Bruggenhoofd Gent

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bunker D14 van het Bruggenhoofd Gent in Munte, nu een schuilplaats voor vleermuizen
Een bunker van het Bruggenhoofd Gent in Munte

Het Bruggenhoofd Gent was een bruggenhoofd ten zuiden van de Belgische stad Gent en bestond uit een bunkerlinie van 228 betonnen bunkers. Deze bunkers werden gebouwd toen in België nieuwe oorlogsdreiging voelbaar werd. Dit bruggenhoofd is beter bekend onder zijn Franse benaming Tête de Pont de Gand of T.P.G.

De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog vernieuwde België een aantal forten (Luik, Namen en Antwerpen) en bouwde er een aantal bij. Het meest bekende nieuwe fort is het Fort van Eben-Emael. Tegen in mei 1940 stonden er in het land ongeveer 2000 bunkers. Het grootste gedeelte was nieuw gebouwd, maar er waren ook Duitse bunkers uit 1914-1918 gerecupereerd en aangepast. Bruggenhoofd Gent maakte deel uit van het Belgisch nationaal reduit. Dit was de stelling die te allen tijde behouden zou moeten blijven om met steun van bevriende legers de aanvaller vervolgens terug te drijven. Dit nationaal reduit kwam vanaf de Antwerpse forten langs de Schelde tot in Kwatrecht, liep dan over de bunkerlijn van Bruggenhoofd Gent, die zuidelijk van Gent was gebouwd om de stad Gent te sparen, tot in Semmerzake en volgde dan verder de Beneden-Schelde. Anno 2019 bestaat ongeveer nog 80% van de linie die voor grote stukken ligt verspreid in akkers en bossen maar ook hier en daar letterlijk tussen de bestaande bebouwing te zoeken is.

De modernisering en bouw van deze verdedigingswerken verschafte werkgelegenheid tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig in de 20e eeuw. De oorspronkelijke plannen van 1928 voorzagen tussen Kwatrecht en Semmerzake de bouw van drie nieuwe forten maar deze plannen werden verworpen wegens te belastend voor de gronden waar deze op gebouwd zouden worden. De keuze viel uiteindelijk op de bouw van vijf forten in de vorm van clusters van bunkers kort bij elkaar.

Deze clusters Betsberg (22 bunkers), Muntekouter (25 bunkers), Semmerzake (13 bunkers), Eke (10 bunkers)en Astene (8 bunkers) werden dan onderling nog eens verbonden met courtines (verbindingslijnen) van bunkers om te tussengebieden te beveiligen. Dit omvatte op die manier nog eens bijkomend een voorlijn (64 bunkers), een tussenlijn (39 bunkers) en een achterlijn (45 bunkers). Heel vaak waren de bunkers zodanig opgesteld dat ze onderling met hun vuursectoren elkaar kruisten waardoor hun vuursectoren wel groter werden.

De originele onteigeningen liepen van eind 1934 tot begin 1936 met enkele uitlopers tot in 1938. De bouw van de bunkerlijn vond plaats vanaf 1935 en was grotendeels op enkele uitzonderingen afgewerkt in 1936. Twintig gemeentes kregen een aantal bunkers op hun grondgebied. Twee grote weerstandsnesten - gelegen op de Betsberg en de Muntekouter - kregen drie steunpunten: Semmerzake, Eke en Astene.

De bunkers hadden verschillende functies en bouw:

  • drie S-bunkers waarvan er twee langs de spoorweglijn Brussel-Oostende stonden en een langs de weg van Aalst naar Gent
  • een voorlinie bestaande uit A-bunkers met nog verder vooraan AV-bunkers
  • C-bunkers die fungeerden als commandoposten
  • D-bunkers in een steunlinie
  • B-bunkers als laatste linie om een doorstoot naar Gent te blokkeren

Om deze bouwsels te verbergen voor de vijand werden ze goed geïntegreerd in het terrein of gecamoufleerd als huisjes compleet met tuintjes, bijgebouwtjes bij hoeves of stalletjes in het veld. Er waren daken met puntgevels en pannen, leien of golfplaten. Valse ramen en deuren met luiken verborgen schietgaten en een als deur gecamoufleerde ijzeren toegangspoort zorgden voor de rest.

Het basiswapen in de bunkers was de mitrailleur. Daarnaast waren er ook beperkt bunkers voor het opstellen van mobiele 47mm anti-tankkanonnen en ook nog enkele voor zwaarder 75 mm veldgeschut. Comfort in de bunkers was er amper. Er was vaak geen stroom.

Het bruggenhoofd in mei 1940[bewerken]

Bruggenhoofd Gent werd na het terugtrekken vanaf de KW-linie ten volle bezet in de zone tussen Kwatrecht en Semmerzake. De linie wist vanaf 20 mei 1940 tot de nacht van 22 mei 1940 stand te houden tegen zware Duitse aanvallen van de 56e Duitse infanteriedivisie. Echte strijd kende het bruggenhoofd Gent enkel in de zone Kwatrecht tot de oostrand van Betsbergbos. Over de rest van de linie tot in Semmerzake is er enkel sprake van schermutselingen maar geen echte aanvallen of zware Belgisch-Duitse contacten. In de nacht van 22 op 23 mei 1940 werd de linie die nochtans nog altijd verdedigbaar was van Belgische kant ontruimd en gewisseld voor een totaal niet uitgebouwde stelling langs de Leie en het afleidingskanaal van de Leie (Schipdonkkanaal). De linie was tot dat moment wel zwaar bevochten maar was nog nergens volledig doorbroken. Ze werd verlaten omdat ten zuiden van Oudenaarde de Scheldestelling doorbroken was. Hierdoor dreigde het Belgische leger achter Bruggenhoofd Gent en meer noordelijk langs het kanaal Gent-Terneuzen omsingeld te geraken. Voor de Belgische soldaten was het verlaten van de stelling niet echt motiverend, het deed geen goed aan het moreel. Ze hadden hier vastgesteld wel degelijk in staat te zijn weerstand te bieden aan het Duitse leger. De soldaten vonden dat ze een stelling moesten verlaten die verdedigbaar was. Op veel plaatsen was er zelfs geen vijandelijk contact geweest. Duitse troepen zouden nog op 23 mei 1940 aan de randen van Gent staan.