoon van keizer Monmu.
Shomu werd vanaf 719 door zijn tante, keizerin Gensho, bij de regering betrokken, en in 724 stond deze haar troon aan hem af.
Het belangrijkste kenmerk van Shomu's regering was zijn grote boeddhistische religiositeit; hij geldt als de meest enthousiaste pro-boeddhistische van alle Japanse keizers. In 741 beval hij dat in elke provincie een door de staat gesponsord boeddhistisch klooster moest komen, en later werd in zijn opdracht een gigantisch (16 meter hoog) bronzen beeld van Vairocana gemaakt.
Keizer Shomu had in 742 een systeem van nationale tempels uitgedacht. In 752 kreeg die gedachtegang zijn hoogtepunt met ceremonieën in de Todai-tempel in Nara, de toenmalige hoofdstad. De ceremonieën werden gehouden ter ere van de installatie van de Grote Boeddha, een verbeelding van Vairocana, de kosmische of oer-boeddha (Daibutsu in het Japans). Het gieten van dit bronzen beeld van 53 voet hoog lukte pas bij de achtste gietpoging. Tegen die tijd was alle koper uit het hele land er aan opgegaan.[3] Er wordt gezegd dat zelfs een vorstelijke delegatie uit Perzië was uitgenodigd voor de installatie van dit beeld, en uiteraard waren er monniken uit India, het vaderland van boeddhisme.
Van een heel andere orde was zijn verovering van oostelijk Tōmoku (noordelijk Honshu) op de Emishi (Aino).
In de jaren '30 van de 8e eeuw werd Japan getroffen door een grootschalige pokkenepidemie. Zowel onder de burgerbevolking als onder de aristocratie vielen vele slachtoffers. Shomu reageerde met een verlaging van de belastingen en militaire verplichtingen, en hield boeddhistische zowel als Shintoïstische godsdienstoefeningen.
Hirotsugu, een kleinzoon van Fuhito en dus een lid van de machtige Fujiwara-familie, verloor de gunst van de keizer, en werd naar Dazaifu op Kyushu gezonden. Daar gebruikte hij de troepen van Kyushu om in opstand te komen. In 740 werd hij door de keizerlijke troepen verslagen.
Shomu heeft verwoede pogingen gedaan om een nieuwe hoofdstad te bouwen, ten noordoosten van Nara, maar na 5 jaar werd het plan afgeblazen.
Shomu werd opgevolgd door zijn dochter Koken.
Bronnen, noten en/of referenties
|