Civitas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Civitas (meervoud: civitates) verwees in de Oudheid naar zowel het burgerschap als een administratief gebied.

Nieuwe Romeinse stedelijke nederzettingen werden civitates genoemd en gewoonlijk waren ze dicht bij de oudere voor-Romeinse hoofdstad. Soms vielen ze samen met die oude hoofdsteden. Bij gebrek aan een dergelijke oorspronkelijke hoofdstad stichtten de Romeinen er zelf een. Was de lokale bevolking zeer wantrouwig tegenover de Romeinse administratie, dan werd soms de civitas buiten het stamgebied geplaatst. De meeste ambtenaren werden immers gerekruteerd uit de lokale bevolking. Voorbeelden van een civitas buiten het stamgebied zijn: Kassel (civitas Menapiorum) lag in het stamgebied van de Morini, en Bavay (civitas Nerviorum) lag in het stamgebied van de Bellovaci.[bron?] Waarschijnlijk werd Trier (civitas Treverorum) eveneens net buiten hun stamgebied gesticht. Een civitas mag dus niet verward worden met een centrale hoofdstad. In het verleden gingen veel historici er soms abusievelijk van uit dat het stamgebied zich netjes rond de civitas bevond.

De administratie in de civitas was veelzijdig, maar het aantal ambtenaren heel beperkt. Men kon er bijvoorbeeld het Romeinse burgerschap verkrijgen, processen voeren, en vooral: belastingen betalen. De civitates groeiden uit tot marktplaatsen, Trier zelfs tot de hoofdstad van het West-Romeinse Rijk.

In de late oudheid was de civitas niet alleen een administratief centrum van de overheid, maar kreeg zij ook een christelijk karakter. Met de groei van het christendom in de 4e eeuw ontwikkelde zich namelijk een kerkelijke organisatie, en de kerk gebruikte de bestaande administratieve indeling van de civitates. In de hoofdsteden van de civitates werden de bisschopszetels gevestigd.

Na de val van het West-Romeinse Rijk bleef de civitas-structuur grotendeels in stand. Zij werd onderdeel van de nieuwe Germaanse koninkrijken, die de controle op de civitates verkregen door er hun eigen vertegenwoordigers - zoals graven en hertogen - aan het hoofd te plaatsen. In Gallië verloor de civitas na de 6e eeuw wel steeds meer zijn civiele rol, maar veel civitates bleven voortbestaan in de vorm van een kerkelijk diocees.