Édouard Herriot

Édouard Herriot (Troyes, 5 juli 1872 – Lyon, 26 maart 1957) was een centrum-linkse Franse politicus, lid van de sociaal-democratische Parti Radical (radicale partij). Hij was een van de leidende figuren van de Derde en de Vierde Franse Republiek. Hij leidde drie Franse regeringen tussen 1924 en 1932 en bekleedde verschillende andere ministerposten. Hij zetelde in de Senaat (1912-1919) en de Kamer van Afgevaardigden (1919-1942) en hij was tussen 1905 en zijn dood in 1957 bijna onafgebroken burgemeester van Lyon.[1]
Biografie
[bewerken | brontekst bewerken]Herriot was de zoon van een militair en werd geboren in Troyes. Hij behaalde een diploma aan de École normale supérieure en na een periode als leraar in Nantes vestigde hij zich in 1895 in Lyon waar hij leraar literatuur werd aan het Lycée Ampère. In 1899 huwde hij met Blanche Rebatel, wiens vader voorzitter was van de Conseil général van het departement Rhône. Via zijn schoonvader en door zijn engagement in de Dreyfusaffaire rolde Herriot in de politiek.
Lokale politiek
[bewerken | brontekst bewerken]
In 1 mei 1904 werd hij verkozen in de gemeenteraad van Lyon. In 1905 werd hij burgemeester van Lyon en bleef dat tot zijn dood (met uitzondering van de periode 1940-1945). Hij zette zich in voor de bouw van scholen en sociale woningen. Er werd hem een gebrek aan aandacht verweten voor het erfgoed van de stad (hij liet het Hospice de la Charité afbreken voor de bouw van een nieuw postgebouw) en in zijn laatste jaren een zeker immobilisme.[2]
Nationale politiek
[bewerken | brontekst bewerken]
In 1912 trad hij in de nationale politiek na zijn verkiezing in de Senaat. Tussen 1916 en 1917 was hij minister van Transport, Openbare Werken en Bevoorrading. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij leider van de Parti radical en bleef dit gedurende bijna 35 jaar (van 1919 toy 1926, van 1931 tot 1935 en van 1938 tot 1957). Hij zetelde van 1919 tot 1942 in de Kamer van Afgevaardigden en in 1924-1925, 1926 en 1932 was hij driemaal voor korte tijd premier van Frankrijk. Hij combineerde die functie telkens met het ministerschap voor Buitenlandse Zaken. Tussen 1926 en 1928 was hij bovendien minister van Onderwijs en Schone Kunsten. Herriot was een pleitbezorger voor de Volkenbond en was in het interbellum al een voorstander van de Europese eenmaking.[1]
In 1934 richtte hij samen met Léon Blum, Maurice Thorez, Édouard Daladier en Daniel Mayer het Front Populaire op, uit angst voor het opkomende nationaalsocialisme in Europa.
Toen de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk uitbrak, was Herriot eerst een voorstander van Henri Philippe Pétain en daarna een tegenstander. Hij werd in september 1942 onder huisarrest geplaatst. Hij simuleerde krankzinnigheid en werd opgesloten in een gesticht in Maréville bij Nancy. Begin 1944 kwam hij enkele maanden vrij maar na een nieuwe passage in Maréville werd hij opgesloten in Potsdam en bevrijd door het Rode Leger op 22 april 1945.[2]
Herriot stond bekend als een begenadigd spreker, die met zijn eruditie en uitstekende geheugen bewondering opriep en met zijn vitaliteit en warmte sympathiek overkwam. Met zijn dikke haarbos, zijn grote gestalte en zijn onafscheidelijke pijp was hij een herkenbaar figuur in de politiek.[1]
In 1946 werd hij verkozen tot lid van de Académie française. In 1954 was hij een van de laureaten van de Internationale Vredesprijs.
Overlijden
[bewerken | brontekst bewerken]
Édouard Herriot stierf in het Hôpital Sainte-Eugénie in Lyon op 26 maart 1957. Kort voor zijn overlijden vroeg en verkreeg hij de laatste sacramenten van nuntius Angelo Roncalli, de latere paus Johannes XXIII, die een vriend van hem was. Dit mag opmerkelijk worden genoemd, daar Herriot altijd zeer antiklerikaal was. Zijn uitvaart op 30 maart werd bijgewoond door een grote menigte.
Werken
[bewerken | brontekst bewerken]Herriot liet een omvangrijk literair oeuvre na, waaronder:[2]
- Philon le Juif, essai sur l’école d’Alexandrie (1897)
- Madame Récamier et ses amis (1904)µ
- Impressions d’Amérique (1923)
- La vie de Beethoven (1929)
- Lyon n’est plus (vier delen, 1937-1940)
- Jadis (1948)
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]| Voorganger: Edmond Lefebvre du Prey |
Minister van Buitenlandse Zaken 1924-1925 |
Opvolger: Aristide Briand |
| Voorganger: Aristide Briand |
Minister van Buitenlandse Zaken 1926 (19 juli-23 juli) |
Opvolger: Aristide Briand |
| Voorganger: André Tardieu |
Minister van Buitenlandse Zaken 1932 (3 juni-18 december) |
Opvolger: Joseph Paul-Boncour |
- ↑ a b c (fr) Les figures marquantes - Edouard Herriot. Sénat. Geraadpleegd op 12 november 2025.
- ↑ a b c (fr) Édouard Herriot (1872 - 1957). Archives Lyon. Geraadpleegd op 12 november 2025.