Neoliberalisme (hedendaags)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Chileense dictator Augusto Pinochet was de eerste die een verregaand neoliberaal beleid in de praktijk bracht.

De term neoliberalisme ("nieuw liberalisme") wordt gebruikt ter aanduiding van de heropleving van liberale economische ideeën en bijbehorend beleid vanaf de jaren 70. In het neoliberalisme staan de volgende principes centraal:

  • groei is de voornaamste doelstelling van economisch beleid;[1]
  • vrijhandel wordt gezien als voordelig voor alle landen;[1]
  • de publieke sector wordt beschouwd als fundamenteel inefficiënt en moet worden teruggedrongen;[1][2]
  • verdeling van goederen en diensten vindt zo veel mogelijk plaats via de markt.[3]

De uitvoering van deze ideeën op wereldwijde schaal begon in de jaren 70 en werd gekenmerkt door privatisering van overheidsdiensten, bezuinigingen op sociale voorzieningen en deregulering van de financiële sector.[2][4]

Instituten als het IMF en de Wereldbank zijn belangrijk geweest in het verbreiden van het neoliberale project, door eerder genoemde maatregelen als voorwaarde te stellen voor steun.

Begripsgeschiedenis en definities[bewerken]

Het woord "neoliberalisme" duidde aanvankelijk een vernieuwingsstreven in het liberalisme aan, ook wel ordoliberalisme genoemd, dat eind jaren 30 in Duitsland opkwam en een organisatievorm vond in het Colloque Walter Lippmann. Deze oorspronkelijke neoliberalen streefden naar een gereguleerde markt waarin overheden verantwoordelijk waren voor de randvoorwaarden die concurrentie en een humanistisch ingevuld vrijheidsbegrip mogelijk maakten. Neoliberalisme duidde echter eerder een normatieve filosofie aan, dan een specifieke economische theorie of beleid. De (als ouderwets geziene) gelovigen in het idee van ongereguleerde markten (laissez-faire) bestempelden de neoliberalen als paleoliberalen ("oude liberalen").[2]

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog joeg de neoliberalen uiteen: prominente figuren uit het Colloque Walter Lippmann weken uit. Na de oorlog vond een aantal geassocieerde denkers elkaar opnieuw, nu in de Mont Pèlerin Society (MPS) in Zwitserland. Gaandeweg vertroebelde de definitie: tegen het eind van zijn leven beklaagde de prominente neoliberaal Alexander Rüstow zich erover dat ook zijn oud-liberale tegenstrevers zichzelf als neoliberalen waren gaan presenteren.[2] Uiteindelijk vond een breuk plaats binnen de MPS, waarbij Rüstow en anderen de sociëteit verlieten. Deze werd nu gedomineerd door Amerikaanse denkers als Friedrich Hayek en de leden van de Chicago school of economics. Voornaamste strijdpunt was de rol van vakbonden: de Duitse neoliberalen waardeerden de rol van vakbonden positief, terwijl de Amerikanen radicale anti-vakbondsstandpunten huldigden.[5]

Gebruik door activisten[bewerken]

De term neoliberalisme raakte in onbruik tot hij in de jaren 80 weer opdook in Latijns-Amerika, nu doorgaans bij activisten, die er op de Chicago-leest geschoeide rechtse omwenteling op het continent mee aanduidden. Vandaar kwam het in gebruik bij sociale wetenschappers, die "neoliberalisme" nu vooral gebruiken voor de terugkeer van het laissez-faire-idee, niet de sociale markteconomie die de oorspronkelijke neoliberalen voorstonden.[2]

Het woord neoliberalisme wordt vaak zonder precieze definitie gebruikt, en dan met name in kritische beschouwingen, waarin het een pejoratieve betekenis heeft. Vanwege de negatieve bijklank zijn er weinig denkers, partijen en groeperingen die zichzelf als neoliberaal bestempelen.[6]

Wetenschappelijke definities[bewerken]

Een definitie van neoliberalisme is te vinden bij de sociaal-geograaf David Harvey, die het beschrijft als[7]

"in eerste instantie, een theorie van politiek-economisch handelen, volgens hetwelk het menselijk welzijn het best gediend is bij de bevrijding van particuliere vrijheid en vaardigheid van onderneming, binnen een institutioneel kader van sterk particulier eigendom, vrije markten en vrijhandel. De rol van de overheid is om een dergelijk kader te scheppen en in stand te houden."

Tot het scheppen van het beschreven kader behoort ook het scheppen van markten door de overheid, bijvoorbeeld op de terreinen van onderwijs, gezondheidszorg of sociale zekerheid. Interventie in markten is echter niet toegestaan, omdat (vooral in democratieën) de markt beschermd moet worden tegen de eisen van belangengroepen van burgers.

