Marxistische economie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Economie
NY stock exchange traders floor LC-U9-10548-6.jpg

Dit artikel maakt deel uit van de serie:
Economische wetenschap


Deelgebieden
Micro-economie
Macro-economie
Econometrie
Internationale economie
Ontwikkelingseconomie
Bedrijfseconomie

Invloedrijke economen
Adam Smith
David Ricardo
Karl Marx
Alfred Marshall
Joseph Schumpeter
John Maynard Keynes
Milton Friedman
Friedrich Hayek
Lijst van bekende economen

Verwante vakgebieden
Economische sociologie
Geschiedenis van de economie
Internationale politieke economie
Politieke economie

Portaal  Portaalicoon  Economie

De marxistische economie is een stroming in de economische wetenschap, gebaseerd op economische begrippen en methode van Karl Marx. Deze stroming onderzoekt het functioneren van kapitalistische economieën vanuit klassenverhoudingen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds degenen die beschikken over de productiemiddelen (kapitalisten) en degenen die voor loon werken (arbeiders). Economische vraagstukken worden onderzocht aan de hand van de verhoudingen tussen deze (en eventueel andere) klassen.

Belangrijke thema's in de marxistische economie zijn de eigendomsverhoudingen, het verdelingsvraagstuk (aan wie komt de winst toe), de rol van technologie in het arbeidsproces en de neiging van kapitalistische economieën om in crisis te geraken. Centraal staat de meerwaardetheorie. Deze stelt dat de opbrengst van ondernemingen tot stand komt door arbeid, die echter structureel onderbetaald wordt.

De marxistische economie geldt binnen de economische wetenschap als een heterodoxe stroming.

Overzicht[bewerken]

De kapitalistische productiewijze[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Kapitalisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onderwerp van studie in de marxistische economie is de kapitalistische productiewijze: het stelsel waarin waren (goederen en diensten) geproduceerd worden binnen private ondernemingen, met als doel verkoop met winst op de markt en niet de gebruikswaarde van de waren. Binnen de kapitalistische productiewijze vinden twee soorten transacties plaats:

  • Producenten (arbeiders en kleine producenten) verrichten transacties volgens het schema W–G–W': ze beginnen met waren W die voor hen geen gebruikswaarde hebben (zoals de schoenen die een schoenmaker maakt, maar niet zelf draagt), verkopen die voor geld G, en kopen andere waren W' waaraan zij wel behoefte hebben.
  • Handelaren en investeerders verrichten transacties van de vorm G–W–G': ze beginnen met geld G en kopen waren W met als doel die uiteindelijk te verkopen voor een groter geldbedrag G'. Bij industriële productie zijn de gekochte waren W combinaties van productiemiddelen (machines, energie) en arbeidskracht. Geld wordt hier hier uitgegeven met als doel het vergaren van meer geld, en wordt daardoor kapitaal.

Het onderscheidende kenmerk van de kapitalistische productiewijze is verder dat ook arbeidskracht een koopwaar is, die verhandeld wordt op de arbeidsmarkt. Als deze commodificatie van arbeid ver genoeg is doorgevoerd, zijn de deelnemers aan het economische verkeer in twee klassen te verdelen, op basis van de rol die men speelt in het economische verkeer. De arbeidersklasse wordt gevormd door degenen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de verkoop van de eigen arbeidskracht. De kapitalisten zijn degenen die geld en productiemiddelen in eigendom hebben, en leven van de winst die deze opbrengen.

