Vruchtgebruik

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het recht van vruchtgebruik (Frans: usufruit) is een zakelijk recht om gebruik te maken van goederen die eigendom zijn van iemand anders en daarvan de vruchten te genieten. Het recht bestond al in het klassieke Romeinse recht, en had de bedoeling om enerzijds goederen in de familie te houden maar anderzijds derden gedurende een periode de vruchten ervan te laten genieten.

Het recht van vruchtgebruik is een zakelijk recht, dat wil zeggen een recht dat kan worden gevestigd op een goed. Over het algemeen wordt een dergelijk recht gevestigd op een onroerende zaak (in Nederland) of een onroerend goed (in België).

Degene die het recht van vruchtgebruik heeft wordt vruchtgebruiker genoemd. Degene die eigenaar is van een zaak die belast is met het recht van vruchtgebruik wordt blote eigenaar genoemd.

Een speciaal recht van vruchtgebruik is het zakelijk recht van bewoning, dat specifiek geldt voor een woning. Degene die het recht van bewoning heeft mag een onroerende zaak met zijn gezin bewonen.

Vruchtgebruik kan zich voordoen bij het erfrecht, bijvoorbeeld als een kind iets van een overleden ouder erft, maar de overgebleven ouder het vruchtgebruik krijgt/houdt. Ook kan men iets verkopen, maar daarbij vruchtgebruik bedingen, zodat men de vruchten blijft ontvangen, bijvoorbeeld de zaak kan blijven gebruiken. De verkoopprijs is dan wel lager.

België[bewerken]

Het Burgerlijk Wetboek definieert vruchtgebruik als "het recht om van een zaak waarvan een ander de eigendom heeft, het genot te hebben, zoals de eigenaar zelf, maar onder verplichting om de zaak zelf in stand te houden" (art. 578 BW). In België kan vruchtgebruik worden gevestigd op zowel onroerende goederen als op een roerend goederen (art. 481 BW) en zelfs op verbruikbare goederen (goederen die tenietgaan door het eerste gebruik) (art. 587 BW). Dat vruchtgebruik noemt men oneigenlijk vruchtgebruik of quasi-vruchtgebruik.

Het Belgisch recht kent drie soorten vruchten: natuurlijke vruchten, vruchten van nijverheid en burgerlijke vruchten.

Titels die voorzien in een onroerend vruchtgebruik moeten worden overgeschreven op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (art. 1 Hypotheekwet van 16 december 1851 (Hyp.W.)).

In het Belgische erfrecht zijn de aanspraken van de langstlevende echtgenoot of langstlevende wettelijk samenwonende partner in beginsel opgesteld in vruchtgebruik.

De onroerende voorheffing valt ten laste van de vruchtgebruiker.

Nederland[bewerken]

Vruchtgebruik kan niet worden gevestigd voor langer dan het leven van de vruchtgebruiker. Is de vruchtgebruiker een rechtspersoon, dan eindigt het vruchtgebruik door ontbinding van de rechtspersoon, in ieder geval 30 jaar na de dag van vestiging. Uit het verleden bestaan er wel uitzonderingen. Zo hebben waterschappen voor percelen het (vermoedelijk eeuwigdurend) recht van vruchtgebruik verleend. Overdracht van een dergelijk vruchtgebruik is via de notaris en inschrijving in het kadaster mogelijk.

In Nederland wordt een vruchtgebruik op een onroerende zaak (of ander registergoed) gevestigd door de inschrijving van een notariële akte in de openbare registers.

In Nederland is het de vruchtgebruiker die belastingplichtig is voor de onroerendezaakbelasting voor het eigendom en voor de waterschapsbelastingen die van de eigenaar worden geheven.

Zie ook[bewerken]