Beleg van 's-Hertogenbosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg van 's-Hertogenbosch
Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog
Prins Frederik Hendrik en graaf Ernst Casimir bij het beleg van 's-Hertogenbosch, 1629 (Pauwels van Hillegaert, 1635).
Prins Frederik Hendrik en graaf Ernst Casimir bij het beleg van 's-Hertogenbosch, 1629 (Pauwels van Hillegaert, 1635).
Datum 1 mei-14 september, 1629
Locatie 's-Hertogenbosch, Hertogdom Brabant
Resultaat Inname van de stad door de Republiek
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svgRepubliek der Zeven Verenigde Nederlanden Flag of Cross of Burgundy.svgSpanje
Commandanten en leiders
Frederik Hendrik van Oranje
Willem Pijnssen
Johan Albert van Solms
Willem van Nassau
Ernst Casimir van Nassau
Johan Wolfert van Brederode
Thomas van Stakenbroeck
Anthonie Schets, baron van Grobbendonck
Troepensterkte
24000 infanterie
4000-5000 cavalerie
116 kanonnen
2500-3500 infanterie
4000-5000 bewapende burgers
80 kanonnen
Verliezen
onbekend onbekend

Het beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 was een groots opgezette tegenaanval op de Spanjaarden door het leger van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het beleg duurde van april tot half september. Uiteindelijk werd 's-Hertogenbosch onder leiding van stadhouder Frederik Hendrik van Oranje door de Republiek ingenomen. De stad was belangrijk vanwege de strategische ligging. Het was een van de sterkste schakels in de Spaanse omsingeling van de Republiek. Een verovering zou tevens goed zijn voor het prestige van de Republiek en de stadhouder. Niet alleen vanwege de sterkte, maar ook omdat het een bisschopszetel had en het een van de hoofdsteden van Brabant was.

De belegering was moeilijk vanwege het drassige gebied rond de stad. Met behulp van dijken en molens werd het probleem verholpen en werd het water ingezet als extra verdediging voor het Staatse leger. Rondom de stad lagen kwartieren waartussen de circumvallatielinie lag die diende als verdediging tegen een mogelijk ontzettingsleger. De contravallatielinie moest de belegeraars beschermen tegen het Bossche garnizoen. Vanuit de kwartieren werden approches gegraven om dicht bij de stad te kunnen komen zodat een bres in de vestingwerken geslagen kon worden.

De commandant Hendrik van den Bergh van het Spaanse leger heeft nog getracht de stad te ontzetten, maar slaagde hier niet in. Ook werd geprobeerd het Staatse leger weg te lokken door de Veluwe binnen te vallen. Amersfoort kon worden veroverd, maar het leger moest zich uiteindelijk terugtrekken na de Staatse inname van Wesel. Omdat er geen kans op ontzet was en het Staatse leger al een gat in de vestingwerken had geslagen werd besloten te capituleren. Na de inname werd het katholicisme verboden en verlieten met het Spaanse garnizoen veel katholieke inwoners en de geestelijkheid de stad.

Situering[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Sinds 1568 woedde er in de Nederlanden een strijd tegen Spanje. Het veelal katholieke zuiden bleef trouw aan de Spaanse koning. Het veelal protestantse noorden, de Republiek, wilde onafhankelijkheid. Deze Nederlandse Opstand, later Tachtigjarige Oorlog genoemd, werd in 1621 hervat na een wapenstilstand van twaalf jaar, het Twaalfjarig Bestand.

Na het overlijden van Filips III in maart 1621, werd Filips IV de nieuwe koning van Spanje. De invloedrijke minister Olivares werd zijn belangrijkste raadgever. Niet veel later overleed in de Zuidelijke Nederlanden de aartshertog Albrecht. Samen met zijn vrouw Isabella hadden zij van Filips II in 1598 de soevereiniteit over de Nederlanden gekregen. Met zijn dood bleef Isabella achter die steeds meer macht verloor aan Filips IV.

De nieuwe Spaanse machthebbers wilden hun prestige verhogen en het hervatten van de strijd in de Nederlanden bood die kans. Geld werd vrijgemaakt die een snelle offensieve oorlog mogelijk moest maken. Een verovering van de Noordelijke Nederlanden werd niet meer beschouwd als realistisch, maar via een oorlog konden wel betere voorwaarden afgedwongen worden voor de katholieken in het noorden. Daarnaast wilde Spanje voor elkaar krijgen dat de Republiek zich terug zou trekken uit de Spaanse en Portugese koloniën en moest de Schelde opengesteld worden.

De Republiek koos voor een defensieve oorlog waarmee het initiatief bij Spanje lag. Het Spaanse leger stond onder leiding van de befaamde strateeg Ambrosio Spinola. Voor de wapenstilstand had hij al laten zien erg bekwaam te zijn met de verovering van Oostende en tijdens zijn veldtocht van 1605-1606. Dit wilde hij voortzetten. In het oosten grenzend aan de Republiek in Kleef en Berg werden door Spinola verschillende vestingsteden veroverd in protestantse handen of waar Nederlandse soldaten gelegerd waren zoals Gulik in (1622). In de Republiek deed hij een poging maar het beleg van Bergen op Zoom mislukte. Drie jaar later was het beleg van het sterke Breda wel succesvol. Maurits van Oranje, legeraanvoerder van het Staatse leger had geen antwoord op de zetten van Spinola. Het beleg van Breda, dat meer dan een jaar duurde, was echter erg kostbaar en leverde relatief weinig op. De Republiek wilde namelijk nog steeds niet onderhandelen over een wapenstilstand met voor Spanje gunstige voorwaarden. Zolang die voorwaarden niet ingewilligd zouden worden, was de Spaanse regering niet geïnteresseerd in een vrede, om geen gezichtsverlies te leiden. Spinola was speciaal naar Madrid gereisd om te pleiten voor een vrede maar kreeg het niet voor elkaar. Deze kostbare manier van oorlog voeren leidde tot een Spaans bankroet in 1627 en het moest de geldzendingen naar Brussel verminderen.

Prins Maurits overleed in 1625 en werd als stadhouder en legeraanvoerder opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik. Terwijl Spanje overging op een defensieve strategie, ging de Republiek over op een offensieve strategie. De afwachtende houding bleek niet te werken en de mogelijkheid brak aan voor een aanvallende strategie door financiële hulp vanuit Frankrijk en Engeland. Het doel van het offensief zou worden het beveiligen van de provinciën door het veilig stellen van de grenzen en het creëren van buffers.

Motieven voor het beleg[bewerken]

Het belangrijkste motief voor het ambitieuze project, dat de belegering van 's-Hertogenbosch was, was dat de tijd er rijp voor was. De positie van Spanje was heel zwak. Een bankroet in 1627 en het verlies van de Spaanse zilvervloot in 1628 door kapitein van de WIC, Piet Hein zorgde ervoor dat de Spaanse schatkist nagenoeg leeg was. In de Republiek leidde de verovering van de zilvervloot juist voor veel enthousiasme onder de bevolking. Het Spaanse leger werd ingekrompen en moest de focus ervan tijdelijk verleggen door een gebeurtenis in Mantua, Italië. De Spanjaarden waren in Italië verwikkeld in een strijd tegen Frankrijk in de Mantuaanse Successieoorlog, dat van groter belang was voor de Spanjaarden dan de strijd in de Nederlanden. De Spaanse generaal Ambrogio Spinola vertrok naar Italië, waar hij vocht en omkwam in de strijd tegen de Fransen. Zijn vervanger in de Nederlanden werd Hendrik van den Bergh, een volle neef van Frederik Hendrik. Ook de bondgenoot van de Spaanse koning, de Duitse keizer had zijn handen vol aan zijn strijd met Christiaan IV van Denemarken in de Dertigjarige Oorlog.

Een jaar eerder was het oosten met de innames van Oldenzaal en Groenlo veilig gesteld door het Staatse leger. Nu was het de beurt aan de zuidelijker streken. Frederik Hendrik had dat jaar drie opties om te veroveren: Lingen, Wesel of 's-Hertogenbosch. Alle drie waren het sterke vestingsteden en belangrijk voor de Spaanse omsingeling van de Republiek. Om de positie van de Republiek te ondermijnen hadden de Habsburgers haar sinds het einde van het Twaalfjarig Bestand zo veel mogelijk afgesloten van haar achterland door een ring van sterke vestingsteden. Zou Den Bosch vallen, dan zou er een groot gat in het zuiden de verdedigingslinie ontstaan.

