Arbeidswaardetheorie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraag en aanbodkrommen in termen van arbeidswaarde.[1]

Arbeidswaardetheorieën zijn economische waardetheorieën die het tot stand komen van waarde in warenproductie verklaren in termen van de arbeid die bij deze productie gemoeid is.

Sinds de twintigste eeuw wordt het begrip arbeidswaardeleer meestal met de marxistische economie geassocieerd, terwijl de moderne hoofdstroom van de economie de arbeidswaardeleer heeft vervangen door de grensnutaanpak.[2]

Smith en Ricardo[bewerken]

Een voorloper van de arbeidswaardetheorie is al te vinden bij John Locke, die stelt dat dat wie zijn arbeid (of die van zijn knecht) "vermengt" met de grond, eigendom over zowel de grond als de vruchten van arbeid verkrijgt. Dit is echter een theorie van de eigendom, niet van het economische waardebegrip.

"Als bijvoorbeeld bij een jagersvolk het gewoonlijk twee keer zoveel werk kost om een bever te doden, als het doden van een hert kost, dan ruilt men een bever natuurlijk voor twee herten of is de bever twee herten waard. Het is natuurlijk dat wat gewoonlijk de opbrengst van twee dagen of twee uur werk is, twee keer zoveel waard moet zijn als wat gewoonlijk de opbrengst van één dag of één uur werk is." Adam Smith, The Wealth of Nations, hoofdstuk 6.

De arbeidswaardetheorie zelf vindt een vroege uitdrukking bij Adam Smith, die in zijn Wealth of Nations probeerde te verklaren waarom diamant een hogere waarde heeft dan water, terwijl water toch duidelijk nuttiger is dan diamant (de klassieke waardeparadox). Smith verdeelde waarde in twee delen, gebruikswaarde en ruilwaarde. Gebruikswaarde is subjectief en niet meetbaar. Ruilwaarde, daarentegen, wordt gemeten in geld maar verklaard door arbeid: diamant is meer waard dan water als het meer moeite kost om diamant uit de grond te halen dan om water te vinden. De werkelijke waarde van een goed moet dus worden gemeten in arbeidstijd, na een correctie voor het feit dat geschoolde arbeid waardevoller is dan ongeschoolde. Omdat arbeidstijd niet goed meetbaar is en geld in waarde fluctueert, stelt Smith graan voor als betere waardemaatstaf. Dit basisvoedsel van de arbeider, stelt hij, kent een prijs die constant genoeg is voor dit doeleinde.

Een verdere ontwikkeling van de arbeidswaardetheorie is te vinden bij David Ricardo. Ricardo haakte aan bij Smith, na op te merken op dat er twee verklaringen voor waarde zijn, schaarste en arbeidstijd. Hiermee verdeelt hij de waren in twee categorieën: die waarvan de waarde door schaarste bepaald wordt (kunstwerken, zeldzame munten, wijn van uitzonderlijk goede grond) en de overgrote meerderheid van industrieel reproduceerbare waren, waarop door concurrentie de waardebepaling door arbeid van toepassing is.

Net als Smith merkt Ricardo op dat geld in waarde fluctueert, maar hetzelfde ziet hij gebeuren met graan, dat in waarde daalt door verbeteringen in de landbouw: als de landbouw productiever wordt, is immers minder arbeid nodig om het te verbouwen. Gevolg is dat het voor Ricardo noodzakelijk is om te zeggen dat de waarde van arbeid zelf verandert, als graan goedkoper te produceren of importeren wordt, terwijl voor Smith de waarde van alle andere waren zou zijn gestegen.[3]

Marx[bewerken]

Karl Marx neemt Ricardo's theorie als uitgangspunt en bouwt deze verder uit.[4] Hij maakt echter een onderscheid tussen waarde en prijs: waarde is de hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die benodigd is om een product te vervaardigen, prijs slechts een afspiegeling hiervan in geldtermen. Hiermee zijn twee aspecten van de arbeid bedoeld. Ten eerste moet het geleverde product een gebruikswaarde hebben voor ten minste één afnemer.[5] Ten tweede betekent "maatschappelijk noodzakelijk" dat de arbeidstijd die in de productie gaat zitten, gemeten moet worden in termen van de tijd die een gemiddelde producent (arbeider) nodig heeft om een waar te vervaardigen bij de huidige stand van techniek, opleiding en intensiteit.[6] Zonder deze voorwaarde zou bijvoorbeeld een meer dan gemiddeld snelle meubelproducent, die in een uur een tafel kan maken, minder waarde produceren dan een langzame die over dezelfde tafel twee uur doet.

Net als Ricardo gaat Marx ervan uit dat arbeid zelf een waarde heeft, die bepaald is als de waarde van de goederen die de arbeider nodig heeft om een gezin in leven te houden. Deze waarde gaat het productieproces in, evenals de waarde van de al geproduceerde grondstoffen en kapitaalgoederen, om zo de waarde van het product te bepalen.

