Academische vrijheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Academische vrijheid betekent dat wetenschappers hun bevindingen moeten kunnen publiceren zonder politieke inmenging. Als zodanig is de academische vrijheid bijv. in de Duitse grondwet opgenomen als een grondrecht, in het zelfde artikel als de vrijheid van meningsuiting, en samen met de vrijheid der kunsten. In Nederland is deze vrijheid slechts geregeld in een gewone wet (art. 1.6 WHW) en geldt deze slechts voor een beperkt aantal instellingen (zie eveneens de WHW).

Illustratief is het voorbeeld dat het KNMI niet worden genoemd bij de instellingen die academische vrijheid genieten. Dat betekent dat het KNMI als onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu net als de rest van dat ministerie onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt. Die kan door de Kamer ter verantwoording worden geroepen en in het uiterste geval worden weggestuurd als het KNMI bijv. onwelgevallige bevindingen ventileert over klimaatverandering, hoe goed die wetenschappelijk ook onderbouwd zijn.

Roepen bepaalde politici echter Minister van Onderwijs op het matje omdat een medewerker van een universiteit het bestaat - wetenschappelijk onderbouwd - te beweren dat islam op zich niet gevaarlijk is, dan moet zij zeggen dat ze daar niet over gaat.

Draagwijdte[bewerken]

De academische vrijheid houdt in dat wetenschappers niet mogen worden gedwongen uitspraken te doen die ze wetenschappelijk niet voor hun rekening kunnen nemen.

Het is geenszins een absolute vrijheid. Zo houdt zij bijvoorbeeld niet de waarborg van de definitieve toewijzing van dezelfde onderwijsopdracht in, maar opdat zij zou zijn gewaarborgd, is het, bij een voorstel van wijziging van de inhoud van de opdracht, nodig dat er procedurele waarborgen zijn die kunnen voorkomen dat die wijziging in werkelijkheid een dreigement of een drukmiddel vormt die de academische vrijheid belemmert en afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lesgevers ten aanzien van de universitaire instelling. Als een wetenschapper moet vrezen dat zijn wetenschappelijk alleszins verantwoorde uitspraken zijn dienstverband in gevaar brengen (bijv. omdat een private geldschieter van een universiteit daar bezwaar tegen heeft) dan is de academische vrijheid wezenlijk in het geding.

Academische vrijheid inzake onderzoek[bewerken]

Academische vrijheid met betrekking tot onderzoek omvat de vrijheid te bepalen

  • wat onderzocht wordt (het voorwerp),
  • hoe onderzocht wordt (de methode),
  • welke onderzoeksrichting wordt ingeslagen,
  • welke resultaten beoogd worden,
  • wanneer het onderzoek beëindigd is,
  • en wanneer en op welke wijze onderzoeksresultaten bekend worden gemaakt.

Dit laatste aspect omvat onder meer de vrijheid van de onderzoeker om de onderzoeksresultaten zo snel mogelijk bekend te maken, zodat een conflict kan optreden met het nieuwheidsvereiste om een octrooi aan te vragen, en de vrijheid van de academicus om onderzoeksresultaten niet bekend te maken omdat bijvoorbeeld bijkomend onderzoek nodig is, zodat een conflict kan optreden wanneer een octrooi aangevraagd wordt.

Zie ook[bewerken]