Rijnlands model

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Rijnlands model is de naam die gebruikt wordt voor een systeem van maatschappelijke ordening. Het wordt meestal gebruikt als een alternatief voor het zogeheten Angelsaksisch model waarbij alle ruimte aan de krachten van de vrije markt wordt gelaten en de overheid zich zo veel mogelijk afzijdig houdt. Dit laatste wordt ook wel neoliberalisme genoemd, een moderne variant op het laissez-faire kapitalisme.

Het Rijnlands model is vernoemd naar het kapitalisme met een menselijk gezicht zoals dat eertijds door de West-Duitse SPD werd gepropageerd. De toenmalige hoofdstad van de Bondsrepubliek, Bonn lag in het Rijnland.

Publieke sector[bewerken]

Het Rijnlands model veronderstelt een overheid die zich actief bezighoudt met zaken als milieu, ruimtelijke ordening, onderwijs en sociale vraagstukken. Er zal dus een grote publieke sector zijn en relatief veel regulering. Daar dit geld kost zal ook de belastingdruk relatief hoog liggen. Hier staat tegenover dat er veel voorzieningen voor de minderbedeelden bestaan en dat veel overheidsvoorzieningen goedkoop of gratis zijn.

Dit komt het duidelijkst tot uitdrukking in het onderwijs. De overheid probeert te verzekeren dat iedereen toegang heeft tot kwalitatief hoog onderwijs. De collegegelden zijn relatief laag en de kwaliteit is van constant niveau. Dit staat in tegenstelling tot de Anglosaksische landen waar zowel prijs als kwaliteit per universiteit sterk kunnen variëren.

Economie[bewerken]

Het Rijnlands model veronderstelt een samenwerkingsbereidheid tussen overheid, werkgevers en werknemers. In Nederland is dit het poldermodel, in andere landen kent men het corporatisme. Daar waar de tegenstanders van het Rijnlands model vooral aandringen op loonmatiging, deregulering, en privatisering als nuttig voor de economische vooruitgang, zien de aanhangers van het Rijnlandse model vooral de betrekkelijke consensus tussen de diverse partners, het goede opleidingsniveau van de bevolking, de stabiliteit en de afwezigheid van al te scherpe misstanden als belangrijke voorwaarden voor de technisch-economische ontwikkeling.

De inkomensverschillen zijn relatief klein, en er bestaat een uitgebreid sociaal vangnet in de vorm van uitkeringen en verplichte verzekeringen. In deze zin wordt ook wel van de sociale verzorgingsstaat gesproken.

Men is minder terughoudend met het ingrijpen in de economie, waarbij vooral de vraagzijde gestimuleerd wordt. Vaak wordt een Keynesiaanse of neo-Keynesiaanse ideeen politiek gevolgd. Als er meer vraag ontstaat zullen ook bedrijven meer kunnen verkopen, meer winst maken en meer werknemers in dienst hebben die ook weer met hun salaris produkten kunnen kopen. De Nederlandse anticyclische begrotingspolitiek van vlak na de Tweede Wereldoorlog was hier een voorbeeld van. Tijdens een hoogconjunctuur werden de belastingen hoog en de sociale voorzieningen relatief laag gehouden om de staatskas te spekken en oververhitting te voorkomen, en bij laagconjunctuur werden belastingen verlaagd en uitkeringen verhoogd om de economie te stimuleren. Dit beleid is overigens uiteindelijk losgelaten omdat het te onpraktisch werd geacht.

Ondernemingsbestuur[bewerken]

Het Rijnlands ondernemingsmodel legt de nadruk op het middellange- en langetermijndenken, waarbij continuïteit van de onderneming belangrijker is dan het nemen van een snelle kortetermijnwinst.[1] Wel is de naar Rijnlands model vormgegeven onderneming vaak meer gesloten dan de Angelsaksische variant, die zijn financiering hoofdzakelijk via de beurs verkrijgt, daar waar de Rijnlandse onderneming meer via families en banken wordt gefinancierd.

Het Rijnlands ondernemingsmodel wordt ook wel als 'stakeholder' model gezien terwijl het Anglosaksische ondernemingsmodel een 'shareholder' model is. Er wordt meer waarde gehecht aan de autonomie van de bestuurders die in tegenstelling tot de aandeelhouders binnen de organisatie werken, beter op de hoogte zijn, en gewoon hun werk moeten kunnen doen. (Kortetermijn)winst wordt gezien als een sluitpost en het wordt belangrijker gevonden eerst alle andere belanghebbenden te betalen voor de aandeelhouders aan bod komen. Consensus tussen alle belanghebbenden is de basis voor besluitvorming. Vijandige overnames passen hier niet in en beschermingsconstructies zijn ook meer geaccepteerd dan in het Angelsaksische model.

Aandelen zijn meestal in landen met een Rijnlands ondernemingsmodel relatief minder aantrekkelijk als investering dan in een land met een Anglosaksisch model. Aandeelhouders vormen slechts een categorie van de vele stakeholders waarbij er de nadruk op wordt gelegd dat ze financieel als allerlaatste aan de beurt komen. Bovendien is de belastingdruk per definitie hoger en aangezien rente aftrekbaar is, worden obligaties aantrekkelijker. Ook investeerders zullen meer zien in lager renderende maar stabielere obligaties.

Huurders- en werknemersbescherming[bewerken]

In het Rijnlandse model met een actieve regulerende overheid past een sterke huurders- en werknemersbescherming. De nadruk ligt hier vooral in het beschermen van de zwakkere partijen, de huurder respectievelijk de werknemer.

Wie werknemers wil ontslaan zal een groot aantal regels moeten volgen. Ook zullen ontslagtermijnen moeten worden gerespecteerd en moet er een ontslaguitkering betaald worden. Omdat het ontslaan van werknemers hierdoor een dure en tijdrovende zaak wordt, zijn werkgevers ook huiveriger voor het aannemen van mensen en is de doorstroming op de arbeidsmarkt lager.

De huren worden vaak gemaximaliseerd en het is zelfs mogelijk dat bepaalde categorieen woningen aan bepaalde categorieen huurders worden toegewezen. De overheid of semi-overheid (wooncorporaties) kan zelfs direct in huisvesting voorzien. Ook is het opzeggen van een huurovereenkomst aan strenge regels gebonden. De keerzijde hiervan is dat dit tot woningnood kan leiden omdat verhuur van onroerend goed een minder aantrekkelijke investering wordt.

Insolventierecht[bewerken]

Insolventieprocedures zijn in landen met een Rijnlands model vaak liquidatieprocedures, zowel voor individuen als voor bedrijven. Dit betekent echter wel dat de onderneming volledig verloren gaat en dat een individu levenslang door zijn schulden achtervolgd wordt of in een jarenlange saneringsprocedure terecht komt. Hierdoor worden insolventen gestigmatiseerd en wachten ze tot het laatste moment het het aanvragen van faillissement. Hiermee is een vicieuze cirkel geboren want in dat geval is de situatie al zo ernstig dat veel crediteuren inderdaad met lege handen achterblijven.

Zie ook[bewerken]