Edward Hyde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Edward Hyde door William Dobson (circa 1643).

Edward Hyde, graaf van Clarendon, (Dinton in Wiltshire, 18 februari 1609 - Rouen, 9 december 1674) was een Engelse magistraat en geschiedschrijver.

Leven[bewerken]

Hij was een lid van het parlement (House of Lords) onder Karel I van Engeland, vluchtte toen de omwenteling zegevierde, en werd een bekwaam agent van de eveneens gevluchte Karel II van Engeland, inzonderheid bij de onderhandelingen met generaal Monk, die de herstelling van de Stuarts op de troon tot gevolg hadden. Hyde fungeerde als mentor van de jonge Karel Stuart en begeleidde het hof in ballingschap op zijn trektocht door Europa. Karel benoemde hem tot grootzegelbewaarder. Hyde was het brein achter de Verklaring van Breda, waarmee Karel een algemeen tolerantiebeleid voor aanhangers van andere godsdiensten dan het anglicanisme afkondigde (‘a liberty to tender consciences’). Uiteindelijk geraakte dit voorstel echter niet door het parlement, en in plaats daarvan werd in 1662 — tegen de zin van de pragmatische Karel — een reactionaire wet gestemd die als de Clarendon Code bekendstond. Hierdoor werd het onder anderen katholieken verboden, zich binnen een omtrek van vijf mijlen van een kerk te vestigen. Alleen voor de Engelse joden slaagde Karel erin, een officiële erkenning te forceren.

Hij werd in 1657 opperkanselier van Engeland (Lord Chancellor), in 1660 kanselier van de universiteit van Oxford, in 1661 pair en baron Hyde, burggraaf van Cornbury en earl (graaf) van Clarendon. In de jaren 60 van de 17de eeuw was Hyde op het hoogtepunt van zijn macht, maar de koning, die in de dertig was, kon steeds minder verdragen dat zijn adviseur hem als een kind behandelde. Langzamerhand bekoelde de verstandhouding tussen Karel en Clarendon, en het fiasco van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog bood een handig voorwendsel om Clarendon opzij te schuiven.

Ten slotte uit zijn ambten ontslagen en verbannen, nam hij de wijk naar het koninkrijk Frankrijk, waar zijn benijders en belagers hem nog niet met rust lieten. Hij stierf op 9 december 1674 te Rouen. Het machtsvacuüm dat hij aan het Engelse hof had achtergelaten, werd opgevuld door de leden van het zogeheten CABAL-kabinet, die de koning naar eigen goeddunken tegen elkander uit kon spelen.

Zijn oudste dochter Anna Hyde trad in november 1659 te Breda in de echt met de hertog van York, de latere koning Jacobus II, en werd de moeder van de koninginnen Maria II van Engeland en Anna van Groot-Brittannië. Zij stierf 10 april 1671. Clarendon was tegen dit huwelijk gekant, niet het minst omdat hij een overtuigd anglicaan was en de katholieke sympathieën van de hertog een publiek geheim waren. Daarenboven wekte het de indruk als zou hij op deze manier lid van de koninklijke familie hebben willen worden en maakte hij zich kwetsbaar voor aanvallen op zijn integriteit.

Werken[bewerken]

Klassiek is zijn History of the rebellion and civil wars in Engeland (3 delen, Oxford, 1702; meest volledige editie, Londen, 1826). Ter aanvulling op dat werk dienen: The history of the civil wars in Ireland (Londen, 1721); Clarendon’s state papers (Oxford, 1767-1786); The life of Edward, Earl of Clarendon (3 delen, Oxford, 1761).

Referentie[bewerken]

  • art. Clarendon (Edward Hyde, graaf van), in S. de Bruin, Historisch en Geographisch Woordenboek, I, Leiden, 1869, pp. 735-736.