Met een inname van de stad zou het Staatse leger niet meer rekening te hoeven houden met een constante dreiging vanuit Den Bosch en zou het de Republiek in het zuiden een uitvalsbasis bieden. Moeilijk verdedigbare steden als Herentals, Lier en Tienen en belangrijkere steden als Antwerpen of Maastricht zouden in het bereik komen.

Tevens was 's-Hertogenbosch van belang vanwege haar prestige: het was de vierde hoofdstad van het hertogdom Brabant en had een bisschopszetel. Bij de stad behoorde de Meierij: een groot plattelandsgebied met ruim 40 kloosters, 140 dorpen en 200.000 inwoners.[1] Vanwege de sterkte en het belang van de stad, zou een verovering een grote deuk in het prestige van Spanje opleveren.

Vesting 's-Hertogenbosch[bewerken]

Kaart van 's-Hertogenbosch in 1649, twintig jaar na het beleg. Na het beleg werd er een citadel toegevoegd aan de stad om de bevolking te controleren.

In belegeringstechnisch opzicht was 's-Hertogenbosch een onwaarschijnlijk doel voor een campagne. De stad lag middenin een drassig gebied waar de Dommel en de Aa doorheen stroomden. Het land rond de stad stond voor een groot deel van het jaar onder water. Het was het hele jaar bereikbaar door slechts twee wegen: uit Vught en uit Hintham. Vanuit Den Dungen, Orthen en Vlijmen was de stad vanwege het water alleen in de zomer bereikbaar.

Tot aan het Twaalfjarig Bestand had de stad nog een verouderde middeleeuwse ommuring. Gedurende de wapenstilstand werd de verdediging gemoderniseerd door nieuwe wallen, zes nieuwe bolwerken en twee bastions aan te leggen. Voor de Hinthamerpoort werd een uitgebreid hoornwerk aangelegd en op sommige plaatsen kwamen aarden ravelijnen. Ondanks deze verbeteringen waren ten tijde van het beleg niet alle moderniseringen voltooid. De verdediging aan de kant van Den Dungen bestond nog uit de middeleeuwse stadsmuur die niet gedekt werd door bastions, maar door rondelen en halfronde muurtorens. Om dit zwakke deel van de stad toch te kunnen beschermen werd op een afstand van 750 meter het vijfhoekige fort De Pettelaar aangelegd, ook bekend als Sint-Michiel. Aan de kant van Vught lagen op een kilometer van de stad twee forten, de Kleine Schans of Sint-Anthonie en de Grote Schans of fort Isabella, om de toegang te beschermen.

De vesting gold als onneembaar en kreeg daarom de bijnaam Moerasdraak - al werden alleen aan de Staatse kant in propagandistische pamfletten en historiewerken vermeldingen als "onneembaar" gebruikt om de grootsheid van de eigen prestatie te benadrukken.[2] Tien eerdere belegeringen had de stad al doorstaan, waarvan vijf onder leiding van Maurits van Oranje.[3]

De gouverneur van de stad was de ervaren Anthonie Schetz, baron van Grobbendonk. Zijn garnizoen was een van de grootste in de Zuidelijke Nederlanden. Het bestond uit 3392 soldaten, afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, Duitsland en Bourgondië. Soldaten werden snel naar Den Bosch gestuurd toen duidelijk werd dat dat het doel werd van het Staatse leger. Zo glipten er in het beginstadium van het beleg 800 soldaten uit Breda en 45 uit Eindhoven door de omsingeling. Ruiters die niet op tijd konden wegkomen uit de stad gingen dienstdoen als voetvolk. De weerbare burgerbevolking ondersteunde het garnizoen door wacht te lopen op belangrijke punten en met graafwerk.

In de stad waren voldoende levensmiddelen opgeslagen om een lang beleg uit te zitten. Wel was de geringe voorraad buskruit en munitie een probleem voor de verdedigers. Een deel van het kruit was te nat om meteen te kunnen gebruiken. Ondanks aandringen van de gouverneur maakte de regering in Brussel geen geld vrij voor de aankoop van extra voorraden.

Staatse leger[bewerken]

Uit het handboek "Wapenhandelinghe Van Roers. Mvsqvetten. Ende Spiessen". Een musketier met zijn vuurwapen en een steun, furket genoemd. Het kruid zit in houten kokers, aan een brede band over zijn borst, waarvan een koker precies voldoende kruit bevat voor één schot.

Het leger van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was uitstekend geoefend en gedisciplineerd dankzij de militaire vernieuwingen van Maurits van Oranje en Willem Lodewijk van Nassau, eind zestiende eeuw.

De helft van de soldaten die dienden in het Staatse leger bestond uit Nederlanders. De andere helft bestond uit andere nationaliteiten zoals Duitsers, Engelsen, Schotten, Fransen en soms ook Zwitsers en Zweden. Buitenlandse soldaten werden geworven omdat in het binnenland te weinig mannen waren om te dienen. Een belangrijk voordeel was tevens dat buitenlanders minder snel desertie pleegden en naar huis keerden.

De omvang van het leger piekte in 1629 op een effectieve grootte van 80 á 90.000 man. Dit was het hoogste aantal dat het Staatse leger bereikte tijdens de Tachtigjarige Oorlog.[4] Op papier was dit aantal zelfs 120.000 man.[5] Dat het werkelijke aantal lager uitviel, werd veroorzaakt door ziekte, desertie en doden en gewonden door gevechtshandelingen. Een deel van dit leger lag voor Den Bosch. Het andere deel was nodig om de steden langs de grenzen en rond de Veluwe te beschermen na de inval.

Vanaf 1609 bestond het Staatse voetleger uit musketiers en piekeniers. De piekenier had een vier- tot vijfenhalve meter lange piek van essenhout met aan het uiteinde een ijzeren punt. Tevens waren zij bewapend met een rapier. Een helm, ringkraag en een kuras bood bescherming aan het hoofd, hals borst en rug. De piekeniers hadden als belangrijkste doel de soldaten met vuurwapens te beschermen. De musketier was bewapend met een vuurwapen van 150 cm. Het kaliber had een doorsnee van 20 mm. Een musketier kon er ongeveer 225 meter ver mee schieten maar door de speling in de loop kon er pas echt gericht geschoten worden vanaf 55 meter.

De cavalerie bestond in die tijd uit kurassiers en harquebusiers. Kurassiers droegen een kort zwaard en radslotpistolen. Een gesloten helm, kuras, armbeschermers en een wapenhandschoen boden de vereiste bescherming. De harquebusier droeg een zwaard en een radslotkarabijn. Het karabijn was met 90 cm langer dan het pistool van de kurassier. Hij was beschermd met een open helm en een kuras.

Wanneer het leger dicht bij eigen steden gelegerd lag, kon het bevoorraad worden door kooplieden, ook zoetelaars genoemd. Als het door vijandelijk gebied moest dan werden er beschermde konvooien gevormd. In het legerkamp werd een marktplein ingericht waar de kooplieden hun levensmiddelen, zoals brood, bier, kaas, boter, spek en gezouten haring, konden verkopen aan de soldaten. De prijzen moesten overeenkomen met de prijsniveaus in omliggende steden. In het nabijgelegen Heusden werd het brood gebakken dat benodigd was tijdens de belegering van Den Bosch.