Harveys definitie is opzettelijk breed en doet geen poging om neoliberalisme te verbinden aan het liberalisme in bredere zin: neoliberalisme is uiteindelijk vooral een politieke praktijk, die met diverse ideologische argumenten verbonden kan worden. Dit stelt Harvey in staat om zowel democratische politici als Thatcher en Reagan, als ook de Pinochet-dictatuur in Chili en het post-communistische China onder Deng Xiaoping onder de noemer te scharen en de overeenkomsten tussen deze vier aan te wijzen.

Zich baserend op onder anderen Harvey geven de Noorse politicologen Thorsen en Lie een nog verder ingeperkte definitie van neoliberalisme als[8]

"een los afgebakende verzameling politieke overtuigingen, waaronder het meest prominent en karakteristiek de overtuiging dat het enige legitieme doel van de overheid is om individuele, vooral commerciële, vrijheid en sterke particuliere eigendomsrechten te garanderen."

Uit deze definitie volgt logischerwijs, aldus Thorsen en Lie, dat elk streven dat de overheid een grotere rol toekent, als onacceptabel, totalitair of anderszins moreel verwerpelijk kan worden beschouwd (zoals zowel Hayek als Von Mises betoogden); met andere woorden is neoliberalisme een verwerping van politieke besluitvorming ten gunste van marktwerking. Toegepast op het niveau van internationale politiek leidt dit tot een verdediging van de vrijhandel. Ook bij Thorsen en Lie is neoliberalisme een breed containerbegrip, waaronder de latere klassieke liberalen als Hayek, libertariërs als Nozick en niet-liberale economen en beleidsmakers geschaard kunnen worden, zonder dat hun intenties hoeven overeen te stemmen.

Neoliberaal denken[bewerken]

Economische theorie[bewerken]

Het hedendaagse neoliberalisme heeft zijn oorsprong in de Chicago school of economics, een neoklassieke stroming binnen de academische gemeenschap van economen, die begin jaren zeventig het Keynesianisme verwierpen ten gunste van monetarisme. De school wordt in verband gebracht met economen zoals Milton Friedman, George Stigler, Ronald Coase en Gary Becker.[5]

De economische theorie achter het neoliberalisme vloeide aanvankelijk voort uit het monetarisme dat de Chicago-economen tot in de jaren 70 aanhingen. Dit kende twee kernpunten:[9]

  • De efficiëntie van de vrije markt. De verwachting was dat een markt zonder overheidsingrijpen vanzelf in evenwicht zou komen en tot volledige werkgelegenheid zou komen, omdat de markt geen verspilling duldt. Van overheidsingrijpen werd slechts inflatie verwacht.

Deze principes zijn niet altijd consequent toegepast en met name het geloof in volledige werkgelegenheid heeft het in de praktijk moeten afleggen.[9] De toepassing van monetaristisch beleid in Groot-Brittannië onder Thatcher werd na een jaar gestaakt toen bleek dat de werkloosheid dramatisch opliep. Daarna werd vooral de aanbodeconomie als inspiratie gebruikt, een stroming binnen de neoklassieke economie die beleidsmakers in staat stelt belastingverlaging te presenteren als goed voor "de economie".

Verspreiding in de maatschappij[bewerken]

De noodzaak tot verspreiding van neoliberaal gedachtegoed buiten academische kringen was vanaf het begin een doelstelling van de Mont Pèlerin Society. Deze financierde denktanks als de Heritage Foundation en het American Enterprise Institute om de ideeën van Hayek, Friedman e.a. te verspreiden onder studenten, docenten, beleidsmakers, opiniemakers en journalisten.[10]

Een andere factor die vooral de Amerikaanse geesten rijp maakte voor een opleving van kapitalistische waarden was de verspreiding van libertarische ideeën, met name door de uiterst populaire romans van Ayn Rand. Haar bestseller Atlas Shrugged wordt door Hans Achterhuis omschreven als niets minder dan een "kapitalistisch manifest", dat een utopisch beeld schets van kapitalisten die de gehele maatschappij naar hun evenbeeld omvormen en alle intermenselijke relaties tot geldhandel reduceren.[3]

Economische geschiedenis[bewerken]

Mee bezig Mee bezig
Aan dit artikel of deze sectie wordt de komende uren of dagen nog druk gewerkt.
Klik op geschiedenis voor de laatste ontwikkelingen.

