Naar inhoud springen

Conjunctuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Conjunctuur of fluctuatie is de verandering van het groeipercentage van de economie of de productie op de korte termijn. De gemiddelde groei over de lange termijn noemen we de trendmatige groei.

Fasen van de conjunctuur

[bewerken | brontekst bewerken]

Een conjunctuurgolf omvat de volgende vier fasen:[1]

  • Economische expansie: de productie en economische groei nemen toe. In een later stadium neemt de werkloosheid af, en wordt ook meer in grotere projecten geïnvesteerd.
  • Recessie: de economische groei bereikt zijn piek met een hausse en vlakt af, bedrijven ervaren een plotselinge afname van het aantal orders. De economie blijft groeien, maar aan een trager tempo. Er wordt ook wel gesproken van een "economische vertraging".
  • Crisis: de economie krimpt, productie en economische groei nemen af. In een later stadium vallen er ontslagen. Dit wordt ook wel een baisse genoemd.
  • Economisch herstel: de economie bereikt een dieptepunt met een depressie en begint nadien weer aan te trekken. Het aantal orders neemt toe en wanneer voorzichtig de groei weer inzet, profiteert de uitzendmarkt hiervan meestal als eerste.

Als de productiegroei vertraagt of zelfs negatief wordt dan spreekt men van een recessie. Is de productie lager dan de productiecapaciteit van een land, dan is sprake van laagconjunctuur. Wanneer de vraag en daardoor de productie toeneemt en de productiecapaciteit nadert, heerst een hoogconjunctuur. In de eerste fase van de opgang bestaat meestal onbenutte productiecapaciteit, de extra vraag kan worden opgevangen door meer te produceren. Wordt de productiecapaciteit nagenoeg volledig benut en de vraag houdt aan dan stijgen de prijzen, bestedingsinflatie. Bedrijven zullen in deze omstandigheden de investeringen opvoeren, de productiecapaciteit neemt toe om aan de extra vraag te voldoen.

De verhoogde economisch groei, als een gevolg van de combinatie van de vraag naar producten en investeringsgoederen en inflatie, leidt tot een oververhitting (overspanning), omdat de vraag groter is dan de productiecapaciteit van het land. De hoogconjunctuur kan omslaan en dan begint de neergang naar een laagconjunctuur. Als deze langer duurt dan twee kwartalen noemen we dit een crisis.

Het conjunctuurbeleid van de overheid is erop gericht om tot bestedingsevenwicht te komen want dan ondervindt men niet de nadelige gevolgen, zoals een hoge werkloosheid, van een laagconjunctuur en ook niet het gevaar, inflatie, dat een hoogconjunctuur met zich brengt.

Soorten conjunctuurbewegingen

[bewerken | brontekst bewerken]

De tijdsduur van de golfbewegingen varieert door de keuze van het beschreven fenomeen. Men spreekt in dit verband over kortdurige en langdurige (of lange) golven. Hoewel niet alle conjunctuurgolven algemeen worden aanvaard, zijn er verschillende conjunctuurgolven voorgesteld:[2]

Verder bestaan er ook seizoensvariaties, hoewel die niet tot de conjunctuurbewegingen worden gerekend en ook vaak erg sectorspecifiek zijn. Hierbij kan men denken aan vakanties, zomerwerk, de feestdagen aan het eind van het jaar, het weer, wat dan weer effect kan hebben op horeca, detailhandel, de uitzendsector, toerisme, etc.

De golfbewegingen worden met een bepaald type investeringen geassocieerd.[2] De Kitchin betreft investeringen in voorraden en onderhanden werk, de Juglar met die in machines en bij Kuznetz gaan het om investeringen in bedrijfsgebouwen en woningen. Bij Kondratieff betreffen het kapitaalgoederen met een zeer lange levensduur, denk hierbij aan verkeersinfrastructuur of industriële complexen.

