Daar was laatst een meisje loos

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Daar was laatst een meisje loos is een Nederlands volksliedje dat in de 20e eeuw ook wel als kinderliedje in zwang is gekomen.

Achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

Het liedje verwijst naar een verschijnsel dat in de 17e en 18e eeuw veelvuldig voorkwam, namelijk dat vrouwen en meisjes zich als man verkleedden om aldus als matroos aan te monsteren op een zeilschip. Overigens namen ze aldus ook wel dienst in het leger.

In de archieven werden - alleen al in de Republiek der Nederlanden - vele tientallen van deze gevallen gedocumenteerd.

Het liedje moet al eeuwenlang populair zijn geweest, getuige de vele versies die ervan in omloop zijn geweest. Het loze (ondeugende) meisje ging - aldus het liedje - varen, maar ondervond daarbij tegenslagen. Ze verrichtte haar werk niet naar behoren en moest bij de kapitein komen, waar ze een pak ransel kon verwachten, waartoe ze haar bovenlijf diende te ontbloten. Daarbij kwam het bedrog natuurlijk uit, waarop ze, met haar vrouwelijke charmes, de kapitein op andere gedachten wist te brengen. Dit alles leverde uiteindelijk onder andere een jong matroosje op.

Het liedje werd voor het eerst gedocumenteerd in 1775. Door Marius Adrianus Brandts Buys sr. werden in 1875 vijf coupletten gepubliceerd. Hij heeft daarnaast een tweetal coupletten weggelaten daar hij ze door eene ruwe woordenkeus ongeschikt achtte voor publicatie. Andere - goedkopere - boekjes met een wat minder stichtelijk doel (zoals Het vrolijke Bleekersmeisje en De Geldersche Nachtegaal) brachten echter wel degelijk alle elf coupletten.

Een gezongen versie van 1967[bewerken | brontekst bewerken]

Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen, die wou gaan varen,
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen voor zeematroos.
Zij nam dienst voor zeven jaar
Omdat zij vreesde, omdat zij vreesde,
Zij nam dienst voor zeven jaar
Omdat zij vreesde voor geen gevaar.
Zij nam mee haar kist aan boord
Gelijk ook een jongen, gelijk ook een jongen,
Zij nam mee haar kist aan boord
Gelijk ook een jonge matroos behoort.
Zij moest klimmen in de mast,
Maken de zeilen, maken de zeilen,
Zij moest klimmen in de mast,
Maken de zeilen met touwtjes vast.
Maar bij storm en tegenweer
Sloegen de zeilen, sloegen de zeilen,
Maar bij storm en tegenweer
Sloegen de zeilen van boven neer.
Zij moest komen in de kajuit
Voor een pak ransel, voor een pak ransel,
Zij moest komen in de kajuit
Trekken de bovenkleren uit.
Zij sprak: Kapteintje, sla mij niet,
Ik ben een meisje, ik ben een meisje.
Zij sprak: Kapteintje, sla mij niet,
Ik ben een meisje, zoals gij ziet.
Eer het schip nog was aan wal
Had ze een jonge, had ze een jonge,
Eer het schip nog was aan wal
Had ze een jonge matroosje al.
Zij sprak: Moeder wees niet boos,
Ik was gaan varen, ik was gaan varen,
Zij sprak: Moeder wees niet boos,
Ik was gaan varen als zeematroos.
Van een die mij oprecht bemint
Heb ik dit leven, heb ik dit leven,
Van een die mij oprecht bemint
Heb ik dit allerliefste kind.
Maar eer het weder Pinkster is
Word ik zijn vrouwtje, word ik zijn vrouwtje,
Eer het weder Pinkster is
Word ik zijn vrouwtje, ja, gewis.
 

Als kinderliedje[bewerken | brontekst bewerken]

Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen, die wou gaan varen
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen als lichtmatroos.
Zij moest klimmen in de mast
Maken de zeilen, maken de zeilen
Zij moest klimmen in de mast
Maken de zeilen met touwtjes vast.
Maar door storm en tegenweer
Sloegen de zeilen, sloegen de zeilen
Maar door storm en tegenweer
Sloegen de zeilen van bovenaf neer
Zij moest komen in de kajuit
Kreeg een pak ransel, kreeg een pak ransel
Zij moest komen in de kajuit
Kreeg een pak ransel en toen kwam het uit.
Ach kapteintje sla mij niet
Ik ben uw liefste, ik ben uw liefste
Ach kapteintje sla mij niet
Ik ben uw liefste zoals u ziet.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]