Faillissement

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Brusselse rechtbank van koophandel verklaarde Sobelair op 19 januari 2004 failliet.

Het faillissement of bankroet is een vorm van beslag op het gehele vermogen van de failliet ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.

Indien een rechtspersoon of een natuurlijk persoon niet langer aan zijn/haar betalingsverplichtingen kan voldoen ('insolvent' is), kan de rechtbank het faillissement uitspreken. Daarbij wordt door de rechtbank een curator aangesteld. De taak van de curator is in beginsel het te gelde maken van het vermogen van de schuldenaar, om de opbrengst daarna te verdelen onder de schuldeisers.

Faillissement is, met andere woorden, een collectieve verhaalsprocedure.

Criteria[bewerken]

Een faillietverklaring kan in Nederland - ten opzichte van andere landen - relatief gemakkelijk worden uitgesproken, namelijk als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de aanvraag daarvan bestaand vorderingsrecht van de aanvragende schuldeiser, alsmede van het (thans) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.

Voor dit laatste is noodzakelijk en tevens voldoende dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl ten minste één vordering opeisbaar dient te zijn (zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem 11-2-2010, LJN: BL7305).

Voor het oordeel dat een schuldenaar in staat van faillissement dient te worden verklaard is de pluraliteit van schuldeisers een noodzakelijke doch geen voldoende voorwaarde. Nodig is immers ook dat vast komt te staan dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Een betwisting van de schulden staat in beginsel de faillietverklaring niet in de weg. Als de schuldenaar voor het bedrag van de vordering van de schuldeiser van het faillissement zekerheid heeft gesteld door dit bedrag over te maken op de derdenrekening van de advocaat, kan dit, als geen enkele andere opeisbare vordering onbetaald is, niet leiden tot het oordeel dat zij in de toestand van te hebben opgehouden te betalen verkeert (art. 1 Faillissementswet; Rechtbank 's-Gravenhage, 10-11-2006, LJN: AZ3792).

Kritiek[bewerken]

De huidige Faillissementswet is meer dan 100 jaar oud en voldoet volgens deskundigen niet. Te weinig schuldeisers zien na een faillissement hun geld terug en te weinig bedrijven lukt het na een faillissement een doorstart te maken.[1] De faillissementsprocedure is bedoeld om schuldeisers hun geld terug te laten krijgen. Voor de economie is echter ook van belang dat zo veel mogelijk bedrijvigheid en werkgelegenheid behouden blijven.

Het ministerie van justitie is er overigens ook van doordrongen dat er iets moet veranderen aan de Faillissementswet. In de vorige recessie is daarom begonnen met het werken aan een nieuwe Insolventiewet die in plaats moet komen van de Faillissementswet. Een wetsvoorstel is er alleen nog niet. Verder dan een voorontwerp- waarop forse kritiek is uitgeoefend - is men nog niet gekomen[bron?].

Hervorming[bewerken]

Er zijn talloze tevergeefse pogingen ondernomen om de faillissementswet uit 1893 te moderniseren, echter vrijwel zonder enig resultaat. Onder meer is een staatscommissie insolventierecht in het leven geroepen, die zich richtte op onderwerpen die samenhangen met of voortvloeien uit de brief van de Minister van Justitie van 3 december 2001 (Kamerstukken II, 2001/02, 24 036, nr. 238) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake MDW tweede fase Herziening Faillissementswet. De commissieleden hebben de volgende adviezen uitgebracht:

  • Advies inzake wetsvoorstel wijziging van de Faillissementswet in verband met het bevorderen van de effectiviteit surseance van betaling en Faillissement (27 244). De commissie boog zich onder andere over de vraag of het bestaande onderscheid tussen faillissement en surseance van betaling moet blijven bestaan. Of dat er een geïntegreerde insolventieprocedure moet worden ingevoerd.
  • Advies over fundamentele veranderingen, vanwege de herziening van het insolventierecht. De commissie heeft vooral gedebatteerd over doelstelling en de reikwijdte van het insolventierecht. En over wenselijkheid om een geïntegreerde insolventieprocedure in te voeren, of de bestaande drie procedures te handhaven. Daarnaast is ingegaan op de vraag of de herziening van het insolventierecht al dan niet gefaseerd tot stand moet worden gebracht.
  • Advies over de mogelijkheden om de wettelijke schuldsaneringsregeling (advies en bijlage) zo aan te passen dat deze substantieel minder wordt toegepast en eenvoudiger wordt.
  • Advies over het functioneren van bewindvoerders, curatoren en rechters-commissarissen.
  • Advies over het voorontwerp voor de herziening van het insolventierecht.
  • Advies over de herziening van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

