Thatcherisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Voormalig premier van Groot-Brittannië Margaret Thatcher naar wie het Thatcherisme is vernoemd.

Thatcherisme is een politiek systeem of overtuiging vernoemd naar de Britse politica Margaret Thatcher. Thatcher was van 1975 tot 1990 partijleider van de Conservative Party. Van 1979 tot en met 1990 was Thatcher premier van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Een aanhanger van Thatcherisme wordt een Thatcherite genoemd.

Zowel de exacte definitie van Thatcherisme als de betekenis voor de Britse geschiedenis is controversieel. Op het gebied van ideologie wordt Thatcherisme door voormalig Minister van Financiën Nigel Lawson omschreven als politiek beleid dat uitgaat van vrijemarkteconomie, lage overheidsuitgaven en belastingverlagingen. Dit zou gepaard gaan met Brits nationalisme.[1] Ook het kabinet van premier Tony Blair, dat met New Labour de verkiezingen van 1997 had gewonnen, hield een aantal van Thatchers beleidspunten in stand, waaronder deregulatie, privatisering van nationale industrieën, flexibilisering van de arbeidsmarkt, marginalisatie van de vakbonden en verdere devolutie naar lokale overheden.[2]

Overzicht[bewerken]

Thatcherisme pleit voor lage inflatie, een kleine overheid en een vrijemarkteconomie door scherp toezicht op de vraag en aanbod van geld. Ook wil het de macht van vakbonden beperken. Thatcherisme wordt ook vergeleken met Reaganomics in de Verenigde Staten, economisch rationalisme in Australië en Rogernomics in Nieuw-Zeeland. Het Thatcherisme is een onderdeel van economisch liberalisme.

Libertarisme[bewerken]

Thatcherisme wordt vaak aangeduid als een libertarische ideologie. Thatcher vond dat zij een libertarische beweging binnen de Conservative Party had gecreëerd[3][4], dat het traditionele gedachtegoed van de partij verwierp.[5] Echter, een aantal commentatoren argumenteert dat het Thatcherisme niet geheel libertarisch was. Zo wordt het sterke optreden van Thatchers kabinet tegen de vakbonden gezien als een beweging naar een sterke centrale overheid.[6] Ook zou het kabinet-Thatcher de identiteit van "Groot-Brittannië hebben genationaliseerd".[7]

Economie[bewerken]

Thatcherisme wordt geassocieerd met monetarisme. In tegenstelling tot voorgaand regeringsbeleid gaf Thatchers monetaristisch beleid prioriteit aan het beheersen van inflatie in plaats van het beheersen van werkloosheid. Haar adviseur Alan Budd suggereerde in een interview in 1992 zelfs dat de recordwerkloosheid die uit dit beleid voortkwam de bedoeling ervan was. Thatchers economen zouden geprobeerd hebben (met succes) een industrieel reserveleger te vormen om zo de macht van de georganiseerde werkende klasse te breken.[8]

Volgens het monetarisme is inflatie het resultaat van een overschot aan geld binnen een economie. Er werd beweerd dat de overheid de maatschappelijke geldhoeveelheid moest beheren om inflatie te beheersen. Echter, in 1979 waren het niet alleen de Thatcherites die pleitten voor strengere controle op inflatie. Minister van Financiën voor de Labour Party Denis Healey had al een aantal monetaristische maatregelen genomen, zoals het terugdringen van overheidsuitgaven en het verkopen van staatsaandelen in BP.

Thatcherisme werd ook geassocieerd met aanbodeconomie. Daar waar het keynesianisme stelt dat de overheid economische groei kan stimuleren door hogere overheidsuitgaven, stelt de aanbodeconomie dat de overheid alleen mag ingrijpen om een vrije markt te creëren. Dit kan door middel van belastingverlaging, privatisering en het beperken van de macht van vakbonden.