Weergave conjunctuur

[bewerken | brontekst bewerken]

De conjunctuur kan als volgt grafisch worden weergegeven. De conjunctuur verloopt in golven omdat het een korte-termijnbeweging is, maar op de lange termijn is er sprake van een trendgroei. Groeit de economie sneller dan de trend, dan is er sprake van hoogconjunctuur en is de groei trager dan spreken we van laagconjunctuur.

De Nederlandse conjunctuurgolf als afwijking ten opzichte van de trend wordt weergegeven door de conjunctuurindicator van De Nederlandsche Bank.[3] Hierbij worden vier fasen onderscheiden:

  • Expansie: de economische groei versnelt en is hoger dan de trendgroei.
  • Vertraging: de economische groei is boven trendgroei, maar neemt af.
  • Neergang: de economische groei neemt af en is lager dan de trendgroei.
  • Herstel: de economische groei is beneden trendgroei maar neemt toe.

Oorzaken conjunctuurbewegingen

[bewerken | brontekst bewerken]

De conjunctuurbeweging wordt bepaald door de productie (aanbod) en de vraag naar goederen. Als deze veranderen, is er een beweging in de conjunctuur. Er zijn zowel externe als interne oorzaken die vraag en aanbod beïnvloeden. De externe oorzaken zijn niet economisch van aard, maar kunnen wel economische gevolgen met zich brengen en soms ook door economische motivatoren worden aangestuurd.

Externe economische factoren:

Interne economische factoren:

Conjunctuurbewegingen kunnen dan ook in diverse landen verschillend aankomen. De duur van de golfbewegingen kan uiteenlopen evenals hun amplitude. Bovendien speelt de trendmatige groei mee. Wanneer deze hoog is, bijvoorbeeld in een opkomende markt, zal een uitbundiger en langduriger groei worden ervaren en uit de recessie zich slechts in een korte groeivertraging. Wanneer deze trend een kleine of negatieve groei vertoont (bijvoorbeeld in ontwikkelde markten of landen die door economische of niet-economische problemen geplaagd worden), zal de groei kleiner zijn en korter duren, en zijn de recessies dieper en langduriger. Langere golfbewegingen kunnen de kortere beïnvloeden: wanneer een langdurige conjunctuurgolf zoals de kondratieffgolf neergaand is, zullen in kortduriger conjunctuurgolven de recessies zwaarder en langer en de groei kleiner en korter zijn, terwijl in een opgaande kondratieffgolf de groei uitbundiger en de recessie minder ernstig is.

Beleid van de overheid

[bewerken | brontekst bewerken]

Een belangrijke econoom die zich bezighield met conjunctuur is John Maynard Keynes. Hij stelde, in tegenstelling tot de klassieke economen zoals Adam Smith, dat een economie zich niet altijd vanzelf herstelt maar dat de overheid bij laagconjunctuur de koopkrachtstroom weer op gang moet brengen door bestedingsimpulsen in de economie, door bijvoorbeeld te investeren in grote publieke werken, of door de belastingen te verlagen.

Overheden willen een zo stabiel mogelijke economie, zij willen zowel inflatie als werkloosheid tegengaan door een contracyclisch beleid te voeren.[4] De maatregelen worden tegen de conjunctuur in genomen. Wanneer de groei vertraagt kunnen overheden de belastingen verlagen en/of de overheidsbestedingen verhogen waardoor de geaggregeerde vraag (macro-vraag) zal stijgen. Om de vraag af te remmen zal de overheid juist de belastingen verhogen en/of de overheidsbestedingen verlagen. Beide instrumenten zijn een onderdeel van het begrotingsbeleid van de overheid. De overheid is niet onbeperkt in de mogelijkheden, zij moet streven naar begrotingsevenwicht. In het Stabiliteitspact tussen de eurolanden is afgesproken dat het overheidstekort niet meer dan 3% van het bbp mag bedragen en de overheidsschuld niet meer dan 60% van het bbp mag zijn.

Belangrijk nadeel van deze instrumenten is dat het lange tijd duurt voordat de gewenste maatregelen daadwerkelijk zijn genomen en effect hebben op de economie.