Voorbereiding[bewerken]

Financiering en besluit[bewerken]

Prins Frederik Hendrik. Door onder andere de verovering van 's-Hertogenbosch kreeg hij zijn bijnaam "stedendwinger". (Anthony van Dyck, circa 1629)

Op 17 januari 1629 werd tijdens de zitting van de Secreet Besogne door Frederik Hendrik uitleg gegeven over het plan dat hij had voor dat jaar. Het lag nog open welke stad het zou worden: Lingen, Wezel of Den Bosch. De afgevaardigden van de provincies deden een extra toezegging van 700.000 gulden bovenop de oorlogbegroting, de Staat van Oorlog. Dit was nodig om een veldtocht mogelijk te maken. Het grootste deel werd toegezegd door Holland, Utrecht en Gelderland. Hoewel het in de geheime vergadering was toegezegd door de afgevaardigden, moest het nog wel in de afzonderlijke provinciale Statenvergaderingen goedgekeurd worden. In Utrecht en Gelderland zorgde het voor roering, maar uiteindelijk werd er toch mee ingestemd. In Holland was het verzet tegen de hogere uitgaven heviger. Een goedkeuring duurde lang doordat een aantal contraremonstrantse steden niet wilden instemmen. Zij wilden eerst een andere kwestie oplossen: het aanpakken van het nieuwe remonstrantse stadsbestuur van Amsterdam. Het geduld van Frederik Hendrik en de overige provincies raakten echter op. Zij realiseerden zich dat door deze vertraging de vijand meer tijd had om voor te bereiden. Na opvoering van de druk door de Staten-Generaal en Frederik Hendrik op de Staten van Holland werd er eindelijk ingestemd. Samen met de 1 miljoen dat in de begroting al gereserveerd was ongeacht het doel, was er voor de veldtocht 1,7 miljoen gulden beschikbaar.[6]

Werving van het Staatse leger[bewerken]

Voor het beleg was een veldleger nodig van 24.000 man voetvolk en 4.000 ruiters, waarvan een groot deel nog eerst gerekruteerd moest worden. Vijftig compagnieën, die in de winter waren gehalveerd, werden teruggebracht op hun oude sterkte waarvoor 10.000 nieuwe soldaten aangetrokken moesten worden.[7] Veertig bestaande compagnieën kregen elk 150 man extra, daarnaast werden vijftien nieuwe Duitse compagnieën van elk 200 man en een Schots regiment van 2 á 3000 man aangenomen. De Schotse manschappen werden onder begeleiding van twee oorlogsschepen door Nederlandse schepen opgehaald in Leith. Nieuwe officieren werden veelal geworven bij de oude compagnieën en werden in rang gepromoveerd voor de duur van het beleg.

Om de bevolking van de Republiek te ontzien werd de rekruteringsofficieren door de Raad van State opgedragen alleen in het buitenland te werven. Daarnaast mochten ook overlopers aangenomen worden, hoewel dat volgens sommige officieren gevaarlijk was. Door de druk om genoeg manschappen te werven en de opgelegde beperkingen, werden ook minder bruikbare personen geworven zoals arme lieden en jonge jongens.

Het werven verliep niet zoals gepland en het aantal van 12.000 manschappen werd niet gehaald. Alleen het Schotse regiment behaalde de gewenste sterkte.[8] Het was moeilijk de gewenste aantallen te halen omdat andere vorsten ook aan het ronselen waren langs de grenzen van de Republiek, zoals een kapitein voor de Zweedse koning.

Het beleg[bewerken]

Opmars naar 's-Hertogenbosch[bewerken]

De voorbereiding op het beleg. Op de voorgrond staan legerleiders met een kaart en op de achtergrond worden kanonnen voortgetrokken en marcheren soldaten. (Daniël Cletcher, 1630).

Op 24 april vertrok Frederik Hendrik met 24.000 man voetvolk en 4.000 ruiters via Utrecht in de richting van Arnhem en Nijmegen om het leger te groeperen op de Mookerheide. Op 27 april kwam het Staatse leger daar bijeen voor een wapenschouw. Op dat moment was voor Spanje het doel nog niet bekend. Frederik Hendrik had onder andere verkenningen uit laten voeren bij Lingen en Wezel om verwarring te veroorzaken. Voor de Brusselse regering leek Breda een logisch doelwit, dus werd er nog kruit van Den Bosch naar Breda gezonden. 's-Hertogenbosch zou toch niet aangevallen worden was het gevoel in de Spaanse Nederlanden. De volgende dag vertrok het leger naar het zuiden. Via Malden werd bij Grave de Maas overgestoken via een tijdelijk daarvoor gebouwde schipbrug. Toen wist de Brusselse regering in ieder geval dat de belegering in het zuiden zou plaatsvinden. 's-Avonds werd Velp en Reek bereikt en de volgende dag zou verder gemarcheerd worden.

De ruiterij van het Staatse leger onder leiding van generaal Thomas van Stakenbroeck voerde een berenning uit en nam op 30 april en 1 mei verschillende dorpen rond de stad in en sneed de stad af van Breda. Toen was duidelijk dat niet Breda maar toch Den Bosch het doelwit was.[9] De rest van het Staatse leger kwam op 1 mei aan op de Vughterheide. Bij fort Crèvecoeur, ten noorden van de stad meerden de schepen aan met de artillerie en andere materialen. De gedeputeerden te velde en later ook soldaten die niet op tijd bij de verzamelplaats op de Mookerheide konden zijn, kwamen aan bij dit fort.

Omsingeling[bewerken]

Legerkamp Vught tijdens het beleg. Vanaf de Lambertustoren kon de situatie goed worden overzien. Op de voorgrond levensmiddelen- en zoetelaarskramen. Verderop is fort Isabella te zien en de loopgraven richting het fort. Rechts komt boven de bomen kasteel Maurick uit waar Frederik Hendrik zijn verblijf had. (Jan Christiaensz. Micker, 1629)

Frederik Hendrik wist dat 's-Hertogenbosch alleen overwonnen kon worden door het te omsingelen en af te sluiten. Door op de iets hoger gelegen toegangswegen kwartieren te plaatsen werd de stad omsingeld. Een circumvallatielinie moest de stad insluiten. De snelheid voor het opwerpen van de benodigde verdedigingswerken bepaalde mede het succes van de belegering. Het Staatse leger was namelijk in de eerste weken erg kwetsbaar door het ontbreken van een goed verdedigbare positie. Nadat Frederik Hendrik in Vught was aangekomen wees hij de drie plaatsen aan waar belegeringskwartieren moesten komen. Daarbij hield hij rekening met de buitenforten en het onder water gelegen gebied. Alle drie de kwartieren lagen ongeveer een uur gaans van de stad vandaan. Deze kwartieren waren bedoeld als verblijf voor de soldaten en daar vanuit werd de circumvallatielinie verdedigd. De eerste dagen werd de meeste tijd besteed aan het gereedmaken van de kwartieren.

In Orthen lag het belegeringskwartier van Willem van Nassau. Verder met de klok mee lag het kwartier van Ernst Casimir van Nassau in Hintham. Frederik Hendrik lag met de hoofdmacht zijn kwartier in Vught. Onder fort Crèvecoeur lag Engelen waar graaf Johan Albert van Solms zijn kwartier had. Hij had als taak de aanvoer vanuit het fort te beschermen. Crèvecoeur gelegen aan de Maas en aan de monding van de Dieze was heel belangrijk voor de bevoorrading van het leger. Gedurende het beleg zouden hier ruim 200 schepen met goederen aanmeren.[10]

Op 5 mei sloeg Johan Wolfert van Brederode zijn kwartier ten zuidoosten van de stad op de weg naar Den Dungen, omdat de afstand tussen het kwartier van Frederik Hendrik en dat van Ernst Casimir te groot was. De laatst voltooide stelling was een groot fort nabij Deuteren, dat onder leiding stond van kolonel Willem Pijnssen. Het werd hier aangelegd omdat op deze plaats Spaanse soldaten uit Breda naar de belegerde stad konden komen.

Insluiting[bewerken]

Kaart van 's-Hertogenbosch en de belegeringswerken.

