Rendement (beleggen)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Rendement in economische zin of binnen de beleggingswereld is de opbrengst van een investering of belegging. Deze opbrengst kan worden uitgedrukt in geld of als een percentage van het beginvermogen. Het rendement kan over iedere tijdseenheid worden berekend, maar is meestal een jaar.

Simpel rekenvoorbeeld[bewerken]

Indien men op 1 januari begint met een vermogen van € 1000, en op 1 januari daaropvolgend € 1050 bezit, is het rendement € 50 of 5%: (1050 - 1000) / 1000 = 1,05 - 1 = 0,05. Dit veronderstelt een gelijkmatige toename van de waarde van het vermogen over die periode, zonder dat er sprake is geweest van tussentijdse toevoegingen of onttrekkingen aan dat vermogen. Een positief rendement is een cijfer boven de 1, bij 8% is dat 1,08, en bij een negatief rendement een cijfer kleiner dan 1, bij –3% is dat 0,97. Als er vier kwartalen zijn met een rendement van achtereenvolgens 1,08 x 0,97 x 1,16 x 0,85 = 1,0329, dan volgt hieruit een rendement van 3,29% over een jaar.

Mogelijke problemen[bewerken]

Wisselende rendementen[bewerken]

Een probleem kan ontstaan als sprake is van sterk wisselende rendementen in opeenvolgende perioden. Stel dat er over het eerste jaar een rendement is behaald van 50%, doordat € 1000 is aangegroeid tot € 1500, en over het tweede jaar een rendement is behaald van -50%, zodat het vermogen is gedaald van € 1500 tot € 750. Is het dan juist om te zeggen dat het rendement over die twee jaar 0% bedraagt, te weten de som van +50% en -50%? Weinig opdrachtgevers zullen deze stelling onderschrijven: zij constateren immers dat hun vermogen is afgenomen van € 1000 tot € 750. De correcte benadering is: 1,50 * 0,50 - 1 = 0,75 - 1, ofwel een rendement van -25%. Dit staat bekend als de geometrisch gemiddelde.

Deze laatste methode kan tevens gebruikt worden om het rendement over een langere periode terug te brengen tot een gemiddeld rendement over een kortere periode. Indien € 1000 na 4 jaar is aangegroeid tot € 1250, is de meetkundig gemiddelde te berekenen als (1,251/4 - 1) * 100 = (1,0574 - 1) * 100 = 5,74% per jaar. Op dezelfde wijze kan een rendement over een kortere periode dan één jaar worden geëxtrapoleerd naar een rendement op jaarbasis.

Stortingen / onttrekkingen[bewerken]

Deze methode biedt echter geen oplossing voor de situatie waarbij tussentijds onttrekkingen of toevoegingen plaatsvinden. Indien in het hierboven genoemde voorbeeld de opdrachtgever, bijvoorbeeld op basis van hoge rendement over het eerste jaar, besluit om extra vermogen toe te vertrouwen, dan zal de afname van dat vermogen in het tweede jaar versterkt doorwerken in het totale rendement. De beslissing om tot die extra belegging over te gaan is van de opdrachtgever en kan de vermogensbeheerder niet worden aangerekend. In de rapportages zal daarom worden geabstraheerd van die toevoegingen en onttrekkingen, en wordt het rendement berekend exclusief die mutaties.

Rapportage[bewerken]

In veel gevallen worden in het vermogensbeheer rendementen maandelijks of driemaandelijks gemeten en gerapporteerd, en worden rendementen over langere perioden op de hierboven beschreven wijze 'samengesteld'.

De exacte bepaling van het rendement pleegt op een groot aantal operationele problemen te stuiten, vaak voortvloeiend uit de omstandigheid dat inkomsten en uitgaven op verschillende tijdstippen in een beschouwde periode plaatsvinden, of uit problemen rond het aan perioden of tijdstippen moeten 'toewijzen' van inkomsten en uitgaven.

Het nauwkeurig bepalen van het rendement is van groot belang voor het antwoord op de vraag of de vermogensbeheerder het beter of slechter gedaan heeft dan zijn benchmark. In de bedrijfstak worden rendementen bepaald tot op twee cijfers achter de komma, dus 0,01%. Die eenheid wordt aangeduid als basispunt.

Zie ook[bewerken]