De begrippen "arbeider", "kapitalist" en "klasse" betekenen hier niet per se hetzelfde als in het dagelijks spraakgebruik; arbeider en kapitalist betekenen ook niet precies hetzelfde als "werknemer" en "werkgever"/"ondernemer". Onder arbeiders vallen niet alleen de degenen die achter een lopende band staan, maar ook sommige zelfstandigen zonder personeel (of met een paar mensen in dienst) kunnen als arbeiders worden aangemerkt als ze voornamelijk van eigen arbeid afhankelijk zijn.[1] Onder kapitalisten worden de investeerders en bankiers verstaan die de (juridische of economische) eigenaars van geld, waren en productiemiddelen zijn, maar ook managers wier beloning voornamelijk afhankelijk is van de winst uit onderneming.[2]

Waarde, arbeidskracht en meerwaarde[bewerken]

Marx en de meeste van zijn navolgers analyseren de kapitalistische productiewijze vanuit de arbeidswaardetheorie uit de klassieke economie, volgens welke menselijke arbeid waarde schept in het productieproces. Deze waarde is meer bepaald de ruilwaarde (marktwaarde) van het product, gelijkgesteld aan de prijs bij marktevenwicht. In Marx' model van de kapitalistische onderneming investeert deze een kapitaal C = c + v, bestaande uit

  • het constant kapitaal c, de prijs van grondstoffen en (afschrijving op) machines, en
  • het variabel kapitaal v, de loonsom waarvoor de onderneming arbeidskracht koopt.

De naamgeving suggereert dat het variabele kapitaal waarde toevoegt, terwijl de waarde van het constante kapitaal slechts overgedragen wordt op het product. Het constante kapitaal wordt bovendien beschouwd als de vrucht van eerder verrichte arbeid, zodat uiteindelijk alle waarde afkomstig is van arbeid.

De loonsom v is in een 'puur' kapitalisme de reproductiewaarde van arbeidskracht, de kosten om de in het arbeidsproces geleverde arbeidskracht aan te vullen voor een volgende cyclus.[3] Hieronder vallen de kosten van een maatschappelijk acceptabel (naar tijd- en plaatsgebonden maatstaven) levensonderhoud voor de loonarbeider en zijn/haar gezin: de kosten van voeding, kleding, behuizing, onderwijs, enzovoorts. Deze waarde stijgt met het algemene beschavingspeil, maar daalt naar gelang de productiekosten van de consumptiegoederen afnemen. Er bestaat een spanningsveld tussen de behoefte van de kapitalisten als klasse om de lonen laag te houden, zodat arbeid voor een groot genoeg deel van de bevolking noodzakelijk blijft, en die om een afzetmarkt voor de producten te behouden.

Na afloop van het productieproces heeft de onderneming de beschikking over een nieuw kapitaal C' = c + v + m, belichaamd door het product.[4] Hierbij is m de meerwaarde, de door inzet van arbeidskracht toegevoegde waarde. Worden hiervan de overige kosten, zoals belastingen, afgetrokken, dan kan de rest van de meerwaarde op de markt worden gerealiseerd als winst, die aan de kapitaalverschaffer toevalt.

De efficiëntie van het productieproces wordt uitgedrukt als de meerwaardevoet, m/v, ook aangeduid als de uitbuitingsgraad. Deze kan verhoogd worden door de werkdag te verlengen (zonder het loon te verhogen), door de productiviteit van arbeid op te voeren of door de kosten van levensonderhoud te verlagen, dit laatste onder de aanname dat de prijs van arbeid bepaald wordt door de levensstandaard.

Accumulatie en concurrentie[bewerken]

Door toe-eigening en herinvestering van de meerwaarde treedt kapitaalaccumulatie op: de bezitter van kapitaal probeert zijn kapitaal te vergroten. De noodzaak hiertoe is gelegen in de concurrentie die op kapitalistische markten optreedt. Een onderneming die voldoende investeert, verkrijgt een schaalvoordeel of kan zich een technologisch voordeel veroorloven, waardoor ze goedkoper kan produceren en extra meerwaarde verkrijgt. Op de markt zal de onderneming voor een prijs net onder de marktprijs willen verkopen, waarmee een deel van de extra meerwaarde/winst teniet wordt gedaan maar het product beter verkoopt dan dat van de (gemiddelde) concurrent.