Na voltooiing van de omsingeling van de stad en het opwerpen van de kwartieren, kon er vanaf 3 mei begonnen worden aan de insluiting van de stad door middel van een circumvallatielinie en de contravallatielinie. De circumvallatielinie was de buitenste linie en moest de belegeraars beschermen tegen een mogelijk Spaans ontzettingsleger. Aan deze linie werd in het begin de meeste aandacht geschonken. De contravallatielinie was de binnenste linie en moest de belegeraars beschermen tegen uitvallen vanuit de stad. Tevens zorgden de linies ervoor dat de stad afgesloten werd zodat er geen personen meer van en naar de stad konden gaan. De linies bestonden uit dijken met ervoor een dubbele gracht, een onderwater gelopen gebied, of hadden een dubbele borstwering. De circumvallatielinie werd op strategische punten versterkt door schansen, redoutes en kwartieren. Het was ongeveer 45 kilometer lang (11 uur gaans), terwijl de contravallatielinie zo'n 25 kilometer lang was. De aanleg van deze linies werd in enkele weken voltooid, door inzet van 24.000 soldaten en opgeroepen landbouwers uit Zuid-Holland en Gelderland. Twee jaar eerder, bij het beleg van Grol, had Frederik Hendrik een circumvallatielinie voor het eerst uitgetest, met succes. Frederik Hendrik had het weer afgekeken van Ambrogio Spinola die deze tactiek had gebruikt bij het beleg van Breda in 1624.

Aan het begin van het beleg was het rustig aan de kant van de stad. Er werden door het garnizoen weinig uitvallen gepleegd op de belegeraars, in de cruciale fase van het bouwen van verdedigingswerken, terwijl die mogelijkheid er wel was volgens de Staatse gedeputeerden en Frederik Hendrik. Alleen vanuit fort Isabella werden enkele salvo's gevuurd op Staatse soldaten en aan de kant van Orthen werd gevochten. Ook waren er enkele keren in de beginfase van het beleg schermutselingen tussen beide partijen. Gouverneur Grobbendonk liet de verdedigingswerken op de zwakke punten versterken, buiten de vesten en bij de poorten. Waar de oude wallen waren verzwakt werden nieuwe verschansingen opgeworpen. Huizen die te dicht rond de stad lagen en die gebruikt zou kunnen worden door de belegeraars werden afgebroken of platgebrand. Vanaf de derde week steeg het aantal uitvallen vanuit de stad, hoewel het aantal slachtoffers op 30 mei nog maar 12 bedroeg. Een mogelijke reden van het lage aantal uitvallen zou kunnen zijn het gebrek aan manschappen en buskruit.

Daags na het begin van het beleg in de nacht van 3 op 4 mei konden 800 soldaten uit Breda via de hoogte bij Deuteren ongezien naar Den Bosch gaan. Een nacht later kwamen er al Staatse troepen de hoogte bezetten en werd er het kwartier van Willem Pijnssen aangelegd. Vanwege het hoge water bleef dit een zwakke plek in de verdediging. Ook Grobbendonk zag dat in.

Op deze afbeelding zijn boven molens te zien, gebouwd tijdens het beleg, die gebruikt werden om het water rond Den Bosch leeg te malen en onder een dijk die de Dommel blokkeerde.

Op 18 mei was de stad, ondanks het overstroomde land rond de stad, volledig omsingeld. De snelheid waarmee het gigantische graafwerk werd uitgevoerd, getuigt van een perfecte voorbereiding en een knappe organisatie.[11] Velen waren erdoor verbaasd waaronder Grobbendonk en zelfs personen aan Staatse kant. De Hollandse dijk, onderdeel van de circumvallatielinie aan de kant van Deuteren, was een mooi voorbeeld van de waterbouwkundige prestatie. De dijk lag op het diepste punt in de omgeving in ondergelopen land en werd vernoemd naar de herkomst van de werklieden. De omsingeling was daarmee volledig gesloten, wat Maurits 26 jaar eerder had nagelaten. Een andere prestatie van de belegeraars was het afdammen van de twee riviertjes, de Aa en de Dommel. Het water uit die rivieren werd omgeleid, waardoor het land om de circumvallatielinie onder water gezet werd en zo een extra hindernis vormde voor een mogelijk Spaans ontzettingsleger. Het land rond Den Bosch viel droog, en nu kon begonnen worden met het graven van approches in de richting van de stad. De linies hadden een enorme polder gecreëerd, die men nu kon droogleggen. Het water werd met rosmolens uit de polders gevoerd. Hoewel de later beroemde waterbouwkundige Jan Leeghwater vaak genoemd wordt als betrokkene bij de belegering, zijn er geen eigentijdse Staatse bronnen waarin zijn aanwezigheid of actieve rol genoemd wordt.[12] Met het zakken van het water werd de Hollandse dijk nog eens versterkt met nieuwe redoutes en andere fortificaties, omdat de stadhouder op deze plek een aanval verwachtte. Tegen 30 mei waren alle verhogingen en verzwaringen van de verdedigingslinies zo goed als voltooid.

Aanval[bewerken]

Het beleg van 's-Hertogenbosch aan de kant van Vught. Voor ligt een Staatse geschutschans tegenover het Spaanse fort Isabella, dat de toegang tot de Vughterpoort beschermde. (Pieter de Neyn, 1639)

De tweede fase van het beleg was de aanval op de stad. Tijdens en na het opwerpen van de verdedigingslinies werd al een begin gemaakt met de voorbereidingen voor het graven van approches. Vanuit alle kwartieren werden loopgraven gegraven richting de stad en haar forten. Het idee van Frederik Hendrik was dat deze vijf loopgraven ervoor moesten zorgen dat het garnizoen van 's-Hertogenbosch zich zou moeten richten op vijf punten. Het garnizoen zou hierdoor de krachten moeten verdelen en uitgeput zou raken. Na het voltooien van de verdedigingslinies kon de Staatse artillerie het vuur openen op de stad.

Vanuit het kwartier van Willem van Nassau bij Orthen werden de eerste schoten gelost op de stad. Het graven van loopgraven ging vanuit dit kwartier in het begin voorspoedig, maar moest later gestaakt worden vanwege het hoge water. Dit probleem werd ook ondervonden bij het kwartier van Pijnssen. Daar staakten ze met graven en bombardeerden alleen nog de verdedigingswerken rond de Vughterpoort. Brederode liet approches graven richting fort De Pettelaar. Snel verliep het niet, maar het verplichtte de verdedigers wel manschappen in te zetten aan die kant. Het hoge water was ook voor Ernst Casimir een probleem bij het graven van approches richting de Hinthammerpoort. Toch vorderde het werk gestaag met dekking van zes stuks artillerie die de stad continue beschoten. Sinds eind mei was het erg droog waardoor de weiden tussen Orthen en Hinthamereind droog vielen. Zodoende verloor de middeleeuwse muur haar natuurlijke bescherming. Inmiddels was Ernst Casimir bijna in het contrescarp van het hoornwerk, maar besloot richting de onbeschermde stadsmuur te graven. Haastig versterkte het garnizoen die kant van de stad en plaatste er artillerie.

Loopgraven van het Staatse leger bij de forten Isabella en Sint-Anthonie (Jacques Prempart 1629-130).

Het meest effectief was de aanval vanuit Vught. Deze aanval ging over hoger gelegen gebied waardoor de aanvallers geen last hadden van het water. Deze kant van de stad werd beschermd door twee buitenforten. Naar beide forten, liet Frederik Hendrik approches aanleggen. De Fransen werkten naar de grootste, fort Isabella en de Engelsen naar fort Sint-Anthonie. Deze loopgraven waren wel verbonden met elkaar zodat ze elkaar konden helpen bij gevaar. Batterijen moesten de soldaten dekking geven. Fort Isabella werd beschermd door een hoornwerk waar omheen gegraven werd richting de bastions van het fort. Vervolgens werd met mortieren op het fort geschoten om ze tot overgave te dwingen. Diezelfde dag werd het huis van de commandant geraakt, waar buskruit en granaten opgeslagen lagen, wat een grote ontploffing veroorzaakte. Toen op 18 juli een mijn onder een bastion tot ontploffing werd gebracht, gaven de verdedigers het fort op en trokken zich terug naar de stad. Een dag later werd op dezelfde manier Sint-Anthonie veroverd.

Vanwege het gebrek aan buskruit in de stad werd er weinig met geschut geschoten. Om toch tegenstand te bieden gingen Bossche soldaten geregeld 's nachts de stad uit om Staatse werken te vernielen of in brand te steken, zoals bruggetjes en schanskorven. Soms werden er uitvallen gedaan naar batterijen waarbij soldaten werden gedood en wapens en munitie werden meegenomen. Dergelijke uitvallen waren wel risicovol voor de Bossche soldaten. De Staatse soldaten probeerden met behulp van approches dicht bij de verdedigingswerken te komen om die vervolgens met een mijn op te blazen. Om het opblazen te voorkomen werd er door de verdedigers regelmatig patrouilles op uit gestuurd om de vorderingen te volgen. Zodoende kon tijdig de mijn onschadelijk gemaakt worden of ingespeeld worden op de verwachte schade. Daar waar het graven van approches moeilijker was, zoals bij fort De Pettelaar en aan de noordoost-kant, werd vooral gevochten met artillerie en vuurwapens.

