Kapitalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Times Square in New York, een icoon van het kapitalisme.

Kapitalisme is een economisch systeem gebaseerd op investeringen van geld in de verwachting winst te maken. De productiemiddelen zijn meestal in privaat eigendom van een producent die daarbij veelal gebruikmaakt van loonarbeid om meerwaarde te creëren. Geld en kapitaalaccumulatie hebben hierbij de primaire rol overgenomen van de behoeftebevrediging in het economische proces. Hoewel niet aanwezig in elke vorm van kapitalisme, wordt de vrije markt veelal ook gezien als belangrijk kenmerk. Door de uiteenlopende ideeën die, vaak langs ideologische lijnen, in de tijd zijn ontwikkeld over wat het kapitalisme inhoudt, zijn deze kenmerken echter omstreden. Als gevolg wordt het begrip 'kapitalisme' als een essentially contested concept gezien.[1][2] Het begrip in zijn moderne betekenis is gebaseerd op wat Marx de kapitalistische productiewijze noemde.

Kapitalisme heeft zoals veel andere begrippen een ontwikkeling doorgemaakt, waarbij Sombart onderscheid maakte tussen het vroegkapitalisme vanaf halverwege de dertiende eeuw tot halverwege de achttiende eeuw, het hoogkapitalisme van ongeveer 1750 tot 1914 en het huidige laatkapitalisme.

Geschiedenis[bewerken]

Oorsprong[bewerken]

De Franse historicus Fernand Braudel bracht in zijn werk "Civilisation matérielle, économie et capitalisme" een uitgebreide studie naar de oorsprong van de termen kapitalist en kapitalisme. De oorspronkelijke betekenis in de 19de eeuw verwees volgens hem naar een politiek en economisch systeem waarbij het kapitaal eigendom is van enkelen. In die zin staat het kapitalisme lijnrecht tegenover de principes van een vrije markt, terwijl de twee vandaag dikwijls als synoniemen bekeken worden.

Individualisme[bewerken]

Het kapitalisme vindt haar oorsprong in het vroegmoderne West-Europa, waar het ontstond uit het feodale systeem in de Late Middeleeuwen. De arbeidsverdeling zette in deze periode steeds verder door, wat een proces van individualisering in gang zette, versterkt door de overgang van een agrarische naar een stedelijke samenleving.

Naast elkaar ontstonden het vroegkapitalisme en het mercantilisme. Gedurende de negentiende eeuw ontstond echter het inzicht dat vrijhandel zowel absolute als comparatieve voordelen bood en verminderde de invloed van het mercantilisme om plaats te maken voor economisch liberalisme. De vrijheid van het individu stond centraal, aangezien het nastreven van eigenbelang de motor van de welvaart van de hele samenleving zou zijn. Om deze vrijheid in economisch handelen te bereiken, moest de staat zich beperken tot de garantie daarvan en op het vlak van productie en handel een politiek voeren van laisser faire.

Markteconomie[bewerken]

Drie tot vier eeuwen na China ontstond in Europa een markteconomie. In tegenstelling tot in China had de staat daarbij geen dominerende rol door het ontbreken van een unitaire gezagsstructuur. Handelaren en bankiers konden in enkele stadstaten de macht zelfs naar zich toe trekken. Een proces van economische, sociale en technologische veranderingen zocht zijn weg naar waar het politieke klimaat het toeliet en waar zij niet gehinderd werden door kerkelijke of politieke overheden.

Op de aldus ontstane vrije markt werden vraag en aanbod op elkaar afgestemd door de marktwerking die volledig tot zijn recht komt bij de in de praktijk niet te bereiken volkomen concurrentie.

Ondernemingsgewijze productie[bewerken]

Een goede marktwerking is niet te bereiken met een centraal geleide economie. De ondernemingsgewijze productie is hiervoor beter geschikt. De ondernemer anticipeert daarbij op de toekomstige vraag. Door onderlinge concurrentie vindt daarna een selectieproces plaats waarbij ondernemingen die minder efficiënt werken het onderspit delven. Om competitief te blijven, zullen bedrijven moeten investeren in innovatie met als gevolg wat Schumpeter creatieve destructie noemde, het proces van innovatieve ontwikkeling waarbij oude technieken worden vervangen door nieuwe. Een zekere mate van regulering door de Overheid is nodig, om uitschakeling van concurrentie door kartelvorming tegen te gaan.

Industrialisatie[bewerken]

Philippe-Jacques de Loutherbourg, Coalbrookdale bij nacht, 1801.

Het kapitalistisch systeem nam eind achttiende eeuw een hoge vlucht in het Verenigd Koninkrijk toen de stoommachine was uitgevonden en de eerste gemechaniseerde fabrieken het daglicht zagen. Deze industriële revolutie zou zich in de loop van de negentiende eeuw over Europa verspreiden. Waar de koopman de centrale figuur was in het handelskapitalisme, werd dat nu de industrieel. Zij die gebruik konden maken van de combinatie van kapitalisme en industrialisatie hadden een belangrijk concurrentievoordeel. De omstandigheden in een aantal landen maakten het mogelijk om hierbij aansluiting te zoeken en na 1800 industrialiseerden ook België, Frankrijk en Duitsland zich zeer snel.

