Klassieke economie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Klassieke economie wordt algemeen beschouwd als de eerste moderne school binnen de geschiedenis van het economisch denken. De klassieke economie gaat ervan uit dat vrije markten zichzelf kunnen reguleren. Haar belangrijkste vertegenwoordigers waren Adam Smith, Jean-Baptiste Say, David Ricardo, Thomas Malthus, Jeremy Bentham en John Stuart Mill. Volgens velen vallen ook William Petty, Johann Heinrich von Thünen en Karl Marx binnen de klassieke economie.

Adam Smiths The Wealth of Nations uit 1776 wordt doorgaans als het startpunt van de klassieke economie beschouwd. De klassieke school was tot na het midden van de 19e eeuw actief en werd in Groot-Brittannië rond 1870 opgevolgd door de neoklassieke theorie, in Duitsland en Oostenrijk door respectievelijk de Historische- en de Oostenrijkse school.

Klassieke economen zijn er gedeeltelijk in geslaagd om economische groei en ontwikkeling te verklaren. De klassieke economie heeft tijdgenoten een begripskader geboden waarbinnen zij de ontwikkelingen om zich heen konden begrijpen gedurende een lange periode waarin het kapitalisme geleidelijk aan tevoorschijn kwam uit een vervagende feodale samenleving, een periode waarin de industriële revolutie over een perspectief van een generatie tot grote veranderingen in de samenleving leidde. Deze veranderingen deden de vraag rijzen hoe een samenleving georganiseerd kon worden rondom een systeem waarin elk individu zijn of haar eigen (geldelijke) gewin zocht.

De klassieke economen heroriënteerden de economie weg van de analyse het persoonlijk belang van de souverein naar een analyse op basis van klassebelangen. De fysiocraat François Quesnay en Adam Smith stelden bijvoorbeeld dat de rijkdom van een natie gelijk is aan haar jaarlijks nationaal inkomen en niet zoals eerder gedacht aan de inhoud van de schatkist van de koning. Smith zag het nationaal inkomen als geproduceerd door arbeid waarbij gebruikgemaakt van grond en kapitaalgoederen. Zodra grondbezit en kapitaalgoederen in het bezit zijn van individuen wordt het nationaal inkomen verdeeld tussen arbeiders, landheren en kapitalisten in de vorm van lonen, pachten en rentes.

Literatuur[bewerken]

  • Samuel Hollander - Classical Economics (Klassieke economie) (Oxford: Blackwell, 1987)

Zie ook[bewerken]