Ambachtsheer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een ambachtsheer was een man met de titel heer die het recht had het middelbare en lagere overheidsgezag uit te oefenen in een bepaald gebied, de ambachtsheerlijkheid of heerlijkheid en de eigendoms- of leenrechten had van dat gebied. Een ambachtsvrouwe was een vrouw met dezelfde rechten. Het recht van heer/vrouw kon in eigendom worden gegeven of te leen. De leenman betaalde de leenheer daarvoor doorgaans geld.

Geschiedenis[bewerken]

Tot in de 19e eeuw was het platteland van Noord- en Zuid-Holland in honderden van zulke juridisch-bestuurlijke eenheden verdeeld.

Het overheidsgezag was toentertijd structureel anders georganiseerd dan in de tweede helft van de 20e en in het begin van de 21e eeuw; veel macht lag in de hand van een persoon die zonder overleg met burgers kon beslissen. De ambachtsheer/vrouw had vergelijkbare taken met die van het huidige ambt van burgemeester (na 1945) en was daarnaast bevoegd tot lagere wet- en regelgeving, tot lagere rechtspraak, tot het innen van belastingen en het voordragen en benoemen van mensen in ambten. Samen met andere grondeigenaren werden ook praktische zaken geregeld, zoals de aanleg en het onderhoud van dijken, polders en molens.

Het ambt en de rechten verdwenen na de Franse tijd in Nederland en de rechten werden verdeeld over meerdere nieuwe ambten, zoals dat van burgemeester, wetgever en rechter, gebaseerd op de nieuwe Grondwet volgens het democratische principe van de machtenscheiding of Trias politica.

Het ambachtsheerlijk recht, dat los stond van het eigendomsrecht op de grond, was in eerste instantie erfelijk. De rechten die betrekking hadden op onroerende en roerende zaken konden verkocht worden. De heerlijke rechten die verbonden waren aan overheidsgezag waren eveneens overdraagbaar, konden dus geërfd en ook verkocht worden.

Ambachtsheren kwamen vooral voor in Holland en Zeeland. Bekende ambachtsheren uit de Gouden Eeuw waren Cornelis en Andries de Graeff, Andries Bicker, Johannes Hudde en Nicolaes Witsen.

Een andere bekende ambachtsheer was Gerard Numan. Hij ontving in juli 1492 van Aartshertog Maximiliaan I van Oostenrijk de middelbare en lage heerlijkheid van wat nu nog de Ambachtsheerlijkheid Cromstrijen heet in de Hoekse Waard. Numan was secretaris van Maximiliaan, de bijzondere gunst was vanwege trouwe dienst. In december 1492 verkocht hij een kwart van zijn erfpachtrecht c.a. aan Thomas Beuckelaar. Daarna werden de rechten door verkoop en vererving verder verdeeld.

In 1615 bedroeg het aantal 'ambachtsheren' 38. In 1642 waren er 1026 ambachtsporties.[1] De houders van de ambachtsporties voerden als participanten een gezamenlijk beleid. Vanaf 1956 waren de ambachtsporties (aandelen) alleen nog maar overdraagbaar bij notariële akte.