Voorgeschiedenis: de naoorlogse bloei (1945-1971)[bewerken]

De opkomst van het neoliberalisme moet gezien worden tegen de achtergrond van de naoorlogse bloeiperiode en met name het einde daarvan. In reactie op de crisis van de jaren 30 richtten beleidsmakers in de kapitalistische wereld (Europa, Noord-Amerika, Japan) vanaf 1945 gemengde economieën in. De basis van deze economieën was het marktmodel, maar dit werd ingeperkt door overheidsinterventies en een klassenverzoening tussen arbeid en kapitaal, belichaamd door een grote rol voor de vakbonden en een streven naar volledige werkgelegenheid. Anticyclisch ("keynesiaans") fiscaal beleid was bedoeld om conjunctuurschokken op te vangen. Op internationaal vlak werd het kapitaalverkeer gereguleerd door het systeem van Bretton Woods, met vaste wisselkoersen tussen de valuta's.[11]

Dit beleid zorgde voor grote economische groei in de jaren 50 en 60, maar liep eind jaren 60 tegen zijn grenzen aan. De westerse economieën werden getroffen door het verschijnsel van stagflatie, gelijktijdige stagnatie en inflatie. Terwijl de economische wetenschap zich geen raad wist met dit verschijnsel, liepen de belastinginkomsten terug, tot op het punt dat het Verenigd Koninkrijk door het IMF gered moest worden (1976). Ook het systeem van Bretton Woods raakte in crisis doordat de VS grote hoeveelheden dollars hadden bijgedrukt en werd in 1971 buiten werking gesteld door de Nixon-schok.[11]

Omwenteling (1971-1979)[bewerken]

Met de ondergang van Bretton Woods en het in diskrediet raken van keynesiaanse recepten om markteconomieën te sturen, zagen de neoliberalen van Mont Pèlerin hun kans schoon om hun eigen ideeën als alternatief voor het voetlicht te brengen. Voortaan schommelden de wisselkoersen van de westerse valuta's en de yen, hetgeen valutaspeculatie weer lucratief kon maken, maar tegelijk ook riskant. In opdracht van de Chicago Mercantile Exchange (CME) poneerde Milton Friedman nogmaals het idee (dat hij al twee decennia uitdroeg) dat hedging een effectieve verzekering tegen de risico's op de valutamarkt was, niet alleen voor de individuele speculant, maar ook voor de handel als geheel. Grootschalige speculatie was in Friedmans visie een manier om stabiele en efficiënte financiële markten te scheppen, zonder monetaire politiek. Het jaar daarop bracht de CME Friedmans idee in de praktijk, aanvankelijk met een transactievolume van enkele miljoenen dollars per jaar.[12]

De Engelse premier Margaret Thatcher (rechts), hand in hand met first lady Nancy Reagan (1988). Op de achtergrond president Ronald Reagan.

Ook 1979 kan als keerpunt worden gezien in de neoliberalisering van westerse economieën. In mei van dat jaar werd Margaret Thatcher premier van het Verenigd Koninkrijk. Thatcher opende de ideologische aanval op de sociaaldemocratische consensus in haar land met de stelling dat "er geen samenleving is, alleen individuen en hun gezinnen". Onder invloed van Keith Joseph en Friedman begon ze aan een monetaristisch getint beleid, dat overigens na een paar jaar alweer werd losgelaten.[13]

De andere belangrijke gebeurtenis van 1979 was de Volckerschok van oktober. De monetaristische Fed-voorzitter Paul Volcker veranderde het beleidsdoel van zijn instelling van het scheppen van volledige werkgelegenheid naar het bestrijden van inflatie tegen elke prijs. Om dit laatste mogelijk te maken verhoogde hij de nominale rente om opzettelijk een recessie uit te lokken en een program van "structurele hervorming" in te zetten.[14]

Angelsaksisch neoliberalisme (1979-1990)[bewerken]

Na het Verenigd Koninkrijk kregen ook de Verenigde Staten een regeringsleider met affiniteit voor het neoliberale project: in 1980 won Ronald Reagan de Amerikaanse presidentsverkiezingen. In beide landen begonnen grootschalige bezuinigingen op sociale zekerheid en kwam het tot confrontaties tussen overheid en vakbonden. In de VS was het de luchtverkeersleidersvakbond TAPCO die in 1981 een gevoelig verlies leed; in Engeland lokte Thatcher een nieuw conflict met de mijnwerkers uit, die zich na een halve sociale vrede al in de jaren 70 waren gaan roeren. De mijnwerkersstaking van 1984 mondde uit in een nederlaag voor de Britse vakbeweging en een forse stijging van de werkloosheid in het land.