Abstracte arbeid[bewerken]

Marx' categorie waarde is gestoeld op het idee van abstracte arbeid: arbeid die losgezongen is van de vaardigheid om, met specifieke vaardigheden, specifieke gebruikswaarden te produceren. Deze abstracte arbeid is wat verhandeld wordt op de arbeidsmarkt, en wordt mogelijk gemaakt door enerzijds het bestaan van een klasse van arbeiders die geen land hebben om eigen voedsel te verbouwen, anderzijds de industrialisering, die de vaardigheden van warenproducenten in machines vat en ze vervangt door het vermogen om simpele handelingen op de machines te verrichten. Waarde is daarmee een begrip dat alleen van toepassing is in de analyse van industriële, kapitalistische samenleving; het begrip heeft niet, zoals voor Adam Smith, een universele en eeuwige geldigheid.

Meerwaarde[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Meerwaarde (Marx) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In een kapitalistische economie komt waarde tot stand door arbeid, het actieve element in het productieproces. Bij Marx is het onderscheid tussen arbeid en arbeidskracht cruciaal om te begrijpen hoe dit werkt. De kapitalist koopt op de arbeidsmarkt arbeidskracht, het vermogen van een arbeider om gedurende een dag arbeid te verrichten.[7] Hoe veel arbeid deze arbeidskracht verricht, is echter afhankelijk van de lengte van de werkdag, de intensiteit van de arbeid en de productiviteit, die voorkomt uit de stand van techniek. Het gevolg is dat de arbeider een deel van de dag bezig is de waarde van de verkochte arbeidskracht voor de kapitalist terug te verdienen. De rest van de dag levert hij meerarbeid, die de bron is van meerwaarde. Arbeid voegt dus waarde toe aan het product, die voor kapitalist winst oplevert en voor de economie als geheel, groei.

Arbeid is tevens de enige bron van deze meerwaarde.[8] Grondstoffen en machines hebben waarde, maar scheppen geen waarde; hun waarde wordt slechts door arbeid overgedragen (deze overdracht vindt een boekhoudkundige uitdrukking in de afschrijving). Voor Marx zijn dergelijke kapitaalgoederen ("constant kapitaal") vormen van dode arbeid. Het idee dat machines zelf waarde scheppen is in deze visie een vorm van fetisjisme, het toekennen van menselijke eigenschappen aan levenloze voorwerpen.[9]

"Geld als waardemeter is de noodzakelijke verschijningsvorm van de innerlijke waardemaat van de waren: de arbeidstijd" (Het Kapitaal I, hoofdstuk 3).

Prijs en waarde[bewerken]

De prijzen van waren (geldbedragen) zijn bij Marx afspiegelingen van hun waarde (arbeidstijd): geld is de waarde-vorm, niet de waarde zelf. De koppeling tussen beide maakt hij in Het Kapitaal I met hij een simpel model van prijsvorming door middel van een gouden standaard: als geld een bepaalde hoeveelheid goud vertegenwoordigt, dan vertegenwoordigt het de arbeidstijd die nodig is om die hoeveelheid goud uit de grond te halen. In Het Kapitaal I en II geldt bovendien de aanname dat tussen waarde en (natuurlijke) prijs een eenvoudig verband bestaat; pas in deel III maakt dit verband plaats voor een ingewikkelder transformatie die rekening houdt met de verdeling van meerwaarde als winst die onder druk van concurrentie plaatsvindt.

Bovendien vertegenwoordigen niet alle prijzen een waarde. De uitzonderingen zijn van tweeërlei aard:

  1. Er bestaan goederen die een prijs (ruilwaarde) hebben, maar niet het product zijn van arbeid. In het oog springende voorbeelden zijn onbebouwde grond, waarvan de prijs afhangt van externaliteiten; en krediet, die een prijs heeft in de vorm van rente.
  2. Er bestaan goederen die wel het product van arbeid zijn, maar waarvan de waarde onafhankelijk is van de arbeidstijd. Kunstwerken zijn hier voorbeelden van.

De uitzonderingen onder (1) worden door Marx behandeld in Het Kapitaal III; met name verklaart hij rente enkel uit vraag en aanbod. Die onder (2) vallen simpelweg buiten de theorie: de arbeidswaardeleer verklaart de waarde van in massa geproduceerde goederen, niet die van unieke kunstvoorwerpen.[10]

Een derde categorie uitzonderingen die wel genoemd wordt, vormen de diensten. Deze zijn echter geen probleem voor de theorie, indien men diensten opvat als waren die gelijktijdig geproduceerd en geconsumeerd worden.[11]

David Ricardo (portret uit 1821). Veel van de discussie omtrent Marx' waardetheorie draait om de vraag in hoeverre Marx met Ricardo meeging: maakte Marx een correctie op Ricardo, of had hij een substantieel andere opvatting?