's-Hertogenbosch begon te ervaren dat bastion Vught een zwak punt was in de vestingwerken, hoewel de soldaten van bastion Deuteren ondersteuning boden. Het bastion werd oorspronkelijk bewaakt door fort Isabella en fort Sint-Anthonie, maar sinds die veroverd waren, was er geen verdediging meer. Daarbij kwam, dat bastion Baselaar met 1400 meter te ver lag om ondersteunend vuur te geven.

Situatie in Den Bosch[bewerken]

Den Bosch was niet goed voorbereid op een belegering. Er was een tekort aan manschappen en vooral aan kruit en munitie. De burgerij moest al het lood, zoals van dakgoten en regenpijpen en van hun huisraad inleveren. Dit werd gebruikt om kogels van te maken. Het tekort aan kruit was ernstiger en kon niet opgelost worden.

Om de voedselvoorziening veilig te stellen werden er extra maatregelen genomen. Het aanwezige voedsel werd geïnventariseerd, er kwamen prijsvoorschriften, rantsoeneringen van schaarse middelen en er kwam een verbod op hamsteren. Naar mate het beleg vorderde werd het voedsel waar de bevolking over kon beschikken eenzijdiger en werden sommige middelen erg duur. Vooral de onderste lagen uit de samenleving hadden te lijden onder de prijsstijgingen. Door het beleg raakte ook veel nieuwe mensen in de armoede die bijstand kregen van de stad. Vaak waren het vrouwen, zeker wanneer de man gestorven was. Ondanks deze moeilijkheden heeft de bevolking geen honger geleden tijdens het beleg, zoals wel het geval was bij het beleg van Leiden of La Rochelle.

Vanaf het begin af aan werd de bevolking ingezet om graafwerk te verrichten, zoals voor het aanleggen van een borstwering op de noordelijke vestingwal of van geschutsopstellingen. Iedereen hielp mee inclusief vrouwen en geestelijken.

Het leven in de stad was gevaarlijk en mensen leefden er in constante angst. Dag en nacht werd de stad beschoten waarbij vele doden en gevonden vielen en dat grote schade bracht aan gebouwen. Vooral grote of opvallende gebouwen zoals molens, de poorten en de kathedraal werden zwaar beschadigd. Huizen grenzend aan de stadswal werden geruïneerd. Deze beschietingen werden heviger naar mate de Staatse loopgraven de stad naderden.

Ook heerste er een enorme stank in de stad doordat de door het Staatse leger afgedamde Dieze niet meer door de stad stroomde. De Dieze werd door de hele stad als open riool gebruikt waarvan het vieze water zonder toevoer van vers water bleef hangen. Bang voor het uitbreken van ziektes door de onhygiënische situatie werden zo nu en dan de sluizen open gezet. Erg welkom waren de zware regenbuien. Toch hielp het niet voldoende om epidemieën tegen te gaan. Het aantal slachtoffers dat stierf door de pest is onbekend maar oversteeg waarschijnlijk het aantal dat omkwam door beschietingen.

Gedurende het beleg was het belangrijk de bevolking te motiveren om stand te houden. Zij moest niet de moed verliezen. Goed nieuws dat de stad kon worden binnengesmokkeld werd daarom gedeeld met de bevolking. Ook de geestelijkheid zette zich in de bevolking te motiveren. De hoop op ontzet door een Spaans leger gaf de bevolking kracht om vol te blijven houden.[13][14]

Pogingen tot ontzet[bewerken]

Frederik Hendrik in het legerkamp in Vught tijdens de belegering van 's-Hertogenbosch. Te zien zijn onder andere vechtende, dansende, gokkende en drinkende militairen. (Pauwels van Hillegaert, 1631)

De commandant van het Spaanse leger Hendrik van den Bergh had van de koning de taak gekregen 's-Hertogenbosch te ontzetten. Zelf was hij sceptisch of dit wel zou lukken. Het beleg was inmiddels zo ver gevorderd dat het Staatse leger genoeg tijd heeft gehad om verdedigingswerken op te zetten. Dat het leger niet eerder ingezet werd om het Staatse leger te verjagen kwam door een groot gebrek aan geld. De geldzendingen uit Spanje waren in 1629 opgedroogd, dus moest het benodigde geld door de Zuidelijke provincies opgebracht worden. Het Spaanse ontzettingsleger werd gevormd door het oproepen van soldaten uit allerlei garnizoensteden en forten. Uiteindelijk werd een leger gevormd van rond de 30.000 man sterk. In werkelijkheid moet dit aantal lager liggen door desertie wat door wanbetaling en slechte omstandigheden veel voorkwam. Hendrik van den Bergh sprak over een leger van 23.000 man sterk. Het leger had voldoende levensmiddelen, artillerie en andere middelen, maar te weinig munitie om een groot gevecht aan te gaan.

Frederik Hendrik werd ongerust toen hij vernam dat een ontzettingsleger gevormd werd in de Zuidelijke Nederlanden. Hij was bang dat de bevoorrading van zijn leger het doelwit zou zijn en liet verouderde verdedigingswerken langs de bevoorradingsroute opknappen. Er werden troepen naar de rechteroever van de Maas gezonden en het Land van Altena werd onder water gezet. Daarnaast werd de circumvallatielinie nog eens verzwaard en versterkt.

Het leger van Hendrik van den Bergh trok van Turnhout naar Haaren waar op 27 juni werd overlegd over een aanval. Het beleg was twee maanden gaande en naast Van den Bergh wisten ook andere officieren en de landvoogd Isabella van Spanje dat het onmogelijk was de stad te ontzetten. Toch waren ze naar de buitenwereld nog optimistisch om de bevolking moed te geven. Het leger was gelegerd in Haaren waarmee de Staatse kwartieren in bereik lagen. Na acht dagen van verkennen en wachten kwam de Spaanse aanval. Twee aanvallen werden uitgevoerd met doel het doorbreken van de circumvallatielinie en het versterken van de stad. De ene groep bestaande uit 3.000 man, geleid door kolonel Diesdorf moest de linie bij de Dommel doorbreken en via het Kleine fort naar de stad gaan. De ander bestaande uit 4.000 man en zeven compagnieën ruiters, geleid door de hertog van Bournonville moest de linie tussen de kwartieren van Brederode en Ernst Casimir aanvallen. Hendrik van den Bergh zelf ging met het grootste deel van het leger schijnaanvallen uitvoeren aan de kant van Vlijmen. Beide aanvallen waren niet succesvol. Het garnizoen kon niet te hulp schieten doordat communicatie van en naar de stad niet mogelijk was. Daarnaast was de verkenning gebrekkig, waardoor de waterstand hoger was dan verwacht en de verkeerde dijk werd doorstoken. Verder was de Staatse legerleiding al op de hoogte van de plannen door gevangengenomen verkenners en bodes. Na deze mislukte aanval waren er nog twee plannen voor een aanval, maar die werden uiteindelijk afgebroken. Op 9 juli vertrok Hendrik van den Bergh met het leger naar Boxtel.

Hij was via Helvoirt naar Boxtel getrokken om vandaar uit enkele aanvallen uit te voeren. Deze mislukten echter steeds, en daarom koos hij voor een andere strategie en trok naar Holland, om daar te proberen steden te heroveren op de Staatse troepen.

Inval van de Veluwe[bewerken]

Legeraanvoerder in Spaanse dienst Hendrik van den Bergh (door Anthony van Dyck, circa 1629-1632)

Omdat het niet in staat was het beleg te breken werd door Brussel de hulp ingeroepen van de Keizer Ferdinand II. Die had de mogelijkheid troepen te sturen vanwege de Vrede van Lübeck met Denemarken tijdens de Dertigjarige Oorlog. Van den Bergh stak eind juli met zijn leger de IJssel over. Daar wachtte hij op de komst van het keizerlijke leger geleid door generaal Ernesto Montecuccoli. De plattelandsbevolking op de Veluwe en Graafschap vluchtte massaal naar versterkte steden. Alleen die steden waren ook niet erg weerbaar tegen een belegering door een tekort aan soldaten en levensmiddelen.

