Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wetsartikel Verbod van foltering
Land Raad van Europa
Wet Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Hoofdstuk I
Artikel 3

Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verbiedt foltering, onmenselijke of vernederende behandeling en onmenselijke of vernederende bestraffing.

Tekst[bewerken | brontekst bewerken]

Artikel 3 – Verbod van foltering

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Toepasbaarheid[bewerken | brontekst bewerken]

Artikel 3 kent geen uitzonderingen en geldt ook in de meest moeilijke omstandigheden zoals in de strijd tegen terrorisme en georganiseerde misdaad.[1] [2]

Folteringen[bewerken | brontekst bewerken]

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) onderschrijft deels de definitie van foltering in artikel 1 van het VN-antifolterverdrag.[3]

Jurisprudentie[bewerken | brontekst bewerken]

Het EHRM beoordeelde een behandeling als onmenselijk omdat het met voorbedachte rade was, uren duurde en lichamelijk letsel of intens fysiek en mentaal lijden veroorzaakte. [4]

Het EHRM beoordeelde de volgende 5 technieken als onmenselijk en vernederend in de zaak van Ierland tegen het Verenigd Koninkrijk[5]: tegen een muur staan, hoofdkap dragen, blootstelling aan lawaai, slaapdeprivatie en onthouding van eten en drinken. [6]

Volgens het het arrest Šečić v. Croatia [7] moeten staten maatregelen nemen om mishandelingen te voorkomen, ook als die gepleegd worden door privépersonen.[8] Staten moeten dergelijke mishandelingen onderzoeken.[7][8]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]