Horigheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Horigheid beschrijft een maatschappelijke toestand. In de middeleeuwen, en ook daarvoor en daarna, waren horigen boeren of 'cijnsboeren' die aan hun land verbonden waren, zonder dit te bezitten, en met bepaalde verplichtingen aan de landbezitter.

Overzicht[bewerken]

De economieën van de Europese middeleeuwen waren georganiseerd rond een hiërarchische indeling van mensen en grondgebieden, die feodaliteit wordt genoemd. Binnen het feodale systeem waren de leden van een maatschappij ingedeeld in diverse groepen, die elk (in naam) rechten en plichten ten opzichte van zowel degenen boven hen, als degenen onder hen hadden. Bovenaan de ladder stonden adel en geestelijkheid; onderaan de diverse groepen boeren, onder wie de horigen en de lijfeigenen.

De horigen waren boeren die gebonden waren aan de grond die zij bebouwden en deze niet zonder toestemming mochten verlaten (glebae adstrictus = 'aan de aardkluit gebonden'[bron?]). Horigen waren geen eigenaar van hun grond en gebouwen, de zogenaamde horigenhoeven, maar ze hadden hierover bepaalde gebruiksrechten. In ruil daarvoor hadden ze verplichtingen die konden bestaan uit het afdragen van een deel van de oogst en het verlenen van herendiensten (hand-en-spandiensten). Doorgaans was de werkweek van de horige verdeeld in een (groter) deel waarin de horige voor eigen gebruik teelde, en een (kleiner) deel waarin hij voor de heer werkte.

De horigen konden verplicht zijn mee te vechten met hun heer als diens domein werd aangevallen. Van zijn kant had ook de heer verplichtingen tegenover zijn horigen, met name het verzekeren van rechtszekerheid en militaire bescherming, alsook een zekere sociale zekerheid. De relatie horige-heer kon niet eenzijdig worden opgezegd en ging in beginsel over van generatie op generatie.

In tegenstelling tot lijfeigenen konden horigen wel bezit hebben en overerven.

Ontwikkeling van horigheid[bewerken]

Ontstaan[bewerken]

Kleine vrije boeren zochten in de turbulente tijden van de vroege middeleeuwen bescherming bij een lokale potentaat. Afhankelijk van zijn macht werd de verhouding tussen de boer en de heer vastgelegd. Deze konden dus door tijd en plaats verschillen. Deze boeren werden uiteindelijk de horigen.

Een tweede groep die tot horigen konden worden gerekend waren boeren die van hun land elders waren verdreven door bijvoorbeeld invallende Germaanse troepen. Deze verdreven boeren moesten wel weer ergens een bestaan opbouwen en zochten (nu zonder land) bescherming bij een machtiger iemand. Deze kon natuurlijk zijn eigen voorwaarden stellen. Ze hadden niet zo heel veel tegenprestatie, behalve hun arbeid, terwijl daaraan nu juist geen gebrek was. Tot slot waren er nog de heren die een meer Romeins georiënteerde bedrijfsvoering (latifundia) hadden. Zij zetten sinds de late Oudheid hun slaven in om op het land te werken.

Met name uit deze laatste groepen konden ook de lijfeigenen ontstaan. Maar uiteraard konden lokale omstandigheden ook de eerste genoemde groep in het lijfeigenschap dwingen.

Verloop[bewerken]

Doordat horigen wel gezien werden als mensen met rechten konden horigen ook meer of minder rechten krijgen. Oorlogshandelingen, misoogsten of inkomensgebrek bij de heer konden steeds aanleiding zijn om de rechten en plichten bij te stellen.

Afschaffing[bewerken]

In West-Europa is de horigheid gaandeweg verdwenen, omdat steeds meer boeren rechten kregen, of omdat de horige en zijn heer overeenkwamen hun wederzijdse verplichtingen in geld uit te drukken. Dit gold uiteraard met name voor de verplichting een bepaald deel van de oogst af te staan. Een heer had soms meer aan geld; dan kon hij immers zelf beslissen waar hij zijn inkomsten aan uitgaf of hij had al schulden in geld. Deze constructie leidde ertoe dat er steeds meer nadruk kwam te liggen op geld, zodat dat de verhouding tussen de heer en zijn horigen ging bepalen en dus niet zoals voorheen de rechten en plichten.

In Frankrijk was de personele horigheid (servage personnel) - waarbij horigen aan hun land gebonden waren - verdwenen in de zestiende eeuw. De reële horigheid bleef bestaan, waarbij iemand horig genoemd werd door het verwerven van een stuk grond met daaraan verbonden verplichtingen, en in de onmogelijkheid de grond te verkopen of te laten erven (bij overlijden keerde de grond terug naar de eigenaar, wat mainmorte genoemd werd). Vanaf de zeventiende eeuw was de mainmorte in Frankrijk dode letter, behalve in de door Lodewijk XIV verworven nieuwe gebieden zoals de Franche-Comté, en was horigheid praktisch gezien vergelijkbaar met een pachtovereenkomst. De officiële afschaffing door Lodewijk XVI in 1779 was niet meer dan een formaliteit, hoewel de landeigenaars in de Franche-Comté het koninklijk decreet niet erkenden, omdat zij niet, zoals voorzien, schadeloos gesteld waren.

Na de Franse Revolutie werden de adellijke landgoederen aangeslagen en verkocht, en kwam een klasse van burger-eigenaars in de plaats van de adellijke heren en kerkelijke eigenaars. De "reële horigheid" (servage réel) werd in 1801 vervangen door het pachtrecht (louage d'ouvrage, later fermage genoemd), die praktisch gezien niet verschilde van de reële horigheid zoals onder het einde van het Ancien Régime.

Katerina van Taras Sjevtsjenko (olieverf, 1842) stelt een horige Oekraïense voor. De schilder was zelf horige van geboorte; pas in 1861 werd de horigheid bij wet afgeschaft.

Nieuwe horigheid[bewerken]

In Europa ten oosten van de Elbe tekende zich in de vroegmoderne tijd juist een omgekeerde ontwikkeling af: het ontstaan van de zogenoemde nieuwe horigheid waaraan de eerder vrije boeren van Rusland en Polen onderworpen werden. Hoewel horigheid in Rusland al sinds de elfde eeuw bestond, kwam deze eerst tot volle wasdom in de zeventiende eeuw en werd ze pas beëindigd in 1861.

Een verschil met de West-Europese horigheid was dat de nieuwe horigheid in Midden-Europa volledig geïntegreerd was in het vroege kapitalisme: onvrije boeren leverden hun overschotten aan hun heer, die deze verkocht op de internationale markt.[1] Door voorheen vrije boeren binnen hun machtsgebied te dwingen graan te verbouwen in ruil voor bescherming, verhoogden heren als de koning van Pruisen hun productie; ze konden dit doen doordat na de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) dit deel van Europa grotendeels verwoest was.

Tezelfdertijd ontstond in koloniaal Zuid-Amerika het haciëndasysteem, dat met de nieuwe horigheid vergelijkbaar is: ook dit berustte op een vorm van horigheid (peonage), maar was voor de koloniale machthebbers een middel om voor de markt te produceren.[1]

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b Immanuel Wallerstein (1978). Europese wereld-economie in de zestiende eeuw: het moderne wereld-systeem. Nieuwkoop: Heureka.

Beluister

(info)