Sturm und Drang

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Sturm und Drang is een stroming in de Duitse literatuur tijdens de Verlichting (stroming). De Sturm und Drang, ook wel de periode van het Genie genoemd, wordt zo ongeveer tussen 1767 en 1785 voornamelijk door jongere auteurs uitgedragen.

De term Sturm und Drang wordt pas na 1820 gebruikt, naar het toneelstuk "Sturm und Drang" van de Duitse dichter Friedrich Maximilian Klinger. Omdat schrijvers en dichters uit deze periode het individu en het genie verheerlijken, wordt deze stroming ook wel Genietijd genoemd.

Verlichtingsliteratuur als uitgangspunt[bewerken]

In de tweede helft van de 18e eeuw is het filosofische en literaire leven in Duitstalig Europa doordrongen door het gedachtegoed van de Verlichting. De rede is het belangrijkste goed van deze tijd en het is door het vrije gebruik van het verstand, dat de mens - zoals Kant later formuleert - 'uit zijn, door eigen schuld veroorzaakte onmondigheid' zal raken ("Ausgang des Menschen aus seiner selbst verschuldeten Unmündigkeit"). Verlichtingsliteratuur wil de lezer moreel opvoeden, hem verlichten en zijn verstandelijke vermogens prikkelen.

De vrijheid die de Verlichting nastreeft, zorgt echter voor literaire regels die enkel de schoonheid van redelijke argumenten en onderkoelde taal willen onderkennen. Theoretici als Gottsched benadrukken het belang van een 'regelmatige' dichtkunst. Eenheid van plaats, tijd en handeling zijn even belangrijk als verheven taalgebruik. Bovendien moet een sterke scheiding aangehouden worden tussen de rolbezetting in een tragedie en een komedie, die respectievelijk door adellijke en burgerlijke personages ingevuld worden. De literaire normen worden doorgegeven aan jonge, aspirerende schrijvers in talrijke dichteracademies.

Breken met de traditie[bewerken]

De odes van Friedrich Gottlieb Klopstock van 1750 tonen echter, dat deze literaire normen te eng opgevat zijn. Zijn demonstratie tegen de puur verstandelijke houding van de Verlichting is een overwinning op de heerschappij van de rede en een bevrijding van de fantasie en het gevoel als nieuwe grondslag van de literatuur.

Deze nieuwe beweging, die onmiddellijk ingang vindt in de Duitstalige literatuur, is met haar burgerlijk-jeugdig karakter heel erg idealistisch: vrijheid van gevoel, emotio in plaats van ratio, ideeën en driften. De aanstormende jeugd heeft nu een literaire uitlaatklep gevonden, een nieuwe generatie schrijvers vindt in de thesen van Johann Gottfried Herder zijn eigen ervaringen en gevoelswereld terug.

Herder, die het pad effent voor de Sturm und Drang, bekritiseert de arrogantie van de Verlichting tegenover het gewone volk. Hij roept op, ook de echtheid en diepte van het volkslied en de volksdichtkunst als kunst aan te zien. Ook "Ugolino" van Heinrich Wilhelm von Gerstenberg ziet het licht in die voorfase van de Sturm und Drang.

Een eigen literaire traditie[bewerken]

Het persoonlijkheidsideaal van de jonge generatie in de Duitse literatuur kant zich, op het einde van de 18e eeuw, tegen autoriteit en traditie. In de plaats van een geheel van regels, dat men in een van de vele dichteracademies dient aan te leren, komt de zelfstandigheid van het originele Genie. Het originele genie beschrijft zijn eigen ervaringen en gevoelsindrukken in een individuele vorm, die met de regels van de traditionele poëtica heel erg vrij omgaat. Bovendien richt de Sturm und Drang zich vooral op het irrationalisme en wendt men zich af van de verlichte rede.

De regeltjes van de academies worden verworpen als hulpmiddelen, als krukken die de jonge auteurs niet nodig hebben. Zij geloven in het eigen kunnen en de gezonde kracht van de geniale originaliteit. Hun werk moet niet in een literaire vorm passen, maar in de wereld, zoals die door de jonge generatie van de Sturm und Drang wordt beleefd.

"De stem van het hart is doorslaggevend in een verstandige beslissing" ("Die Stimme des Herzens ist ausschlaggebend für die vernünftige Entscheidung.“); Dit citaat van Johann Gottfried Herder toont het protest aan tegen de heersende idee, dat morele beslissingen genomen worden op basis van een moreel systeem en niet met het hart.

Tegelijk klinkt het protest tegen het feodale systeem steeds luider. Het feodale systeem wordt ook door de Verlichting aangevallen, maar vanuit de rede, terwijl bij de Sturm und Drang het gevoel op de eerste plaats komt.

De belangrijkste literaire uitdrukkingsvorm van de Sturm und Drang is het drama. Het steeds terugkerende thema is het conflict van het natuurgenie - de naar vrijheid strevende, opstandige jongeling - met de beperkingen van de bestaande wereldorde, die het genie als oproerkraaier en misdadiger bestempelt. Waar vroeger de antieke, voornamelijk Griekse, vorm als voorbeeld werd genomen, grijpen schrijvers nu terug op Shakespeare als voorbeeld.

De geëxalteerde, ongebonden, gevoelsgedragen taal van de Sturm und Drang wordt gekenmerkt door overmatig gebruik van uitroepen, halve zinnen en geforceerde krachttermen. In haar uitdrukking van het volkse karakter neigt deze taal naar rauw realisme en neemt zij geen blad voor de mond. Op die manier proberen schrijvers de taal van het gewone volk en de jeugd op de bühne te brengen. De strijd van de jonge auteurs tegen een aristocratische hofcultuur naar Frans voorbeeld, en hun sympathie voor begrippen als natuur, hart en gevoel valt ook hun tijdgenoten op. Er ontstaat een eigen 'jeugdcultuur' in de literatuur.

