Archeologische site Ename

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Archeologische site Ename
Archeologische site Ename (België (hoofdbetekenis))
Archeologische site Ename
Situering
Coördinaten 50° 51′ NB, 3° 38′ OL
Foto's
De site met onder meer de restanten van de abdij van Ename
De site met onder meer de restanten van de abdij van Ename
Portaal  Portaalicoon   Archeologie

De Archeologische site in de Oost-Vlaamse deelgemeente Ename is een van de vier pijlers van het Provinciaal Archeologisch Museum.

De site is 8 ha groot en is gesitueerd in de Scheldemeersen. Hier zijn de grondvesten bewaard van de Ottoonse burcht, de handelsnederzetting en de Sint-Salvatorabdij.

De burcht werd rond 974 opgetrokken op het uiteinde van een landtong, in een meanderbocht van de Schelde. Geschreven bronnen melden dat Godfried van Verdun, ook Godfried de Gevangene genoemd, lid van de familie Ardennen-Verdun en zijn vrouw Mathilde van Saksen, weduwe van de Vlaamse graaf Boudewijn III, de bouwheren waren. Binnen het burchtareaal bevond zich een Onze-Lieve-Vrouwkapel, waaraan een kapittel van kanunniken verbonden was en dat de burcht zelf als "buitengewoon sterk" omschreven stond.

Deze versterking vormde met die van de mark Antwerpen en Valenciennes in het grensverdedigingssysteem van markgraafschappen dat de Duitse keizer in de Scheldevallei had uitgebouwd. Aan het hoofd stond een markgraaf die de bewaking van de rijksgrens moest verzekeren, in eerste instantie tegen het opdringerige graafschap Vlaanderen dat zich aan de overzijde van de stroom bevond.

De familie Ardennen-Verdun was bekend om zijn trouw aan de keizer en bouwde Ename uit tot een bijzondere plaats, de voornaamste zetel van Lotharingen zoals een historische bron getuigt. Het complex omvatte inderdaad meer dan een burcht. Er was ook nog een portus aan verbonden, een nederzetting die o.a. door de extra stimulans die handelsactiviteiten ter plaatse kregen, een prestedelijke allure aannam. Twee kerken, respectievelijk de Sint-Salvatorkerk en Sint-Laurentiuskerk, markeerden de sterke groei van dit havenstadje. Ename stond mee in voor de stabiliteit binnen het Lotharingse deel van het keizerrijk.

Lang duurde die internationale uitstraling van Ename niet. Reeds in 1047 nam graaf Boudewijn IV van Vlaanderen de burcht en het havenstadje in bezit.

Boudewijn V van Vlaanderen stichtte er in 1063 op dezelfde plaats een benedictijnenklooster, de Sint-Salvatorabdij.

De Ottoonse burcht[bewerken]

De burchtflanken werden efficiënt afgeschermd door, aan de ene zijde gebruik te maken van de Scheldebocht; de landzijde werd afgesloten door een 140 m lange en 18 m brede gracht, en een weermuur. Wat de burcht echter zo bijzonder maakte, was de verdedigingstoren. Hij mat aan de binnenzijde 27 bij 10 m met een fundering die 3 tot 4,40 m breed was.

Opvallend aan de burcht was ook de residentiële zaalbouw, centraal in de burcht. De constructie in Doornikse kalksteen was binnenin 40 bij 10 m groot, bezat hoogstwaarschijnlijk een verdieping en bestond oorspronkelijk uit een zaal en een kapel. In dit gebouw - het stenen prestigesymbool van het markgraafschap - grepen de officiële ontvangsten plaats, werden bestuurszaken afgehandeld en gebeurde de rechtspraak. Later werd er een woonkamer voor de verantwoordelijke van de burcht bijgebouwd. De opgravingen werpen ook een licht op het leven van die adel. Wat er bijvoorbeeld gegeten werd, leert ons de keukenafval. Maakte varkensvlees de hoofdmoot van de vleesconsumptie uit, dan was ook wild (bruine beer, edelhert, kraanvogel, ever) op het menu vertegenwoordigd. Dit laatste had uiteraard te maken met het jachtprivilege dat enkel de adel toekwam. Ceramiek uit het Rijnland en het Maasgebied, zeevis waaronder walvis en zeeschildpad, en bouwstenen uit Doornik wijzen dan weer op handelsrelaties waarover de geschreven bronnen met geen woord reppen.