De concurrent is dan gedwongen te volgen, wil deze niet het risico op verlaagde winsten en (in het ergste geval) faillissement lopen. Op deze manier vormt de concurrentie een "ijzeren wet": niet de individuele ondernemingszin, of zelfs hebzucht, maar een economische wetmatigheid maakt het noodzakelijk om alsmaar meer kapitaal te vergaren en in te zetten. De kapitalistische productiewijze wordt dan ook bezien als een systeem van onvrijheid voor zowel de kapitalist als de arbeider, en tevens als historisch uniek, omdat in dit stelsel niet geproduceerd wordt om de gebruikswaarde maar om de marktwaarde van de goederen.

Daarnaast voorspelde Marx dat voortschrijdende accumulatie een neiging tot concentratie en centralisatie herbergde, oftewel monopolievorming. Deze stelling werd verder ontwikkeld door Rudolf Hilferding in Das Finanzkapital (1910).

Crisistheorie[bewerken]

In Het Kapitaal zijn slechts aanknopingspunten te vinden voor een theorie van economische crises, niet een uitgewerkte theorie van het ontstaan en verloop daarvan. Een van de voornaamste aanknopingspunten is de wet van de dalende winstvoet, die voorspelt dat toenemende kapitaalintensiteit in een sector de winstgevendheid van alle bedrijven in die sector aantast.

Geschiedenis[bewerken]

De marxistische economie vindt haar oorsprong in het werk van Karl Marx (1818-1883). Deze was opgeleid als filosoof en aanvankelijk vooral actief als journalist en communistisch activist, maar wendde zijn aandacht vanaf midden jaren 1840 naar de economie. Marx' eerste geschriften over dit onderwerp waren de Parijse manuscripten van 1844, die tot 1932 ongepubliceerd bleven. In 1859 verscheen zijn eerste uitgave over het onderwerp, Zur Kritik der Politischen Ökonomie ([bijdrage] tot de kritiek van de politieke economie). Dit werd gevolgd door zijn hoofdwerk, Het Kapitaal, waarvan het eerste deel in 1867 verscheen, de latere delen postuum (verzorgd door Friedrich Engels en Karl Kautsky). Het Kapitaal bouwt voort op de werken van de klassieke economen, met name Smith en Ricardo, maar plaatste de economische theorie in het kader van een klassenanalyse in plaats van een individualistisch wereldbeeld. Aan het eind van de eeuw waren Marx' ideeën, gebundeld en uitgebreid in het marxisme, een voorname denkstroming in Europa geworden, mede door de koppeling met de sociaaldemocratie.

In de eerste generaties na Marx gelden onder anderen Michaïl Toegan-Baranovski, Otto Bauer, Rudolf Hilferding en Rosa Luxemburg als originele marxistische economen. Toegan-Baranovski gebruikte Marx' reproductieschema in zijn analyse van conjunctuurgolven en beïnvloedde daarmee Joseph Schumpeter, John Maynard Keynes en Wassily Leontief.[5] De overige drie zijn vooral bekend om hun analyse van de intussen ontstane situatie van monopoliekapitalisme, waarin diverse bedrijfstakken werden gedomineerd door monopolies of kartels. Marx had deze ontwikkeling voorspeld, maar zijn theorie ging nog uit van een situatie van competitieve marktwerking. Vooral Hilferding had sterke invloed op Lenin, die zelf weinig origineel was op economisch vlak, maar wiens boek Imperialisme in de Sovjet-Unie kwam te gelden als het "laatste woord" op het gebied van het monopoliekapitalisme. Onder het stalinisme was origineel (economisch) denken vrijwel uitgesloten, terwijl in het westen de neoklassieke economie de dominante denkrichting was geworden.[6]

