Balpenaffaire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Balpenmoord)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De balpenaffaire (ten onrechte soms aangeduid als balpenmoord) is de naam van een Nederlandse gerechtelijke dwaling uit de periode 1991–1996, waarbij een Leidse student ten onrechte werd veroordeeld voor de vermeende moord op zijn moeder (53) in de Leidse Witte Rozenstraat.[1]

Op 25 mei 1991 werd in haar woning in de Witte Rozenstraat te Leiden het lichaam gevonden van de 53-jarige Mary de M. Bij sectie door het gerechtelijke laboratorium in Voorburg werd geconstateerd dat een balpen via de rechteroogkas in de schedelholte van het slachtoffer was gedrongen. De pen was van buitenaf niet zichtbaar meer.

De rechtbank en de verdediging verschilden van mening over de wijze waarop de pen in de hersenen terecht was gekomen. Hoewel deskundigen van mening waren dat het slachtoffer met de pen in de hand op een ongelukkige wijze was komen te vallen, ging de Leidse politie, en ook de rechtbank, uit van moord.[2]

Forensisch onderzoek[bewerken | brontekst bewerken]

Forensische onderzoekers sloten een ongeval niet uit. De oogarts en hoogleraar J. Worst uit Haren stelde dat het mogelijk was dat het slachtoffer met haar oog in de pen was gevallen die zij in de hand hield. De verwonding was volgens de hoogleraar geheel in overeenstemming met de valincidenten die bij had bestudeerd. Ook forensisch arts B. Cohen concludeerde dat de dood van de moeder in 1991 door een val is veroorzaakt.[3]

Gerechtelijk vooronderzoek[bewerken | brontekst bewerken]

In 1991 werd tegen de echtgenoot en de drie kinderen van het slachtoffer een gerechtelijk vooronderzoek geopend, dat aanvankelijk werd afgesloten zonder dat bewijs werd gevonden dat een van de familieleden betrokken zou zijn geweest bij de moord. Er volgde op dat moment dan ook geen vervolging. De familie diende een klacht in bij de Nationale Ombudsman, omdat de politie de familieleden had verzuimd te vertellen dat zij niet als getuigen werden gehoord, maar als verdachten. Bovendien had de politie naar de pers gelekt dat er sprake zou zijn van moord.[4] De Ombudsman stelde de familie eind december 1993 in het gelijk.[5]

Getuigenis therapeut[bewerken | brontekst bewerken]

De therapeut van Jim T., zoon van het slachtoffer, kwam naar voren als getuige. Zij beweerde dat Jim T. de moord op zijn moeder aan haar had bekend. Hij zou gezegd hebben dat de dood van zijn moeder "zijn schuld" was. Op basis van de getuigenis werd het onderzoek heropend in augustus 1994.

De therapeut werd achter gesloten deuren gehoord tijdens de rechtszitting. De getuige beweerde dat Jim T. de balpen met een kruisboog zou hebben afgeschoten. Oogarts J. Worst verklaarde echter dat een handkruisboog daarvoor onvoldoende energie levert. "Zelfs bij een contactschot, vlak tegen het oog, verliest een zo licht object als een ballpoint snel energie vanwege de weerstand van ooglid en oog."[6]

Rechtszaak en veroordeling[bewerken | brontekst bewerken]

Enkele deskundigen verklaarden echter – in tegenspraak met de opvatting van de forensisch deskundigen – dat het onwaarschijnlijk was dat Jims moeder door een ongelukkige val was overleden. Op basis van deze deskundigen en op basis van de getuigenis van de therapeute raakte de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte zijn moeder had gedood door een balpen op haar af te vuren met een kruisboog. De rechtbank veroordeelde Jim T. op 13 oktober 1995 tot twaalf jaar gevangenisstraf. De verdediging ging tegen de uitspraak in beroep.[7]

Schietproeven[bewerken | brontekst bewerken]

In aanloop van het hoger beroep werd een groot aantal schietproeven gedaan met balpennen. De experimenteel oogheelkundige Pek van Andel, onderzoeker bij de Rijksuniversiteit van Groningen, deed op eigen initiatief een aantal schietproeven op varkenskoppen en later op een menselijk hoofd dat ter beschikking van de wetenschap was gesteld. Zijn proeven toonden aan dat wanneer op korte afstand met een kruisboog wordt geschoten, het plastic omhulsel van de Bic -balpen in het oogdak blijft steken terwijl de inktstift verder de schedel inschiet. In de Leidse zaak was hiervan geen sprake.