Doordat het Spaans-keizerlijke leger erg langzaam opereerde gaf dat de Republiek tijd om bedreigde steden langs de IJssel te versterken. Ongeveer 13.000 soldaten werden nieuw aangenomen met dat doel. Op 18 juli werd de stad Arnhem versterkt met de komst van Ernst Casimir met een kleine 10.000 man die onttrokken werden van Den Bosch. Dit was een slimme zet omdat de Spaans-keizerlijke invallers met deze dreiging rekening moesten houden.[15]

Na de komst van het keizerlijke leger werd op 10 augustus vergaderd over het verloop van de opmars. Besloten werd dat Montecuccoli met meer dan 10.000 man Amersfoort en Harderwijk zou aanvallen waardoor Utrecht en Naarden zouden worden bedreigd. De graaf van Salazar zou met 6.000 man Hattem aanvallen waardoor Friesland bedreigd werd. Jan van Nassau zou met Hendrik van den Bergh de IJsselverbinding bewaken bij Dieren. Gehoopt werd dat een aanval in het hart van de Republiek genoeg paniek zou veroorzaken om Frederik Hendrik weg te krijgen van Den Bosch.

Op 13 augustus werd het slecht verdedigbare Amersfoort opgeëist door Montecuccoli. De stad capituleerde een dag later. De inname veroorzaakte een golf van paniek. Toch werd het beleg van 's-Hertogenbosch niet opgegeven. Onder de gedeputeerden waren er enkele voorstanders van het opgeven van het beleg. De meerderheid was tegen inclusief Frederik Hendrik. Er was immers al veel geld in gestoken. Daarnaast was bekend dat Spaans-keizerlijke troepen zich moeilijk konden handhaven door zich op de Veluwe te bevinden. De Veluwe was een arm plattelandsgebied met weinig belangrijke steden.[16]

Een directe aanval op het Spaans-keizerlijke leger werd door het Staatse leger niet ondernomen. In plaats daarvan werden aanvallen gedaan op de kwetsbare bevoorradingskonvooien die vanuit Wesel vertrokken. Deze aanvallen waren echter niet zo effectief als de gewaagde aanval dat op 19 augustus plaatsvond.

Otto van Gendt, gouverneur van Emmerik, vernam via spionnen dat er werkzaamheden plaatsvonden aan de vestingwerken van Wesel zodat er een tijdelijk gat ontstaan was. Een aanval wist hiervan te profiteren waardoor de stad op 19 augustus in Staatse handen kwam. Door de inname van Wesel waren de Spaans-keizerlijke legers genoodzaakt de Veluwe te ontruimen.

Capitulatie[bewerken]

Een bres in het bastion[bewerken]

Loopgraven van het Staatse leger vanaf het fort Sint-Anthonie tot aan de stad (Jacques Prempart 1629-130).

Naar mate de tijd vorderde werd het duidelijk dat een inname van Den Bosch onvermijdelijk werd. In augustus was er voor de stad nog hoop door de inval op de Veluwe maar dat viel na de Staatse inname van Wesel in duigen. Aan het begin van die maand kwamen de loopgraven vanuit drie punten dicht bij de stadsgracht. Het blijven vasthouden aan aanvallen vanuit meerdere kanten was opvallend omdat het aantal manschappen van Frederik Hendrik sterk was verminderd. Sommige schattingen zeggen slechts een derde van de originele sterkte. Volgens Hendrik van den Bergh was het leger 7 a 8 duizend man. Het kwam voor dat het Bossche garnizoen tijdens uitvallen lege loopgraven aantrof. In deze moeilijke periode intensiveerde Frederik Hendrik het beleg en verhoogde het aantal beschietingen op de stad. Toch bleef de stad weerstand bieden waardoor de voortgang traag werd. De kosten namen ook nog toe omdat soldaten vanwege het gevaar alleen nog voor hoge tarieven de loopgraven in wilden.[17]

Vanuit het kwartier van Brederode, Willem van Nassau en kolonel Pijnssen waren afleidingsapproaches gegraven. Vanuit het kwartier van Ernst Casimir waren de approaches eind april zo dicht bij de Hinthamerpoort genaderd dat men een aanval had kunnen doen op de poort. Echter, de belangrijkste aanval bleef voor Frederik Hendrik die aan het Vughtereind. Nadat de twee forten gevallen waren hadden de verdedigers in het zuiden geen buitenwerk meer over, waardoor Staatse soldaten half augustus de stad dicht konden naderen. Vanuit twee kanten werd een galerij aangelegd naar het bastion rechts van de Vughterpoort.

Ook in de stad wist men dat het niet lang meer duurde voor de stad zich moest overgeven. De militair gouverneur Grobbendonk wilde dit moment zo lang mogelijk rekken om geen gezichtverlies te lijden bij het Brusselse bewind. Het aantal beschikbare soldaten was dusdanig geslonken dat hij nog burgers liet inzetten om graafwerk te verrichten en wacht te lopen. De burgers zagen dat helemaal niet meer zitten omdat het een kansloze zaak geworden was en er brak een oproer uit. Ook het buskruit was bijna op. Er waren op 4 september nog 113 vaatjes over, waarvan er dagelijks 20 verbruikt werden. Bisschop Michael Ophovius zette zich in om de gouverneur te overtuigen niet te lang door te gaan.[18] Het was bekend dat wanneer een stad zichzelf te laat overgaf, het recht op plundering gold voor de overwinnaars. Op 11 september werd met een mijn een groot stuk van het bastion weggeslagen. Staatse soldaten bezetten het bastion kortstondig maar trokken zich weer terug vanwege hevige beschietingen. Hierop besloot het stadsbestuur van Den Bosch tot onderhandelingen over te gaan.

Onderhandelingen[bewerken]

Laatste blad van het capitulatieverdrag. Links de handtekening van legeraanvoerder prins Frederik Hendrik van Oranje. Rechts die van de Bossche onderhandelaars met als eerste die van bisschop Ophovius. Cornelis Musch tekende als griffier van de Staten-Generaal namens dit college.

Op 12 september begonnen de onderhandelingen in Vught. Met de gouverneur Grobbendonk werd overeengekomen dat het garnizoen met alle mogelijke militaire eer de stad mocht verlaten. Zij mochten 4 kanonnen meenemen en moesten 2 dagen na het ondertekenen de stad verlaten. Daarnaast konden de militairen en hun families nog 2 jaar over hun huizen beschikken. De uittocht van het garnizoen vond plaats op 17 september.

Met het stadsbestuur verliepen de onderhandelingen minder soepel. Hun belangrijkste eis: het behoud van alle katholieke kerken, de inboedel en instellingen werd meteen al van tafel geveegd. Ook de bisschop onderhandelde mee maar het enige dat hij voor elkaar kreeg was dat de vrouwelijke religieuzen tot hun dood mochten blijven in de stad. De inboedel mocht meegenomen worden maar de kerken gingen over naar de gereformeerde kerk.

Aan de stad werd tevens toegekend dat zij haar oude rechten zou behouden mits deze niet ingingen tegen de belangen van de Staten-Generaal. De stad mocht daarom het eigen stadsbestuur kiezen, maar zo nodig konden de Staten-Generaal kandidaten voor het stadsbestuur naturaliseren. 's-Hertogenbosch als een van de vier hoofdsteden van het Hertogdom Brabant kreeg geen plaats in de landvertegenwoordiging, hoewel zij daar wel om gevraagd hadden. Op 14 september werd de capitulatie getekend.