De Commissie Insolventierecht is ingesteld bij Besluit van 3 april 2003, Stcrt. 76 als tijdelijk adviescollege van de Minister van Justitie ter advisering over het insolventierecht. Zij heeft haar werkzaamheden medio 2009 beëindigd met haar reactie op de commentaren die zijn gegeven in reactie op het door haar in 2007 opgestelde voorontwerp Insolventiewet.

Internationaal[bewerken]

In een aantal landen bestaan er alternatieven voor het faillissement. Die regelingen worden samengevat onder de Europese Insolventieverordeningen. Hoewel deze verordeningen veel met elkaar gemeen hebben bestaan er ook verschillen. Vooral op de volgende punten verschillen regelingen nog wel eens van elkaar:

  • De voorwaarden voor inwerkingtreding van de regeling. In Nederland is deze bijvoorbeeld 'opgehouden te hebben met betalen', maar in andere landen is een negatief eigen vermogen voldoende.
  • De vraag wie faillissement mag of moet aanvragen. Soms geschiedt dit op verzoek van een of meerdere crediteuren, maar in sommige landen moet de vennootschap zelf onder bepaalde voorwaarden faillissement aanvragen.
  • De vermogensbestanddelen en vorderingen die onder het faillissement vallen (pand- en hypotheekrechten, eigendomsvoorbehouden, etc.), alsmede de posities van eventuele bevoorrechte schuldeisers.
  • Eventuele verplichtingen van crediteuren. Soms zijn zij verplicht te blijven leveren aan de failliet, ook als er nog een vordering openstaat waarvan niet zeker is of die wel voldaan wordt.
  • Is de procedure gericht op liquidatie, sanering of herstructurering?
  • Eventuele instrumenten tegen faillissementsfraude;
  • De positie van aandeelhouders;
  • Een mogelijkheid tot schuldsanering en het verkrijgen van een 'schone lei' voor een natuurlijk persoon;
  • Het al dan niet herleven van schulden na faillissement;
  • Aansprakelijkheid van directeuren en andere personen die invloed hebben of hadden op het beleid bij faillissement van een vennootschap.

Statistieken[bewerken]

Uit onderzoek door het Centraal Bureau voor de Statistiek is gebleken dat het aantal faillissementen in Nederland in 2010 met 14 procent is gedaald tot bijna 7000 bedrijven. In het eerste halfjaar van 2010 zijn er 6,7 procent minder faillissementen uitgesproken dan in dezelfde periode van 2009. Het aantal failliet verklaarde particulieren en eenmanszaken lag 5 procent lager dan een jaar eerder. Bij bedrijven en instellingen bedroeg de daling 7,5 procent. In totaal is van bijna 1,8 duizend particulieren en eenmanszaken en meer dan 3,2 duizend bedrijven en instellingen het faillissement uitgesproken.

De meeste bedrijfstakken vertonen een daling. Zo daalde het aantal faillissementen in de handel en reparatie en de zakelijke dienstverlening met respectievelijk meer dan 23 en bijna 16 procent. Bij drie bedrijfstakken is echter een stijging te zien, waarvan de grootste in de bouwnijverheid. Hier lag het aantal faillissementen 47 procent hoger dan in het eerste halfjaar van 2009. In de landbouw is het aantal faillissementen met bijna 44 procent gestegen. Bij de overige dienstverlening was er een lichte stijging van ruim 2 procent.[2]

Uit de statistieken blijkt dat het aantal faillissementen eind 2010 redelijk stabiel is en ongeveer 710 per maand bedraagt. Opvallend is het aantal surseances dat in de eerste maand van 2011 is uitgesproken, 25 tegenover een gemiddeld aantal van ongeveer 7 tot 8 per maand.[3]

Afzonderlijke artikelen verwijzen naar de faillissementsprocedures in Nederland en België en de andere insolventieregelingen.

Referenties[bewerken]

  1. Advocaat en registeraccountant Karin Luttikhuis, Universiteit van Tilburg, en bedrijfseconoom en voormalig advocaat en curator Antonie Kerstholt.
  2. bron: CBS
  3. bron: Curatornet