Op verzoek van de verdediging zijn er ook een aantal schietproeven gedaan door de oogarts J.P. van der Pol, werkzaam aan het Academisch Medisch Centrum van Amsterdam en gespecialiseerd in aandoeningen van de oogkas. De conclusie van zijn proeven waren dat een balpen niet door een handkruisboog in de hersenen kan zijn geschoten. Ook een opzettelijke steekverwondingen was volgens de specialist hoogst onwaarschijnlijk, gezien de moeite die het kost een pen handmatig door de oogkas te steken.[8]

De verdediging is ook op zoek gegaan naar vergelijkbare gevallen: wetenschappers vonden 21 beschreven incidenten waarbij een potlood of pen via het oog het hoofd was binnengedrongen. In 12 gevallen waren net als in Leiden het bovenste ooglid en het oogkasdak doorboord, in zes gevallen was dit dodelijk.[9]

Hoger beroep en vrijspraak[bewerken | brontekst bewerken]

Op 16 januari 1996 werd na een pro-formazitting het Haagse gerechtshof besloten de gevangenisstraf van Jim T. voorlopig te onderbreken op grond van de schietproeven, die als nieuw, ontlastend bewijsmateriaal werden gezien. Aan het Gerechtelijk Laboratorium werd gevraagd om, met TNO, te onderzoeken of een schot zoals zoals de rechtbank wettig en overtuigend bewezen achtte, mogelijk is.[10]

Bij het hoger beroep leverden verschillende getuigen-deskundigen ontlastend bewijs voor Jim T.: oogartsen, neuro-chirurgen, pathologen, ballistische experts en autoriteiten op het gebied van wapens en munitie betoogden eensgezind dat de moeder van de verdachte niet kàn zijn vermoord, maar moet zijn omgekomen in een dodelijke val. Het Haagse gerechtshof sprak de verdachte op 5 april 1996 vrij van moord.[11] De inmiddels 26-jarige Jim T. werd vrijgelaten. Hij trof een schikking met het openbaar ministerie voor de 213 dagen die hij onschuldig in hechtenis heeft doorgebracht en ontving een schadeloosstelling van onbekende hoogte.[12]

Nasleep[bewerken | brontekst bewerken]

In juni 1997 werden 2 politiemensen, waaronder P. Heskes, hoofd korpsrecherche van de politieregio, en de officier van justitie C. van der Voort ontheven uit hun functie wegens het vernietigen van bewijsmateriaal in de balpenzaak. Het ging om dossiers die hadden kunnen aantonen dat de politie knoeide met de verklaring van de therapeute.[13] Ook werd de voor de verdachte ontlastende verklaring van de artsen J. Worst en B. Cohen uit 1991 bewust buiten het dossier gelaten.[14]

Controverse[bewerken | brontekst bewerken]

In een studie[15] naar aanleiding van deze zaak betoogde de M. van Duinen in 2000 dat een valtrauma onwaarschijnlijk is en dat de schietproeven niet op een juiste manier zijn uitgevoerd. Hij deelde zijn conclusie van de officier van justitie dat een val onwaarschijnlijk is, hetgeen echter volgens de auteur niet wil zeggen dat er sprake zou zijn van opzet.

In het tv-programma Doden liegen niet onderzocht in 2017 forensisch patholoog Frank van de Goot drie scenario's proefondervindelijk, op basis waarvan hij meende dat de kruisboog het meest plausibel was, omdat bij een val de balpen niet helemaal in de schedel zou doordringen.[16]

Forensisch toxicoloog professor Donald Uges kwam in 2013 met de theorie van zelfmoord, middels het merkwaardige verschijnsel zelfdoorboring van de hersenpan – 'Intracranial self-stabbing' volgens Australische onderzoekers in het American Journal of Forensic Medicine & Pathology.[17]

Hoewel door enkele onderzoekers en journalisten zoals bovenstaande nog wordt getwijfeld over de precieze toedracht in deze zaak, wordt over het algemeen de balpenaffaire gezien als een van de grote justitiële dwalingen in Nederland.[18]