Na de beurskrach van 1929 en de crisis van de jaren 30 vond in het kapitalistische westen een omslag plaats in de richting van de keynesiaanse economie, die een macro-economisch antwoord had op de crisis maar op microniveau nog steeds uitging van concurrentie. De principes van deze nieuwe school werden gelijktijdig vanuit de marxistische traditie ontwikkeld door Michał Kalecki, die uit het werk van Luxemburg putte en een microtheorie van monopolistische firma's hanteerde.[6]

Vanaf midden jaren 60 kreeg de marxistische economie een nieuwe impuls van Nieuw Linkse denkers. Het werk van Kalecki werd voortgezet door de Amerikanen Paul Baran en Paul Sweezy, vooral in Monopoly Capital (1966). Vanaf de jaren 70 is er meer aandacht voor de rol van de financiële sector binnen het kapitalisme, bij onder anderen Ernest Mandel en de geograaf David Harvey.[5][7] Een analytische stroming probeert het marxisme op een nieuwe leest te schoeien, wat voor de economische theorie betekent dat de arbeidswaardeleer verruild wordt voor de rationelekeuzetheorie. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zakte de aandacht voor Marx binnen de wetenschap in en verdween hij uit de economiecurricula. De kredietcrisis van 2008 heeft echter een zekere opleving veroorzaakt.[8][9]

Relatie tot andere scholen[bewerken]

De marxistische economie heeft diverse raakvlakken met de keynesiaanse, met name waar het de analyse van crises betreft. Zoals Marx als John Maynard Keynes verwierpen de wet van Say, volgens welke een recessie niet kan ontstaan door een gebrek aan geld in een economie; beiden begrepen dat overproductie (dan wel onderconsumptie) een recessie kan veroorzaken, en beiden legden nadruk op de psychologische factor, het gebrek aan vertrouwen in "de economie" waardoor onderconsumptie ontstaat.[10] Hoe de invloed van Marx op Keynes verliep, is al sinds de jaren 30 onderwerp van discussie. Keynes beweerde, volgens David Harvey om politieke redenen, dat hij Marx nooit gelezen had; maar zijn naaste medewerker Joan Robinson had dat zeker wel.[11]

Marx' methode was vergeleken met de moderne economie weinig wiskundig; formaliseringen van zijn aannames en resultaten zijn gegeven door o.a. Morishima en Samuelson.[12] De laatste geeft een interpretatie van Marx in neoklassieke termen.[13]

Literatuur[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Heinrich (2012).
  2. Wanneer de leiding van een bedrijf beloond wordt in aandelenpakketten, zoals bij grote ondernemingen gebruikelijk is, is deze afhankelijkheid best merkbaar (Harvey 2010:123).
  3. Met 'puur' kapitalisme wordt hier bedoeld het ideaaltype dat Marx voor ogen had. Marx schreef zijn economische werken aan het einde van een decennialange periode van loonstagnatie, hetgeen zijn theorie sterk beïnvloed heeft.
  4. Onder "belichaamd" moet niet verstaan worden dat de waarde na de productie een eigenschap van het product is: de waarde wordt pas gerealiseerd in de ruil op de markt (Heinrich 2012).
  5. a b Reuten (2002).
  6. a b Sweezy (1987 [2004]).
  7. Een marxistische analyse van financialisering is bijvoorbeeld Sotiropoulos et al. (2013).
  8. Wisman (2013).
  9. "Gek genoeg zijn economen links en rechts het er bijna allemaal over eens dat Marx' analyse van het kapitalisme klopt en vrij goed beschrijft wat er in 2008 gebeurde" (Van Staveren 2016, p. 25).
  10. Harvey (2010, p. 336) merkt hierbij wel op dat in "sommige kringen", het uitspreken van het woord "onderconsumptie" de spreker tot een keynesiaan en geen "echte" marxist bestempelt.
  11. Harvey (2010), p. 68.
  12. Michio Morishima, Marx's Economics: A Dual Theory of Value and Growth, Cambridge University Press, 1973 [digitale editie 2009].
  13. Een samenvatting van Samuelsons model is te vinden bij Heertje (1972).