Het Anglo-Amerikaanse neoliberalisme van de jaren 80 wordt wel beschouwd als de "zuiverste" vorm, maar was alsnog het resultaat van een politiek compromis tussen verschillende ideeën en belangen. Margaret Thatcher wist een aantal voorheen genationaliseerde bedrijfstakken te privatiseren, maar struikelde uiteindelijk over haar plan om een poll tax in te voeren. Reagan was succesvoller in het ontmantelen van de Amerikaanse sociale zekerheid, die in dat land al minder uitgebouwd was dan in het VK of de West-Europese landen, maar deed dit door zijn defensiebudget en daarmee de staatsschuld fors te laten oplopen.[15]

Internationale verspreiding[bewerken]

Het neoliberalisme is in de jaren negentig en daarna verder verspreid over de westerse wereld en opkomende economieën. Voorname instituten die met deze verbreiding geassocieerd worden zijn het IMF, dat in ruil voor krediet neoliberale hervormingen verplicht stelt aan leners (zie ook Washington-consensus); en de instituten van de Eurozone, die dergelijk beleid opleggen aan (met name zuidelijke) lidstaten.[16]

Gevolgen[bewerken]

De recessie in de Verenigde Staten, 1973–1975. Blauw: groei/krimp van het BNP in procenten t.o.v. de voorgaande periode. Rood: gemiddelde groei van het BNP, 1947–2009.

De opkomst van het neoliberalisme valt volgens sommige economen samen met de terugkeer van grootschalige economische en financiële crises in de wereldeconomie.[17] De decennia na de Tweede Wereldoorlog waren een lange periode van wereldwijde economische groei, mede ingegeven door een naoorlogse geboortegolf en investeringen ten behoeve van wederopbouw. Vanaf de jaren 70 stopte die groei: vanaf 1973 waren de meeste kapitalistische landen in recessie, veroorzaakt door de Amerikaanse nederlaag in Vietnam, de OPEC-boycots en de Nixon-schok (zie ook Stagflatie).

Sindsdien heeft de wereldeconomie zo'n honderd grootschalige crises gekend.[18] Hoewel op veel hiervan door linkse beschouwers wordt gereageerd met hoopvolle verwachtingen dat het neoliberalisme nu wel definitief zal instorten, wijzen diverse denkers erop dat crises misschien niet een tekortkoming in het neoliberalisme zijn, maar een functioneel onderdeel ervan.[18] De kredietcrisis van 2007, bijvoorbeeld, had als effect dat het financiële kapitaal zijn verliezen op staten kon afwentelen door de redding van banken; een soortgelijke effect vond plaats ten tijde van de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis van begin jaren 80.[19] David Harvey wijst erop dat crisis een beleidsinstrument van de Amerikaanse regering onder Ronald Reagan was: die voerde eerst het begrotingstekort op door grote sommen in de wapenindustrie te pompen in het kader van de wapenwedloop met de Sovjet-Unie, waarna datzelfde begrotingstekort aanleiding was om op sociaal beleid te bezuinigen.[19]

Critici[bewerken]

Op internationaal vlak kan de econoom Joseph Stiglitz vermeld worden als criticus van wat hij als neoliberalisme beschouwt.[20][21] Breed onderbouwde kritiek op de neoliberale staatsopvatting wordt voorts geleverd door de Franse socioloog en publicist Loïc Wacquant.

Een ander criticus van het neoliberalisme is Naomi Klein. Naomi Klein gebruikte de term neoliberalisme voor het streven naar privatisering, deregulering en bezuinigingen op de sociale uitgaven”, die zij de “drie-eenheid van de vrije markten” noemde.[22] Naomi Klein beschouwde Milton Friedman en Friedrich Hayek als belangrijke ideologische pleitbezorgers van minder staatsinvloed in de economie na de Tweede Wereldoorlog. Volgens Klein vonden Friedman en Hayek dat er in de Westerse wereld een keynesiaans beleid werd gevoerd met te veel staatsbemoeienis in de economie.

