Meerwaarde (Marx)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fabrieksarbeidster, ca. 1914-1918.

Meerwaarde is de waarde die loonarbeid toevoegt aan de productie, boven de waarde die als loon wordt uitgekeerd. Het is een centraal begrip uit de economische theorie van Karl Marx.

Overzicht[bewerken]

Een kapitalistische onderneming zet in het productieproces een kapitaal C in dat bestaat uit constant kapitaal c en variabel kapitaal v; C = c + v. Constant kapitaal c bestaat uit de kosten van grondstoffen, de afschrijving op gebruikte gereedschappen en dergelijke. Het variabele kapitaal v bestaat uit de kosten van arbeidskracht, uitgedrukt in loon.[1] Aan het eind van een succesvol productieproces heeft de onderneming een groter kapitaal C' = c + v + m, waarbij m de meerwaarde is.[2] De meerwaarde kan dan op de markt gerealiseerd worden als winst.

Marx gaat in het eerste deel van Das Kapital uit van een perfecte markt in evenwicht.[3] In die situatie stelt hij de waarde van arbeidskracht v gelijk aan de waarde van de goederen die de arbeider nodig heeft om de arbeidskracht te reproduceren. Hierin zijn levensonderhoud en onderwijskosten voor de kinderen meegenomen, aangezien de arbeidskracht ook in de volgende generatie gereproduceerd moet worden.

Aangezien volgens Marx alleen arbeid waarde schept, volgt dat de meerwaarde m uit de productiefactor arbeidskracht moet voortkomen. Als ingezette arbeidskracht gemeten wordt als de tijd die besteed wordt aan de productie, komt de meerwaarde m voort uit extra arbeidstijd. De meerwaarde wordt echter toegeëigend door de kapitalist. De mate waarin de toe-eigening plaatsvindt is de meerwaardevoet m/v, ook wel de uitbuitingsgraad genoemd. Bij een meerwaardevoet van 100% werkt de arbeider de helft van de dag voor zichzelf, de andere helft voor de kapitalist.[2]

Absolute en relatieve meerwaarde[bewerken]

Ontwikkeling van de reële lonen (rood) afgezet tegen de productiviteit (oranje) in de Verenigde Staten, 1947-2008.

Met het concept meerwaarde in de hand kan de werkdag verdeeld worden in twee stukken, één waarin de loonarbeider gedurende de noodzakelijke arbeid zijn eigen loonkosten terugverdient, en één waarin hij meerwaarde produceert. Dit leidt tot diverse strategieën voor de kapitalist om de meerwaardevoet te verhogen. De eerste is de productie van absolute meerwaarde: het verlengen van de werkdag. Aangezien er niet meer dan vierentwintig uur in een dag zitten, arbeiders niet de klok rond kunnen werken, en klassenstrijd omtrent de werkdag al vroeg tot arbeidstijdverkorting had geleid (in Engeland werd voor minderjarigen een twaalfurige werkdag ingevoerd in 1833), moet de kapitalist op zoek gaan naar relatieve meerwaarde. Dit kan plaatsvinden door de productiviteit te verhogen, of door de kosten van levensonderhoud van de arbeider te verlagen. Van dit laatste geeft Marx zelf het voorbeeld van de afschaffing van de Graanwetten, om de prijs van brood te drukken. David Harvey geeft een moderner voorbeeld: de import in de VS van goedkope goederen uit China om de Amerikaanse werkenden goedkoop levensonderhoud te verschaffen zonder de lonen te verhogen.[3]

Noten[bewerken]

  1. De termen constant en variabel kapitaal duiden aan dat de waarde in het constante kapitaal een-op-een overgebracht wordt op het product, terwijl het variabele kapitaal de meerwaarde schept.
  2. a b Marx, K., Das Kapital: Kritik der Politischen Ökonomie, Erster Band, Dietz Verlag, 1969, p. 226 e.v..
  3. a b Harvey, D.W., A Companion to Marx's Capital, Verso, 2010, pp. 61, 164-165.