Voor de uittocht van het garnizoen en de geestelijkheid werden 1200 wagens gebruikt. Dit was zo indrukwekkend dat duizenden mensen uit het land kwamen om het te aanschouwen.[19]

Reacties op de capitulatie[bewerken]

Allegorische voorstelling met Frederik Hendrik na de inname van 's-Hertogenbosch. (Jacob Gerritsz. Cuyp, 1630)

Het verlies van Den Bosch kwam als een schok in de Zuidelijke Nederlanden. De bevolking was woedend en beschuldigde Spaanse raadgevers in de Brusselse regering en andere betrokkenen van verraad. Isabella's raadgever kardinaal De la Cueva vluchtte Brussel uit nadat bekend werd dat de stad gecapituleerd was.[20] Uit vooral Spaanse kringen moest Hendrik van den Bergh het ontgelden. Hem werd verweten te afwachtend te zijn geweest en door sommigen werd hem verraad verweten. Er bestond ook de angst dat Frederik Hendrik nog meer steden in het zuiden zou gaan belegeren nu het Spaanse leger zo zwak leek.

In de Republiek werd het nieuws van de verovering overal gevierd. Den Bosch werd een toeristisch trekpleister. Iedereen die maar kon trok naar de onneembare stad om met eigen ogen de linies, forten, de 23 rosmolens en de oorlogstafarelen, zoals de bres in het Vughterbastion te zien.[21] Op artistiek vlak bood de capitulatie veel inspiratie voor kunstenaars. Een deel van de werken was allegorisch van aard waarmee de prestatie of Frederik Hendrik zelf werd verheerlijkt. Het merendeel van dergelijke allegorische uitingen werden verwerkt in prenten en penningen. Een voorbeeld van een schilderij is dat van Jacob Gerritsz. Cuyp dat hangt in het Bossche stadhuis. Op dit schilderij is Frederik Hendrik afgebeeld als David, die met zijn slinger Goliath verslagen heeft. Andere schilderijen hebben juist weer veel documentaire waarde, zoals in het bijzonder die van Pauwels van Hillegaert. Joost van den Vondel schreef een lofzang over de prestatie genaamd: Zegezang ter eeren van Fredrik Hendrik prince van Oranje.

Nasleep[bewerken]

Religieuze veranderingen[bewerken]

De uittocht van het garnizoen, katholieke geestelijken en anderen uit de stad na de capitulatie. (Pauwels van Hillegaert, 1635)

Nu de stad in Staatse handen was gekomen, waren orthodoxe gereformeerden uit het noorden gebrand het katholicisme er te laten verdwijnen. Echter het geloof van de katholieke bevolking was zo diep dat maar weinigen overgingen op de nieuwe religie. Weliswaar moesten alle katholieke gebouwen sluiten, maar een klein deel werd opnieuw in gebruik genomen door de gereformeerden. Sommige gebouwen bleven dicht en anderen kregen een andere bestemming. De laatste katholieke eredienst in de Sint-Janskathedraal was op zondag 16 september. Op 19 september werd de Sint-Jan door de hervormden in gebruik genomen na een plechtige dienst. Er werd niet hard opgetreden tegen katholieken om niet teveel weerstand te creëren. Daarnaast was het moeilijk om er grip op te krijgen. Vrouwelijke geestelijken waren conform het verdrag nog jaren werkzaam in de stad. Katholieke erediensten werden in huiskamers gehouden of inwoners trokken naar het platteland of het klooster van Coudewater om een dienst bij te wonen.

Toch probeerden calvinisten een stempel te drukken op de stad. Caritatieve instellingen gingen over naar de protestanten dat in het weeshuis tot protest leidde. De kinderen vertrokken naar het zuiden of werden door burgers in de stad ondergebracht. Na vier maanden was het aantal kinderen in het weeshuis gehalveerd. Het aantal gereformeerden in de stad is niet precies bekend maar was groter dan vaak werd aangenomen. Een deel bestond uit teruggekeerde Bosschenaren en een deel uit bekeerlingen.

Op het uitgestrekte platteland van de Meierij was het helemaal moeilijk om de reformatie uit te dragen. De weerstand was er groot en het was er voor predikanten gevaarlijk.

Bestuurlijke veranderingen[bewerken]

Een ander gevolg van de capitulatie was de vervanging van de koningsgezinde stadsregering van 's-Hertogenbosch. Het stadsbestuur werd benoemd door de Staten-Generaal en door Frederik Hendrik. De meerderheid van het nieuwe stadsbestuur bestond uit oud-Bosschenaren die terugkeerden. Maar het bevatte ook twee katholieken uit het vorige bestuur en drie personen van buiten de stad. De lagere bestuurlijke functionarissen werden door dit nieuwe bestuur aangesteld. Johan Wolfert van Brederode was de eerste gouverneur onder Staats gezag.

Sommige inwoners van 's-Hertogenbosch hadden niet de indruk dat deze verovering definitief zou zijn. Zij verwachtten dat Spaanse troepen de stad weer zouden heroveren. Ook in Den Haag was die zorg aanwezig. Omdat er kans was dat de burgerbevolking in opstand zou komen, is er in 1637 een citadel gebouwd dat door de bevolking 'fort papenbril' werd genoemd.

De stad 's-Hertogenbosch kwam samen met de Meierij onder het gezag van de Staten-Generaal en werd een onderdeel van Staats-Brabant. De zuidelijke grens kwam te liggen waar nu de grens tussen Nederland en België ligt, maar Lommel hoorde er ook nog bij. Bij de vrede van Münster in 1648 werd bepaald dat Staats-Brabant niet het achtste lid van de Unie zou worden. Staats-Brabant werd een generaliteitsland. Dit hield in, dat Staats-Brabant onder het gezag van de Republiek viel en geen stemrecht had in het landsbestuur. Dit gold ook voor Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen.

Voortzetting van de strijd[bewerken]

Met de verovering van Den Bosch en de Meierij was een deel van het zuiden van de Republiek veilig gesteld. Na de belegering werden de Staatse troepen nog wat langer aangehouden. Hierdoor kon het de oostgrens extra beveiligen door ook daar nog meer steden op de Spanjaarden te veroveren zoals Solingen, Duisburg, Essen en Ruhrort. Overige steden in Spaanse handen in Gulik en Kleef werden door het Spaanse leger ontruimd om de Palts beter te kunnen beschermen. Hierdoor was de veiligheid van de Republiek toegenomen en was de roem van Frederik Hendrik als generaal bevestigd.

Doordat Spanje in de verdrukking zat wilde Filips IV in januari 1629 al graag een wapenstilstand. Dit voorstel werd toen in de ijskast gestopt door de gevorderde voorbereidingen op het beleg van 's-Hertogenbosch. Na het beleg werd opnieuw vergaderd in de Noordelijke gewesten over het voorstel voor een wapenstilstand. Frederik Hendrik van Oranje leek te sturen op een bestand. Het was namelijk een goed moment door de sterke onderhandelingspositie die de Republiek had op dat moment. Ging men niet in op een bestand dan moest de offensieve oorlog doorgezet worden om in de toekomst onder dezelfde voorwaarden te kunnen onderhandelen. Echter, door de grote verdeeldheid kon er niet mee ingestemd worden. Toen in 1630 het Braziliaanse Pernambuco werd veroverd door de WIC kreeg het Spaanse prestige nog een klap te verduren en was de interesse in een bestand verdwenen.

In 1630 bleef een aanval door de Republiek uit door de hoge kosten van 18 á 19 miljoen gulden[22] dat het beleg van 's-Hertogenbosch gekost had. Ook de politieke verdeeldheid in het land speelde mee. De jaren erna werden nog grote steden als Maastricht (1632) en Breda (1637) veroverd, maar de roep om vrede werd groter en groter, totdat in 1648 de Vrede van Münster werd gesloten met Spanje.