Voor vele andere landen gold dat echter niet en eeuwenoude ambachtelijke centra aan de andere kant van de wereld moesten plotseling concurreren met Britse producten. Dit bracht grote veranderingen in de wereldwijde economie, waarbij veel gebieden overschakelden op grondintensieve productie, daarbij soms gedwongen door de militaire macht van de Britten. Deze dominantie gaf hen ook de kans om vrijhandel af te dwingen na lange tijd vanuit het mercantilisme protectionistische maatregelen te hebben nagestreefd. Het bezit van productiemiddelen werd nog meer dan voorheen een bron van grote macht. De traditie van het socialisme was een reactie op de ongelijkheid tussen bezitters en niet-bezitters die van deze ontwikkeling het gevolg was. In dezelfde periodes vonden liberale staatkundige omwentelingen plaats.

Met name in de Sovjet-Unie (vanaf 1917) en in de Volksrepubliek China (vanaf 1949) werd geprobeerd een socialistische economie op te bouwen. In West-Europa poogde de sociaaldemocratie, minder rigoureus, de maatschappelijke gevolgen van radicaal kapitalisme bij te sturen.

Positieve en negatieve kritieken[bewerken]

Adam Smith

De waardering van het kapitalisme loopt sterk uiteen. Onder de voorstanders van het systeem vindt men van oudsher de liberalen, met voorop klassieke economen waaronder Adam Smith. Deze meende dat een kapitalistisch systeem met een zo vrij mogelijke markt de grootste welvaart zou opleveren.

De politieke filosofie van het libertarisme ziet het kapitalisme als het logische gevolg van vrijheid. De vrije markt, ofwel het kapitalisme, is volgens deze visie een systeem waarin alle relaties tussen mensen (zoals die tussen werkgever en werknemer; koper en verkoper) vrijwillig zijn. Kapitalisme bevordert daarmee het ideaal van menselijke vrijheid.

De gedachte dat het kapitalisme bittere armoede genereert bij arbeiders wordt bestreden door de stelling dat het kapitalisme en de industriële revolutie reeds vanaf het begin voor grotere welvaart zorgden voor arm en rijk. Aan de andere kant zijn er ook auteurs die betogen dat het kapitalisme wel tot grotere welvaart voor zowel de armen als de rijken heeft geleid, maar ook tot een grotere ongelijkheid tussen de kapitalistische Westerse wereld en de overige landen[bron?].

Nog een ander bezwaar tegen kapitalisme is dat het streven naar winst ten koste zou gaan van sociale rechten zoals het recht op sociale zekerheid en recht op medische zorg. Het ontslagrecht is een voorbeeld van wetgeving die haaks staat op het kapitalisme omdat de overheid beperkingen oplegt. Hiertegenover staat dat er ook niet-kapitalistische economen zijn die wijzen op de niet-bedoelde gevolgen van dergelijke wetgeving, zoals de verminderde kans voor bijvoorbeeld ouderen om aangenomen te worden. Een ander voorbeeld is het minimumloon dat, volgens kapitalisten, tot een grotere werkloosheid zorgt juist onder het onderste deel van de beroepsbevolking.

Een poster van de Industrial Workers of the World (1911)

Aan de andere kant, is er een breed scala aan bewegingen, ideeën en opvattingen tegen het kapitalisme gekant. Hieronder zijn ideologieën die het kapitalisme volledig willen vervangen door een ander systeem, bijvoorbeeld het communisme, maar er zijn ook bewegingen die zich alleen tegen bepaalde aspecten van het kapitalisme richten, zoals globalisme en vermeende zelfverrijking door directieleden en commissarissen van grote ondernemingen. Kapitalisten stellen hier tegenover dat het communisme overal waar het geprobeerd is gefaald heeft, vaak op gruwelijk wijze. Globale vrijhandel leidt volgens kapitalisten juist tot meer welvaart en vrijheid, in tegenstelling tot het alternatief, namelijk landen die hun eigen markt afschermen voor concurrentie uit het buitenland. Wat beloning van directieleden en commissarissen betreft, wijzen kapitalisten erop dat deze vergoedingen moreel zijn, zo lang ze maar op basis van vrijwilligheid overeengekomen worden. De consument, werknemer of aandeelhouder die de vergoedingen te hoog vindt, kan bovendien 'stemmen met zijn voeten'.

Volgens Karl Marx vormen de eigenaars van productiemiddelen een klasse, de kapitalisten. Een andere klasse, de arbeiders, moet zijn arbeidskracht verhuren aan die kapitalisten. Tot deze arbeiders wordt iedereen gerekend die in loondienst werkt. Dit leidt, volgens Marx, tot vervreemding van de arbeid en een onrechtvaardige machtsverhouding. Volgens zijn arbeidswaardeleer is er hierbij sprake van uitbuiting omdat de meerwaarde die wordt verkregen uit arbeid niet meer toekomt aan hen die de arbeid verrichten, maar aan slechts enkele vermogende kapitalisten.

Zie ook[bewerken]

Personen[bewerken]

Boeken[bewerken]

Kritiek op het kapitalisme in literatuur[bewerken]

Overig[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. The Radical Middle Class, Robert D. Johnston, Princeton University Press, 2003, ISBN 978-0691096681, p. 81.
  2. Capitalism, Robert Hessen in The Concise Encyclopedia of Economics, 2e editie