Critici wijzen al snel op de fouten van het nieuwe literaire genre en de verwaarlozing van een overgeleverde dramatische techniek en eenheid van plaats, tijd en handeling. Schrijvers wisselden naar believen de handelingsplaats af, en gingen daarbij soms voorbij aan dramaturgische werkbaarheid op de bühne.

Auteurs en hun werken[bewerken]

De auteurs van de Sturm und Drang kwamen voornamelijk uit de kleine burgerij. Omdat hun literaire werk meestal onvoldoende opbracht om van te leven, proberen ze vaak een positie als huisleraar of dominee te bemachtigen. Hun sociale weerklank blijft meestal beperkt, omdat ze niet in brede lagen van de bevolking bekend raken. Hun werk richt zich vaak enkel op vrienden en bekenden, die zich in allerlei verbonden verenigen (bijvoorbeeld Göttinger Hainbund). De Sturm und Drang-beweging krijgt al snel voet aan de grond in Straatsburg, Göttingen en Frankfurt am Main. Voor vele auteurs, zo ook voor Goethe en Schiller, is de Sturm und Drang slechts een in de tijd beperkte periode in hun leven en in hun literaire creatie. De meeste auteurs en hun werken zijn slechts bekend in beperkte kring en velen van hen zijn vandaag volledig vergeten.

Enkele van de belangrijkste denkers, theoretici, schrijvers en werken:

  • Johann Georg Hamann (1730–1788)
    • Sokratische Denkwürdigkeiten für die lange Weile des Publikums zusammengetragen von einem Liebhaber der langen Weile 1759
    • Kreuzzüge des Philologen 1762
  • Heinrich Wilhelm von Gerstenberg (1737–1791)
    • Gedichte eines Skalden 1766
    • Briefe über Merkwürdigkeiten der Literatur 1766/67
    • Ugolino 1768
  • Christian Friedrich Daniel Schubart (1739–1794)
    • Freiheitslied eines Kolonisten 1775
    • Die Fürstengruft 1780
  • Johann Gottfried Herder (1744–1803)
    • Fragmente über die neuere deutsche Literatur 1767/68
    • Kritische Wälder oder Betrachtungen, die Wissenschaft und Kunst des Schönen betreffend, nach Maßgabe neuerer Schriften 1769
    • Journal meiner Reise im Jahre 1769
    • Abhandlung über den Ursprung der Sprache 1770
    • Von deutscher Art und Kunst, einige fliegende Blätter 1773
    • Volkslieder 1778/79
    • Vom Geist der Hebräischen Poesie 1782/83
    • Ideen zur Philosophie der Geschichte der Menschheit 1784-91
  • Gottfried August Bürger (1747–1794)
    • Lenore 1773
    • Der Bauer an seinen durchlauchtigen Tyrannen, 1774
    • verschiedene Gedichte 1778
    • Wunderbare Reisen zu Wasser und zu Lande, Feldzüge und lustige Abenteuer des Freiherrn von Münchhausen: wie er dieselben bei der Flasche im Zirkel seiner Freunde selbst zu erzählen pflegt, 1786 (erw. Ausgabe 1789)
  • Heinrich Leopold Wagner (1747-1779)
    • Die Kindermörderin 1776 (Drama)
  • Johann Wolfgang Goethe (1749–1832)
    • Sesenheimer Lieder 1770/71
    • Maifest 1771
    • Willkomm und Abschied 1771
    • Zum Shakespeares Tag (Rede) 1771
    • Von Deutscher Baukunst 1773
    • Prometheus 1772-1774
    • Ganymed (Ode) 1774
    • Götz von Berlichingen (Drama) 1773
    • Clavigo 1774
    • Die Leiden des jungen Werthers (Roman) 1774
    • Mahomets Gesang 1774
    • Adler und Taube 1774
    • An Schwager Kronos 1774
    • Gedichte der Straßburger und Frankfurter Zeit 1775
    • Stella. Ein Schauspiel für Liebende 1775 (Erstfassung!)
  • Jakob Michael Reinhold Lenz (1751–1792)
    • Anmerkung über das Theater nebst angehängtem übersetzten Stück Shakespeares 1774
    • Der Hofmeister oder Vorteile der Privaterziehung 1774 (Drama)
    • Lustspiele nach dem Plautus fürs deutsche Theater 1774
    • Die Soldaten 1776 (Drama)
    • Der neue Menoza (Drama)
  • Friedrich Maximilian Klinger (1752–1831)
    • Das leidende Weib 1775
    • Sturm und Drang 1776 (Drama)
    • Die Zwillinge 1776 (Drama)
    • Simsone Grisaldo 1776
    • Das letzte Gebet 1777
  • Friedrich Schiller (1759–1805)
    • Die Räuber 1781 (Drama)
    • Die Verschwörung des Fiesco zu Genua 1783 (Drama)
    • Kabale und Liebe 1784 (Drama)
    • Don Karlos 1783–1787 (Drama)

Figuurlijke betekenis[bewerken]

In overdrachtelijke zin wordt het begrip "Sturm und Drang" gebruikt voor de adolescentie; om aan te duiden dat iemands motivatie en idealen als jong volwassene, of ook als beginner in een beroep, zeer sterk waren. Veelal met het onuitgesproken waardeoordeel dat die intensiteit onvolwassen is.