Overblijfselen van het beleg[bewerken]

Voor het slagen van het beleg was de aanleg van een groot netwerk aan dijken en grachten essentieel. Momenteel zijn veel overblijfselen van deze water- en verdedigingswerken nog terug te vinden in het landschap. Het reconstrueren ervan is mogelijk de kaart Expugnatio Sylvae-ducis Anno 1629 te vergelijken met latere en hedendaagse kaarten en hoogtekaarten. De Expugnatio kaart is vrij nauwkeurig en gedetailleerd en is gebaseerd op gegevens van de hoofdingenieur tijdens het beleg, Theodorus Niels. Uit vergelijkend onderzoek is op te maken dat de bochten en hoeken in de verdedigingslinies vaak niet voor niets daar waren. Vaak waren die daar vanwege de bodemgesteldheid, met natuurlijke obstakels als waterlopen en wielen, of door al aanwezige infrastructuur. Overblijfselen zijn bijvoorbeeld de Overdijk bij Hintham en bij Orthen de Heinisdijk. Ook de Engelse dijk nabij Engelen is nog herkenbaar. Met behulp van hoogtekaarten zijn minder duidelijke hoogte verschillen in het landschap waar te nemen. Zo is op een hoogtekaart de schans van Bredero bij Den Dungen te zien als een hoger gelegen vijfhoek. Aan de kant van De Petterlaar zijn nog twee redoutes zichtbaar. Twee dijkjes in de buurt van landhuis Haanwijk kunnen toebehoren aan het hoornwerk dat daar lag. Van de Hollandse dijk is niets meer zichtbaar in het landschap door ruilverkaveling.

Literatuur[bewerken]

  • Cauwer, Peter de, Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden, 1629, Amsterdam University Press, Amsterdam, NL, 2007, 414 p. ISBN 9789089640161.
  • Graaf, Ronald de, Oorlog, mijn arme schapen: een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565-1648, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, NL, 2004, 686 p. ISBN 9051942729.
  • Groenveld, Simon; Leeuwenberg, H.L.Ph., De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560 - 1650), 2e herziene en aangevulde druk [1e druk: 2008]. De Walburg pers, Zutphen, 2012, 432 blz. ISBN 9789057308383.
  • Heijden, P.J. van der, Dagboek 1629: ooggetuigen van het beleg van 's-Hertogenbosch, Heinen, 's-Hertogenbosch, 2004, 208 blz. ISBN 9070706962.
  • Israel, Jonathan I., De Republiek 1477-1806, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 1996, 1368 blz. ISBN 9789051943375.
  • Kuijer, P.Th.J., 's-Hertogenbosch: stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629, Waanders Uitgevers, Zwolle, NL, 2000, 720 p. ISBN 9040095140.
  • Nimwegen, Olaf van, 'Deser landen crijchsvolck': het Staatse leger en de militaire revoluties (1588-1688), Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, NL, 2006, 551 p. ISBN 9035129415.
  • Scholten van Aschat, Karel, Met vergetelheid beloond: een andere kijk op het beleg van 's-Hertogenbosch in 1629, Heinen, NL, 2003, 159 p. ISBN 9070706687.
  • Stradling, R. A., Philip IV and the Government of Spain, 1621–1665, Cambridge University Press, Cambridge, UK, 2002, 420 p. ISBN 0521530555.

Voetnoten[bewerken]

  1. R. de Graaf (2004): Oorlog, mijn arme schapen, blz. 462
  2. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 17
  3. Heijden, P.J. van der (2004) Dagboek 1629: ooggetuigen van het beleg van 's-Hertogenbosch blz. 152
  4. Nimwegen, Olaf van (2006): Deser landen crijchsvolck' : het Staatse leger en de militaire revoluties (1588-1688) blz. 24
  5. Nimwegen, Olaf van (2006): Deser landen crijchsvolck' : het Staatse leger en de militaire revoluties (1588-1688) blz. 54
  6. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 53 - 57
  7. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 57
  8. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 58
  9. Kuijer, P.Th.J. (2000): 's-Hertogenbosch : stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629 blz. 612
  10. Heijden, P.J. van der (2004) Dagboek 1629 : ooggetuigen van het beleg van 's-Hertogenbosch blz. 135
  11. Kuijer, P.Th.J. (2000): 's-Hertogenbosch : stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629 blz. 615
  12. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 76
  13. Kuijer, P.Th.J. (2000): 's-Hertogenbosch : stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629 blz. 616-620
  14. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 223-242
  15. R. de Graaf (2004): Oorlog, mijn arme schapen, blz. 464
  16. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed: het beleg van 's-Hertogenbosch en de oorlog in de Nederlanden blz. 107
  17. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 126
  18. Kuijer, P.Th.J. (2000): 's-Hertogenbosch : stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629 blz. 631
  19. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloed blz. 144
  20. Kuijer, P.Th.J. (2000): 's-Hertogenbosch : stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629 blz. 643
  21. Kuijer, P.Th.J. (2000): 's-Hertogenbosch : stad in het hertogdom Brabant ca. 1185-1629 blz. 643
  22. Nimwegen, Olaf van (2006): Deser landen crijchsvolck' : het Staatse leger en de militaire revoluties (1588-1688) blz. 188

Beluister

(info)
Eerste opstand (1567-1570): Valencijn · Wattrelos · Lannoy · Oosterweel · Eerste invasie (Dalheim · Heiligerlee · Groningen · Eems · Jemmingen · Geldenaken · Loevestein)
Tweede opstand (1572-1576): Den Briel · Vlissingen · Tweede invasie (Valencijn · Bergen · Saint-Ghislain · Roermond · Diest · Leuven · Mechelen · Dendermonde · Zutphen · Bredevoort · Zwolle · Kampen · Steenwijk) · Oudenaarde · Stavoren · Dokkum · Don Frederiks veldtocht (Mechelen · Diest · Roermond · Zutphen · Naarden · Geertruidenberg · Haarlem · Diemen · Alkmaar) · Vlissingen · Borsele · Zuiderzee · Alkmaar · Leiden · Reimerswaal · Derde invasie · Mookerheide · Lillo · Zoetermeer · Buren · Oudewater · Schoonhoven · Krimpen aan de Lek · Woerden · Bommenede · Zierikzee · Muiden · Aalst · Slag bij Vissenaken · Maastricht · Antwerpen · Spanjaardenkasteel (Gent)
Algemene opstand (1576-1578): Utrecht · Steenbergen · Breda · Amsterdam · Gembloers · Zichem · Beleg van Limburg · Inname van Dalhem · Nijvel · Kampen · Rijmenam · Aarschot · Deventer
Parma's negen jaren (1579-1588): Maastricht · 's-Hertogenbosch · Baasrode · Kortrijk · Delfzijl · Oldenzaal · Groningen · Mechelen · Zwolle · Hardenbergerheide · Coevorden · Halle · Steenwijk · Kamerijk · Doornik · Noordhorn · Breda · Aalst · Oudenaarde · Punta Delgada · Lochem · Eindhoven · Gent · Aalst · Terborg · Antwerpen · Zutphen · Kouwensteinsedijk (Antwerpen) · Amerongen · IJsseloord · Boksum · Axel · Neuss · Rijnberk · Grave · Zutphen · Warnsveld · Venlo · Sluis · Bergen op Zoom · Grevelingen
Maurits' tien jaren (1589-1599): Zoutkamp · Breda · Steenbergen · Veldtocht van 1591 (Zutphen · Deventer · Delfzijl · Knodsenburg · Hulst · Nijmegen) · Steenwijk · Coevorden · Luxemburg · Geertruidenberg · Coevorden · Groningen · Hoei · Grol · Calais · Hulst · Veldtocht van 1597 (Turnhout · Venlo · Rijnberk · Meurs · Grol · Bredevoort · Enschede · Ootmarsum · Oldenzaal · Lingen · Rijnberk · Zaltbommel)
Elf jaren strijd (1600-1607): Nieuwpoort · Rijnberk · Oostende · Sluis · Spinola 1605-1606 (Oldenzaal · Lingen · Bergen op Zoom · Mülheim · Wachtendonk · Kasteel Krakau · Bredevoort · Berkumerbrug · Grol · Rijnberk · Lochem · Grol · Gibraltar
Twaalfjarig Bestand (1609-1621): Gulik-Kleefse Successieoorlog (Gulik) · Wezel · Antwerpen
Eindstrijd (1621-1647): Gulik · Steenbergen · Bergen op Zoom · Veluwe · Breda · Oldenzaal · Grol · Baai van Matanzas · 's-Hertogenbosch · Veluwe · Wesel · Veldtocht langs de Maas (Venlo · Roermond · Maastricht) · Rijnberk · Maastricht · Philippine · Tienen · Schenkenschans · Breda · Venlo · Maastricht · Kallo · Duins · Sint-Vincent · Hulst · Antwerpen · Venlo · Puerto de Cavite