Ars poetica (Horatius)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Epistula ad Pisones ('Brief aan de Pisonen'), sinds Quintilianus bekend als Ars poetica ('Verhandeling over de dichtkunst'), is een brief van Horatius uit ca. 12 v.Chr over de dichtkunst. De verhandeling heeft grote invloed gehad en is het directe voorbeeld geweest voor L'Art Poetique van Nicolas Boileau (1636-1711).[1] Hoewel het voor Horatius zelf om een brief als alle andere ging, is het epistel 'voor latere dichtergeneraties – ook nog in de nieuwere tijd – tot een evangelie geworden en meer dan één treffende formulering eruit hoort nog steeds tot de citatenschat der geletterde wereld.'[2]

Inhoud[bewerken]

Centraal staat volgens classicus Hein van Dolen de relatie poëzie-dichter,[3] volgens zijn collega G.J.M. Bartelink de literaire kritiek.[4] Het gaat niet om een volledig leerdicht, maar betreft een reeks voorschriften met een vrij losse samenhang, onder andere over de artistieke eenheid, stijl, oorspronkelijkheid en navolging, de betekenis van talent en van het onvermoeibaar polijsten van een dichtwerk.[1]

Horatius gaat, zoals classicus H.H. Janssen samenvat, uit van het eenheidspostulaat: ieder kunstwerk dient een eenheid te zijn, waarbij men ervoor waken moet zich zozeer in de vervolmaking van details te verliezen dat dat het geheel uit het oog verloren wordt. Aansluitend behandelt Horatius de diverse genres en benadrukt dat elk genre haar eigen aard en stijl kent. Hij zegt daarbij weinig over het in zijn tijd (Vergilius) bloeiende genre van de epiek en spreekt ook nauwelijks over de lyriek, hoewel hij dit genre zelf beoefende. Daarentegen gaat Horatius uitvoerig in op het drama, een genre dat in Horatius' tijd juist over zijn hoogtepunt heen was. Zijn voorschriften dienaangaande zijn zeer concreet:

  • geen onmenselijke of onmogelijke scènes
  • niet méér dan vijf bedrijven
  • niet meer dan drie spelers
  • geen deus ex machina, behoudens noodzakelijke uitzonderingen

In het tweede gedeelte van zijn uiteenzetting, vanaf vers 308, komt de persoon van de dichter ter sprake. Goed spreken eist in de eerste plaats een goed verstaan, is het credo. Horatius lijkt zijn publiek eerder te willen ontmoedigen dan te stimuleren, want hij wijst op de moeilijkheden van het vak en beschrijft drie hindernissen:

  • niets ondernemen zonder de aanwezigheid van een innerlijke drang (nihil invita Minerva, vs. 385)
  • het resultaat aan een scherp criticus ter beoordeling voorleggen (in Maeci descendat iudicis auris, vs. 387)
  • het werk pas publiceren nadat het negen jaar in portefeuille is gehouden (nonumque prematur in annum, vs. 388)

De taak van de dichter is om hetzij lering te bieden, hetzij ontroering op te wekken (vs. 333), maar het ideaal is om het nuttige met het aangename te verenigen (vs. 343). De uiterste zorg is geboden, de tijd nemen en bijschaven zijn onontbeerlijk voor een goed resultaat. Ook dan zullen nog fouten overblijven, maar die zijn dan te verontschuldigen vanuit de onvolmaakte menselijke natuur en niet te wijten aan nalatigheid.[5]

Vorm[bewerken]

Het werk heeft de vorm van een leerdicht van 476 hexameters, zij het dat het niet met een gebed tot de godheid begint, zoals in het gewone leerdicht.[3] Volgens de classicus Hein van Dolen kan de brief worden gezien als 'een poëtische parafrase van de stof die op de scholen als proza werd aangeboden'.[6]

Publiek[bewerken]

Het betreft een echte, zij het literaire, brief van Horatius aan de zonen van Piso, een vriend van Horatius wiens zonen zich op de dichtkunst wilden toeleggen.[1][3] Op grond van de aandacht voor het drama, in Horatius' dagen op zijn retour, vermoedt Janssen dat de jonge Pisones van zins waren dit genre te beoefenen.[7]

Vertaling[bewerken]