Fideï-commis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een Fideï-commis, ook fideï-commissaire substitutie of erfstelling over de hand is een goed of beschikking waarvan in een testament is vastgelegd dat daarover niet in een volgend testament kan worden beschikt, maar dat het een aangewezen erfgenaam moet toevallen. Men noemt zowel de beschikking als het goed waarover is beschikt wel fideï-commis. De bezitter, men kan niet van een eigenaar spreken, is de fideï-commissaris.

In het Nederlands burgerlijk recht mag men niet "over het graf regeren" en is alleen een fideï-commis de residuo toegestaan. Dat is een legaat waarover de verkrijger vrij kan beschikken, maar waarvan de restanten na de dood van de fideï-commissaris moeten worden nagelaten aan een door de originele erflater aangewezen begunstigde natuurlijke of rechtspersoon.

De fideï-commisgoederen speelden een grote rol in de geschiedenissen van adellijke families. Door een fideï-commis te vestigen kon men bewerkstelligen dat het stamslot of een bepaald vermogensbestanddeel niet kon worden vervreemd of zou worden geërfd door een getrouwde dochter en in de hand van een ander geslacht zou komen.

Bijzondere bepalingen in de fideï-commissaire beschikkingen konden inhouden dat men:

  • het goed niet mocht verpanden,
  • een bepaalde godsdienst moest aanhangen,
  • het goed en de daaruit voortvloeiende inkomsten binnen de kring van de erfgenamen steeds aan de oudste dochter of zuster van het hoofd van de familie in bezit moest geven.
  • de fideï-commissaris niet beneden zijn stand of buiten zijn religie mocht huwen.
  • niets uit het fideï-commis mocht verkopen.

Door de fideï-commissariaten, ook majoraten of majoraatsgoederen genoemd, bleef het bezit van een adellijke familie intact. Ook losbollen konden het familiebezit niet verkwanselen en de bezittingen waren niet vatbaar voor beslaglegging, hypotheek en onderpand.

In veel Europese landen hebben de fideï-commissariaten een grote rol gespeeld. Ze bestonden in Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Rusland. In Engeland en Schotland bestaan zij nog steeds. Daar maakt het fideï-commis mogelijk dat alleen de oudste zoon van een edelman erft en de echtgenote en de jongere kinderen niet erven. Vaak zijn bij Britse adellijke families het landgoed en het kasteel, het juwelenbezit en een deel van de historische verzamelingen een fideï-commis.

De Nederlander Willem Gustaaf Frederik graaf Bentinck (1762-1835) trouwde met een boerendochter. Zo konden zijn kinderen de Duitse bezittingen, de heerlijkheid In en Kniphausen niet erven. De rechtsstrijd die daaruit voorkwam wordt de "Bentinckse Erbfolgestreit" genoemd.

De Duitse republiek maakte in 1918 een einde aan de fideï-commis en aan de regels die bepaalden dat sommige huwelijken niet ebenbürtig zouden zijn waardoor de echtgenote en de uit het huwelijk geboren kinderen niet zouden kunnen erven. Deze bepaling had ook in het Duitse recht een plaats gekregen waardoor al het adellijk bezit, tenminste dat van de hoge adel tot 1918 en dat van de lagere adel tot 1854 in Pruisen, binnen de kring van de adel vererfde.
Het opheffen van de fideï-commissariaten heeft veel moeilijkheden opgeleverd; wie zouden nu de erfgenamen zijn? Speciale rechtbanken hebben zich over deze vraag moeten buigen.

Het einde van de fideï-commissariaten betekende ook dat het kunstbezit dat families in de loop van eeuwen hadden bijeengebracht nu kon worden verkocht. Op de achterzijde van de schilderijen die de Welfen in de eerste jaren van de 21e eeuw op veilingen verkochten hangt vaak nog een etiket met de tekst "Fidéicommis Herrenhausen". Ook de andere Duitse vorsten verkochten kostbare schilderijen, sieraden, boeken en grond uit de fideï-commissariaten. In Nederland hebben de koningen gepoogd om versnippering van het juwelenbezit van het Huis Oranje-Nassau te voorkomen door te bepalen dat bepaalde sieraden de "huisdiamanten" of "kroonjuwelen" zouden zijn. Koningin Anna Paulowna liet vastleggen dat de juwelen die zij haar oudste zoon naliet "kroonjuwelen" zouden zijn en alleen door de Nederlandse koningin mochten worden gedragen.Omdat dergelijke bepalingen in strijd zijn met het Nederlandse burgerlijk recht droeg Koningin Juliana in 1967 een deel van haar sieraden over aan de Stichting Kroongoederen van het Huis van Oranje-Nassau. Men zou deze oplossing, zij wordt ook wel gekozen voor ander bezit dat men bij elkaar wil houden zoals landgoederen of historische verzamelingen, een moderne vorm van het fideï-commis kunnen noemen.