Marx vs. Ricardo[bewerken]

Van Marx' waardewet bestaan ruwweg twee interpretaties. De traditionele lezing, die in de negentiende en twintigste eeuw door zowel de meeste marxisten als de critici van Marx werd aangehangen, luidt dat Marx de theorie van Ricardo overnam en daar slechts correcties in aanbracht. De waardetheorie is dan vrijwel gelijk aan Ricardo's productiekostentheorie en Marx kan gerekend worden tot de klassieke economen; hij trekt vooral andere conclusies uit de arbeidswaardeleer. Net als bij Ricardo hecht de waarde zich bij Marx als het ware aan de waar: als een meubelmaker in een uur een tafel maakt, dan heeft achteraf de stoel de onzichtbare eigenschap 'waarde: één uur arbeidstijd'.[12] De notie van maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd wordt dan vooral een correctie voor de stand van technologie: snelle producenten krijgen een bonus, langzame een malus.

Tegenover deze traditionele opvatting staat een modernere lezing, waarin de nadruk ligt op het onderscheid dat Marx maakt tussen concrete en abstracte arbeid, en op zijn geldtheorie. Concrete arbeid is de fysieke of mentale inspanning tijdens een specifiek arbeidsproces, is meetbaar met een klok, en produceert specifieke gebruikswaarden. Abstracte arbeid is arbeidstijd in verhouding tot de totale maatschappelijke arbeid en produceert waarde, die opnieuw alleen bestaat als verhouding, ditmaal tot het totale maatschappelijke product. Het begrip maatschappelijk noodzakelijk houdt dan ook in, dat de geproduceerde waar een maatschappelijke noodzaak (effectieve vraag) vervult en dat de waar verkocht wordt op de markt, die in de waardeverhoudingen bemiddelt. Blijkt de waar onverkoopbaar, dan is hij met terugwerkende kracht waardeloos.[13]

Aangezien abstracte arbeid niet direct meetbaar is, moet er een waardemeter voor worden ingesteld; dit is de rol van het geld. Het grote verschil tussen Marx en de klassieke economen is in de tweede lezing, dat geld bij Marx een noodzakelijke voorwaarde is voor het bestaan de markteconomie, waaruit het begrip kapitaal (waarde op zoek naar meerwaarde) logisch voortvloeit. Bij de klassieke economen is geld een neutraal, exogeen hulpmiddel dat ruilhandel vergemakkelijkt, zonder de aard van economie en maatschappij wezenlijk te veranderen.[14]

Na Marx[bewerken]

De arbeidswaardetheorie is onder latere economen uit de gratie geraakt: in de neoklassieke economie (vanaf ca. 1870) maakte ze plaats voor de grensnutaanpak. Binnen het marxisme probeerden de analytisch-marxisten (jaren 1980-) aansluiting te vinden bij hun tijdgenoten door de marxistische economie ook op de grensnutaanpak te baseren. De autonome (post-)marxisten Hardt en Negri stellen dat de arbeidswaardeleer niet meer zou werken in een hedendaagse economie, waarin de grens tussen werktijd en vrije tijd vooral in de immateriële productie zozeer zou vervagen dat arbeidstijd vrijwel onmeetbaar wordt.[15]

Politieke consequenties[bewerken]

Zowel Ricardo als Marx trokken politieke conclusies uit de arbeidswaardeleer. Als arbeid de enige manier is om waarde te produceren, dan treedt een verdelingsvraagstuk op: komt de geproduceerde waarde toe aan degene die de arbeid levert of aan degene die daartoe opdracht geeft? Ricardo onderscheidde in de vroeg-kapitalistische maatschappij die hij om zich heen zich een verdeling in drie klassen, de werkenden, de grondeigenaren en de industriëlen, die streden om de geproduceerde winst. Ricardo, een liberaal, beschouwde de klassenmaatschappij als een natuurverschijnsel. Hij trok partij voor de industriëlen in hun strijd tegen de grondeigenaren en pleitte tegen de Britse graanwetten. Intrekking van deze importheffing zou de kosten van levensonderhoud van de werkenden omlaag brengen, zodat de lonen omlaag konden en de industriëlen hun winsten zouden zien stijgen.[16]

Marx, daarentegen, koos partij voor de werkenden. In zijn visie is het opstrijken van winst een vorm van onteigening van de arbeiders door de grondeigenaren en de industriëlen (tezamen de kapitalisten). Ook hij behandelt de intrekking van de graanwetten, maar beschouwde deze als een manier voor de Britse kapitalisten om de uitbuiting van arbeid in stand te houden, zonder verlenging van de arbeidsdag.

Concurrerende theorieën[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Externe link[bewerken]