Europa[bewerken]

Tegen het einde van de jaren tachtig werd Margaret Thatcher, en daarmee het Thatcherisme, steeds kritischer over de ontwikkeling van de Europese Unie en het effect daarvan op de Britse soevereiniteit. Tijdens een toespraak in Brugge in 1988 zei Thatcher: "We have not successfully rolled back the frontiers of the state in Britain, only to see them re-imposed at a European level with a European super-state exercising a new dominance from Brussels." ("We hebben niet met succes de invloed van de staat in Groot-Brittannië teruggedrongen om nu te merken dat hij opnieuw ingesteld wordt, maar dan op Europees niveau door een Europese superstaat die een nieuwe dominantie vanuit Brussel uitoefent").[9]

Hoewel euroscepsis een belangrijk kenmerk is van Thatcherisme, was Margaret Thatcher niet altijd consistent over het onderwerp. Thatcher werd pas sterk eurosceptisch tijdens haar laatste jaren als premier van Groot-Brittannië. In 1973 steunde Thatcher de toetreding van Groot-Brittannië tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG). In 1975 werd er een referendum gehouden in Groot-Brittannië over de vraag of het land lid moest blijven van de EEG. Thatcher voerde campagne voor het 'Ja-kamp'.[10] In 1986 tekende Margaret Thatcher de Europese Akte.[11]

Thatcherisme als regeringsvorm[bewerken]

Een ander belangrijk aspect van Thatcherisme is de stijl van regeren. Groot-Brittannië werd in de jaren zeventig vaak omschreven als "onregeerbaar". Thatcher wilde dit herstellen door een groot deel van de macht te centraliseren bij de minister-president. Hiermee zouden bestaande kabinetsprocedures en -commissies worden omzeild. Thatcher zou als premier een onverzettelijke houding hebben gehad, bijvoorbeeld tijdens de Falklandoorlog, de bomaanslag in Brighton en de mijnwerkersstaking.

Thatchers nalatenschap[bewerken]

Plakkaat aan het geboortehuis van Margaret Thatcher in Grantham: Geboorteplaats van Margaret Thatcher, eerste vrouwelijke minister-president van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Thatcherisme had een doorgaande invloed op de Britse politiek. In 2002 veklaarde Peter Mandelson, parlementslid voor de Labour Party en sterk verbonden met Tony Blair, dat "we are all Thatcherites now" ("we nu allemaal Thatcherites zijn").[12]

Wat de moderne Britse politieke cultuur betreft, kan worden gezegd dat er een "post-Thatcherite consensus" bestaat, vooral op het gebied van economisch beleid. Onder Neil Kinnock, leider van de Labour Party van 1983 tot en met 1992, schoof Labour naar de rechterkant van het politieke spectrum. Kinnock stemde grotendeels in met de economische beleidspunten van de kabinetten-Thatcher. De New Labour-kabinetten van Tony Blair en Gordon Brown worden door sommigen omschreven als "neo-Thatcherite", aangezien veel van hun economisch beleid leek op dat van Thatcher.[13]

Vandaag de dag hebben de meeste politieke partijen in Groot-Brittannië Thatchers economisch beleid overgenomen. Zo zijn de meeste politieke partijen voorstander van privatisering, en streven zij naar een vrijemarkteconomie.

Desalniettemin zijn, dankzij 'Thatcherite' economisch beleid, Groot-Brittanniës macro-economische prestaties verbeterd. Sinds het aftreden van Thatcher als Britse premier was de economische groei van Groot-Brittannië hoger dan het EU-gemiddelde. Bovendien was de werkloosheid in Groot-Brittannië aan het begin van de 21e eeuw lager dan in de rest van de EU. Deze macro-economische vooruitgang was waarschijnlijk het resultaat van economische consensus tussen Thatcherites enerzijds en New Labour anderzijds.

In 2010 schreef Tony Blair in zijn autobiografie A Journey dat "Britain needed the industrial and economic reforms of the Thatcher period." ("Groot-Brittannië de industriële en economische hervormingen van de Thatcher-periode nodig had"). Hij omschreef Thatchers inspanning als "ideological, sometimes unnecessarily so" ("ideologisch, hoewel soms onnoodzakelijk"). Blair zei ook dat "much of what she wanted to do in the 1980s was inevitable, a consequence not of ideology but of social and economic change" ("veel van wat zij wilde doen onvermijdelijk was in de jaren tachtig, niet een gevolg van ideologie maar van sociale en economische veranderingen.").[14]

Zie ook[bewerken]