Andere noemenswaardige critici zijn onder meer Amartya Sen, Noam Chomsky, David Harvey, Paul Verhaeghe en Thomas Piketty. Daarnaast zijn onder meer het anti- en andersglobalisme, en het socialisme, anarchisme en andere linkse stromingen van nature zeer kritisch op het neoliberalisme. Ook binnen het IMF gaan stemmen op die stellen dat neoliberaal beleid kwalijke gevolgen heeft: het levert niet de economische groei op die het belooft, terwijl het wel meetbare inkomensongelijkheid veroorzaakt.[4]

Naast de bovengenoemde kritiek bestaat er ook waardering voor het neo-liberale gedachtengoed. Aangezien er onder economen in principe nooit brede overeenstemming bestaat over zowel de oorzaken als oplossingen van economische problemen zijn er ook mensen die de ethische superioriteit van het neo-liberale gedachtengoed benadrukken: de mens als vrijgeboren individu die andere mensen niets verschuldigd is tenzij ze dat samen overeenkomen.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Hans Achterhuis (2010), De utopie van de vrije markt, Lemniscaat.
  • Taylor C. Boas, Jordan Gans-Morse (2009). Neoliberalism: From New Liberal Philosophy to Anti-Liberal Slogan. Studies in Comparative International Development 44 (2): 137–161 . DOI: 10.1007/s12116-009-9040-5.
  • David Harvey (2005), A Brief History of Neoliberalism, Oxford University Press.
  • Dag Einar Thorsen en Amund Lie. What is Neoliberalism? Working paper, Universiteit van Oslo. Eerder verschenen in het Noors als Kva er nyliberalisme? (2007).
  • Joseph Vogl (2013), Het spook van het kapitaal, Boom.

Noten[bewerken]

  1. a b c Neo-Liberal Ideas. Glossary of globalization, trade and health terms. Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) Origineel gearchiveerd op 2004-08-06
  2. a b c d e Taylor C. Boas, Jordan Gans-Morse (June 2009). Neoliberalism: From New Liberal Philosophy to Anti-Liberal Slogan. Studies in Comparative International Development 44 (2): 137–161 . DOI: 10.1007/s12116-009-9040-5. “"Neoliberalism has rapidly become an academic catchphrase. From only a handful of mentions in the 1980s, use of the term has exploded during the past two decades, appearing in nearly 1,000 academic articles annually between 2002 and 2005. Neoliberalism is now a predominant concept in scholarly writing on development and political economy, far outpacing related terms such as monetarism, neoconservatism, the Washington Consensus, and even market reform."”.
  3. a b Achterhuis (2010).
  4. a b Jonathan D. Ostry; Prakash Loungani en Davide Furceri. Neoliberalism: Oversold?. Finance & Development 53(2). Internationaal Monetair Fonds (2016)
  5. a b Mirowski, Philip, The Road from Mont Pelerin: The Making of the Neoliberal Thought Collective, Harvard University Press, 9 Jun 2009, p. 37. ISBN 0674033183.
  6. Thorsen en Lie citeren enkele tegenvoorbeelden.
  7. Harvey (2005, p. 2): "Neoliberalism is in the first instance a theory of political economic practices that proposes that human well-being can best be advanced by liberating individual entrepreneurial freedoms and skills within an institutional framework characterized by strong private property rights, free markets, and free trade. The role of the state is to create and preserve an institutional framework appropriate to such practices. (...) if markets do not exist (in areas such as land, water, education, health care, social security, or environmental pollution) then they must be created, by state action if necessary. But beyond these tasks the state should not venture."
  8. "[A] loosely demarcated set of political beliefs which most prominently and prototypically include the conviction that the only legitimate purpose of the state is to safeguard individual, especially commercial, liberty, as well as strong private property rights".
  9. a b Thomas I. Palley. From Keynesianism to Neoliberalism: Shifting Paradigms in Economics. Neoliberalism - A Critical Reader. Pluto Press (2004)
  10. Harvey (2005), pp. 20-22.
  11. a b Harvey (2005), pp. 9 e.v.
  12. Vogl (2013, pp. 82-83).
  13. Harvey (2005), pp. 22-23.
  14. Harvey (2005), pp. 23-24.
  15. Harvey (2005), p. 97.
  16. Wolfgang Streeck en Lea Elsässer. Monetary Disunion: The Domestic Politics of Euroland. Max-Planck-Institut für Gesellschaftsforschung (2014)
  17. Barry K. Gills. The Return of Crisis in the Era of Globalization: One Crisis, or Many?. Globalizations 7(1-2) (2010)
  18. a b Bonn Juego. The Reproduction of Neoliberalism and the Global Capitalist Crisis. The Interdisciplinary Journal of International Studies 8(1) (2012)
  19. a b Merijn Oudenampsen; Miguel Robles-Duran. Mobility, Crisis, Utopia – An Interview with David Harvey. Open #21 (2011)
  20. Joseph Stiglitz, Perverse globalisering, Utrecht, Het Spectrum, 2002, passim
  21. Joseph Stiglitz, Eerlijke globalisering, Utrecht, Het Spectrum, 2006, passim
  22. Naomi Klein: De Shockdoctrine; De opkomst van rampenkapitalisme, Breda, De Geus, 2007, blz. 100