Arbeidswaardetheorie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraag en aanbodkrommen in termen van arbeidswaarde.[1]

Arbeidswaardetheorieën zijn economische waardetheorieën volgens dewelke de waarden van waren bepaald worden door de arbeid die nodig is om deze waren te produceren en dat deze de prijs bij marktevenwicht bepaalt.

Sinds de twintigste eeuw wordt het begrip arbeidswaardeleer meestal met de marxistische economie geassocieerd, terwijl de moderne hoofdstroom van de economie de arbeidswaardeleer heeft vervangen door de grensnutaanpak.[2]

Geschiedenis[bewerken]

Liberalen[bewerken]

Een voorloper van de arbeidswaardetheorie is al te vinden bij John Locke, die stelt dat dat wie zijn arbeid (of die van zijn knecht) "vermengt" met de grond, eigendom over zowel de grond als de vruchten van arbeid verkrijgt.

De arbeidswaardetheorie komt echter pas tot volle wasdom in de klassieke economische theorie van David Ricardo. Volgens Ricardo is de waarde van een waar recht evenredig met de arbeidstijd die nodig was om de waar te produceren. Deze waarde is uitgedrukt in de evenwichtsprijs van de waar.

Marx[bewerken]

Als waarde evenredig is aan arbeidstijd, dan ontstaat er een paradox: als een snelle meubelproducent een tafel in een uur kan maken en een langzame over dezelfde tafel twee uur doet, dan zou de langzame meubelmaker twee keer zo veel waarde in hetzelfde product steken. Karl Marx corrigeerde daarom de theorie van door arbeidstijd te vervangen door maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, die hij definieerde als de tijd die een gemiddelde producent (arbeider) nodig heeft om een waar te vervaardigen.[3] Hierin is de stand van techniek en opleiding van de beroepsbevolking meegenomen, zodat bijv. de noodzakelijke arbeidstijd (en dus de waarde) van een goed afneemt naarmate het met nieuwe technieken gemakkelijker te produceren wordt.

De waarde van arbeidskracht zelf is bepaald door de kosten van levensonderhoud van een arbeider, opnieuw gecorrigeerd voor maatschappelijke omstandigheden: de waarde van een dag arbeid is gelijk aan de waarde die nodig is om de arbeidskracht aan te vullen, dus de waarde van de goederen die de arbeider en zijn gezin nodig hebben om een sociaal acceptabel bestaan te leiden. Als de arbeider deze waarde als loon ontvangt terwijl hij een langere werkdag maakt dan nodig is om precies deze hoeveelheid waarde te scheppen, dan maakt de werkgever winst en is sprake van uitbuiting.

Voor Marx is arbeid ook de enige manier om waarde te scheppen. Grondstoffen hebben immers pas een waarde zodra ze door mensenhanden uit de grond zijn gehaald. Machines scheppen in Marx' visie evenmin waarde: in plaats daarvan dragen ze de waarde over die door arbeid in hun bouw is gestoken. Deze waarde vindt een boekhoudkundige uitdrukking in de afschrijving.

Na Marx[bewerken]

De arbeidswaardetheorie is onder latere economen uit de gratie geraakt en wordt zelfs door marxistische economen niet altijd meer aanvaard: in plaats daarvan wordt het prijsmechanisme van de markt als ultieme bepaling van waarde beschouwd. David Harvey rechtvaardigt echter een zeker geloof in de theorie, al was het maar om Marx' verdere argumentatie te volgen, met de observatie dat het product van materiële arbeid (voedsel, huizen, etc.) zelfs in een moderne maatschappij nog steeds de basis van het bestaan vormt, en dat het geloof dat dit "magischerwijs" uit de markt te voorschijn komt, onderwerping aan het warenfetisjisme inhoudt.[4]

Een verdere ontwikkeling van de arbeidswaardetheorie is opgesteld door de twintigste-eeuwse econoom Piero Sraffa.

Politieke consequenties[bewerken]

Zowel Ricardo als Marx trokken politieke conclusies uit de arbeidswaardeleer. Als arbeid de enige manier is om waarde te produceren, dan treedt een verdelingsvraagstuk op: komt de geproduceerde waarde toe aan degene die de arbeid levert of aan degene die daartoe opdracht geeft? Ricardo onderscheidde in de vroeg-kapitalistische maatschappij die hij om zich heen zich een verdeling in drie klassen, de werkenden, de grondeigenaren en de industriëlen, die streden om de geproduceerde winst. Ricardo, een liberaal, beschouwde de klassenmaatschappij als een natuurverschijnsel. Hij trok partij voor de industriëlen in hun strijd tegen de grondeigenaren en pleitte tegen de Britse graanwetten. Intrekking van deze importheffing zou de kosten van levensonderhoud van de werkenden omlaag brengen, zodat de lonen omlaag konden en de industriëlen hun winsten zouden zien stijgen.[5]

Marx, daarentegen, koos partij voor de werkenden. In zijn visie is het opstrijken van winst een vorm van onteigening van de arbeiders door de grondeigenaren en de industriëlen (tezamen de kapitalisten). Ook hij behandelt de intrekking van de graanwetten, maar beschouwde deze als een manier voor de Britse kapitalisten om de uitbuiting van arbeid in stand te houden, zonder verlenging van de arbeidsdag.

Concurrerende theorieën[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Externe link[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Klaus Hägendorf: "Labour Values and the Theory of the Firm" (Arbeidswaarden en de theorie van de onderneming) Part I: The Competitive Firm" (Deel I, de concurrerende onderneming)" Parijs: "EURODOS"; 2009.
  2. Campos, Antonietta (1987). "marginalist economics" (marginalistische economie), The New Palgrave: A Dictionary of Economics, v. 3, blz. 320
  3. Karl Marx, Das Kapital: Kritik der Politischen Oekonomie, Erster Band, Dietz Verlag, Berlijn, 1969, hoofdstuk 1.
  4. (en) David Harvey, A Companion to Marx's Capital, 2010, 59-61.
  5. (en) Alex Callinicos, The Revolutionary Ideas of Karl Marx, Bookmarks, 1996, pp. 56-58.