Enclosure

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Enclosure was het omheinen en in particulier bezit nemen van gemeenschappelijke woeste gronden en andere vormen van open fields en common fields door grondbezitters (de gentry), zoals dat in Engeland vanaf de 15e eeuw gebeurde. De enclosures werden in gang gezet door het destijds revolutionaire idee van productie met winstoogmerk: de voormalige gemene gronden zouden voortaan weides worden voor schapen, die de grondstof leverden voor de lucratieve lakenindustrie. Ze worden dan ook gezien als een belangrijke stap in de ontwikkeling van het moderne kapitalisme en een voorbode van de industriële revolutie.

Als gevolg van de enclosures werden kleine boeren (de yeomen) van hun traditionele rechten en bestaansmiddelen beroofd en verviel een groot deel van het Engelse platteland in armoede. Ze riepen dan ook verzet op; vanaf het midden van de 16e eeuw vonden grootschalige opstanden tegen de enclosures plaats, die duizenden levens kostten. Van regeringszijde werd geprobeerd het probleem van armoede te beheersen, door de paupers aan hun woonplaats te binden en de parishes verantwoordelijk te maken voor hun onderhoud. De Poor Laws stipuleerden opsluiting van werklozen in werkhuizen en lijfstraffen voor landlopers. Het duurde tot laat in de achttiende eeuw tot deze proletariërs konden worden ingezet als arbeidskrachten in de nieuwe werkplaatsen en fabrieken.

In de 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw vond daar een nieuwe golf van deze landroof plaats, gelegitimeerd door de Acts of Enclosures. Enclosure ontnam veel boeren het recht op het gebruik van de gemeenschappelijke gronden, maar verhoogde de productiviteit in de landbouw.

De enclosures vonden een literaire weerslag in Thomas Mores Utopia.[1]

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Robert L. Heilbroner, The Worldly Philosophers, Simon & Schuster, 1999.

Noten[bewerken]

  1. Jo Nabuurs. Thomas More, Utopia (1516). Humanistische Canon. Humanistisch Verbond Geraadpleegd op 2017-04-23