Ordoliberalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Politieke ideologieën
Dit artikel is een deel van

de reeks over politiek

Ideologie

Anarchisme
Christendemocratie
Communisme
Communitarisme
Conservatief-liberalisme
Conservatisme
Ecologisme
Fascisme
Franquisme
Feminisme
Islamisme
Klassiek liberalisme
Liberalisme
Libertarisme
Linksnationalisme
Nationalisme
Pan-nationalisme
Progressief liberalisme
Nationaalsocialisme
Neoliberalisme
Sociaaldemocratie
Socialisme

Portaal  Portaalicoon  Politiek

Het ordoliberalisme, ook wel aangeduid als neoliberalisme, was een liberale filosofische stroming van de jaren dertig tot de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Kern van deze filosofie is het verlaten van het oudere liberale principe van laisser-faire, vanuit het besef dat markten niet vanzelf ontstaan en door overheden moeten worden gecreëerd en gereguleerd, door het scheppen van rechtszekerheid, contractvrijheid en andere randvoorwaarden voor vrije concurrentie.[1] Deze gedachte ontstond in reactie op de monopolie- en kartelvorming die zich vanaf eind 19e eeuw had voorgedaan, en die beschouwd werd als bedreiging voor het concurrentieprincipe.[2]

Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog raakten de ordo-/neoliberale denkers verspreid; de paar die in Duitsland bleven, werden door de nazi's vervolgd. In Zwitserland reorganiseerde de econoom Friedrich Hayek de restanten van de beweging, nu rond een veel rechtser program, in de Mont Pèlerin Society. De benoeming als neoliberalen raakte gaandeweg in onbruik, tot in de jaren 70 de term neoliberalisme opnieuw opdook, nu ter aanduiding van Hayeks stroming en de geestverwante dictaturen in Zuid-Amerika.[2]

Na de oorlog was het ordoliberale denken (het oorspronkelijke neoliberalisme, nu niet meer zo genoemd) vooral invloedrijk in Duitsland, waar het mede de basis vormde voor de sociale markteconomie.

Walter Lippmann Colloquium[bewerken]

De term neoliberalisme is in 1938 gelanceerd op het Walter Lippmann Colloquium in Parijs.[1] Op uitnodiging van de Franse filosoof Louis Rougier kwamen liberale intellectuelen en economen bijeen om een alternatief te ontwikkelen voor het in populariteit afgenomen klassiek-liberalisme en de als bedreigend ervaren opkomst van het collectivisme en socialisme. De Franse econoom Bernard Lavergne introduceerde de term 'néo-liberalisme'. De Duitse econoom Alexander Rüstow populariseerde deze term ('neoliberalismus'). Het colloquium definieerde neoliberalisme als "de prioriteit van het prijsmechanisme, het vrije ondernemerschap, het systeem van concurrentie en een sterke en onpartijdige staat."[3]

Met de term neoliberalisme werd afstand genomen van het 19e-eeuwse laissez-faire-liberalisme. Deze beweging stond haaks op de tijdgeest van de jaren dertig die gekenmerkt werd door vergaand overheidsingrijpen in de economie (keynesiaanse theorie en totalitarisme in nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie). Het neoliberalisme omvatte verschillende economische en politieke concepten die een opleving van het liberalisme nastreefden. Overeenkomstig het klassiek-liberalisme keerden ook de meeste vertegenwoordigers van het neoliberalisme zich tegen actief ingrijpen van de staat in de economie, maar pleitte het neoliberalisme, anders dan het klassiek-liberalisme, voor overheidsbeleid dat beoogt concurrentie te bevorderen door het bestrijden van monopolies en oligopolies, met de nadruk op de onderlinge afhankelijkheid van de economische vrijheid en politiek beleid.

Met neoliberalisme werd derhalve het streven naar een gereguleerde markt bedoeld, waarbij marktinvloeden gecombineerd worden met overheidsinvloeden. Hiermee onderscheidde het neoliberalisme zich van het klassiek-liberalisme dat minimale overheidsinvloed beoogt en het socialisme dat méér overheidsinvloed dan enkel regulering nastreeft. De nadruk lag hier zoals later ook op economische aspecten van het liberalisme en niet op burgerlijke vrijheden.

Zie ook[bewerken]