Vrucht (Belgisch recht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een vrucht (Frans: fruit; Duits: Frücht) is rechtsfiguur in het Belgisch recht, en meer bepaald in goederenrecht en het familiaal vermogensrecht, twee takken van het Belgisch burgerlijk recht.

Naar Belgisch recht zijn er drie soorten vruchten: natuurlijke vruchten, vruchten van nijverheid en burgerlijke vruchten.

  • Natuurlijke vruchten (les fruits naturels; natürliche Früchte) zijn die dewelke de aarde uit zichzelf voortbrengt, of die voortbrengsels zijn van dieren en hun jongen (art. 583, eerste lid BW)
  • Vruchten van nijverheid (les fruits industriels; erarbeitete Früchte) zijn die welke men door bebouwing verkrijgt (art. 583, tweede lid BW).
  • Burgerlijke vruchten (les fruits civils; Zivilfrüchte) zijn huishuren, interesten van opeisbare geldsommen, rentetermijnen en pachten van landerijen (art. 584 BW).

In het goederenrecht[bewerken | brontekst bewerken]

Vruchten vinden vooral hun relevantie in het zakelijk recht van het vruchtgebruik. Een vruchtgebruiker heeft immers recht op het genot van alle soorten vruchten die door de zaak waarvan hij het vruchtgebruik heeft, kunnen worden voortgebracht (art. 582 BW).

Samen met de jongen van de dieren behoren de vruchten in beginsel toe aan de eigenaar van de hoofdzaak door het recht van natrekking (art. 547 BW). Men kan hieraan remediëren door middel van zakelijke rechten. Zo komen bijvoorbeeld de appels toe aan de eigenaar van de grond waarop de appelboom staat. Is dat stuk grond echter in vruchtgebruik gegeven, dan komen de appels toe aan de vruchtgebruiker en niet aan de eigenaar (art. 582 BW).

In het familiaal vermogensrecht[bewerken | brontekst bewerken]

Ook in het familiaal vermogensrecht zijn er bepalingen in verband met de vruchten terug te vinden.

Een onwaardige erfgenaam moet alle vruchten teruggeven die hij sinds het openvallen van de nalatenschap zou hebben genoten (art. 729, tweede lid BW).

Bij het bepalen van de erfrechtelijke inbrengen door de erfgenamen, hoeft een erfgenaam geen vruchten in te brengen die voortkwamen uit een geschonken goed dat wordt ingebracht (art. 858, §3, eerste lid BW).

Als een schenking herroepen wordt, is het een plicht van de begunstigde om niet alleen het betrokken goed zelf terug te geven, maar ook alle vruchten die eruit voortkwamen, te rekenen vanaf de dag van het instellen van de vordering tot herroeping (art. 958, tweede lid BW).