Beleid van de centrale bank

[bewerken | brontekst bewerken]

Monetaire instrumenten worden ingezet door de Europese Centrale Bank (ECB), die als primaire doelstelling prijsstabiliteit nastreeft, door het inflatiepeil op middellange termijn op 2% te houden. Stijgt de inflatie in tijden van hoogconjunctuur, dan kan de ECB de economie afremmen door de rente verhogen. De banken zullen dan een hogere rente moeten betalen voor het geleende geld bij de ECB en zelf hun rente verhogen om dit te compenseren. Als de nominale rente sterker stijgt dan de inflatie, dan stijgt de reële rente en wordt de economie afgeremd.

Als de inflatie in tijden van laagconjunctuur daalt, kan de ECB de economie stimuleren door de rente te verlagen. Wanneer de nominale rente sterker daalt dan de inflatie dan daalt de reële rente.

De ECB kan ook repo's (repurchase agreement of transactie met wederverkoop) inzetten als monetair instrument om de liquiditeit van de banken op korte termijn te beïnvloeden. Bij laagconjunctuur bijvoorbeeld koopt de ECB bij een repo contant effecten van de banken en verkoopt tegelijk op termijn dezelfde effecten terug aan de banken. Zo wordt de liquiditeit van de banken tijdelijk, maar veelal kortstondig, beter en kunnen er meer kredieten worden verleend.

Sinds het uitbreken van de kredietcrisis is het instrumentarium van de centrale banken sterk uitgebreid. De traditionele methoden om de economie te sturen, zoals verlaging van de officiële rentetarieven, werkten onvoldoende omdat de rente toen al nul procent was. De kwantitatieve versoepeling werd geïntroduceerd. Centrale banken kunnen obligaties kopen van overheden en bedrijven met een hoge kredietwaardigheid, waarmee de verkopende banken weer geld in handen krijgen om uit te lenen en zo de economie een impuls te geven. Deze obligaties kunnen voor jaren in handen blijven van de centrale banken.

Deze monetaire instrumenten hebben veel sneller invloed op de economie dan de eerder genoemde overheidsmaatregelen.

Positie in golf

[bewerken | brontekst bewerken]

Wil het beleid van de overheden en centrale banken effectief zijn, dan moet niet alleen de juiste besluiten worden genomen, maar ook op het juiste moment. Hiervoor is de plaats van de economie op de golf van groot belang. Het is van belang te onderstrepen dat hier de kortste golf wordt bedoeld, de Kitchin- of voorraadinvesteringscyclus. Dit geldt ook voor de beleidsinstrumenten van de overheden en centrale banken.

Het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikt hiervoor de conjunctuurklok.[5] De conjunctuurklok is een hulpmiddel voor het bepalen van de stand en het verloop van de Nederlandse conjunctuur. De CBS maakt hierbij gebruik van relevante en recente economische informatie. Er worden twaalf variabelen gebruikt, waaronder: consumentenvertrouwen, producentenvertrouwen, consumptie, productie, investeringen, faillissementen, werkloosheid, vacatures, omzet uitzendbranche en de prijzen van koopwoningen. Al die variabelen worden als een ongewogen gemiddelde in een grafiek weergegeven. De Nederlandsche Bank maakt gebruik van de conjunctuurindicator.

In België brengt de Federale Overheidsdienst (FOD) de conjuncturele ontwikkelingen in kaart.[6] Het analyseert recente statistieken over economische indicatoren zoals het bruto binnenlands product, de tewerkstelling en de inflatie. De gegevens hiervoor zijn afkomstig van Statbel, de Nationale Bank van België, het Instituut voor de Nationale Rekeningen, Eurostat en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

In de Verenigde Staten brengt de National Bureau of Economic Research (NBER) de cycle in kaart.[7]

Conjunctuurgevoeligheid

[bewerken | brontekst bewerken]

Conjunctuurfluctuaties treffen niet iedere branche even hard. Sommige branches en producten zijn zeer conjunctuurgevoelig en reageren sterk op conjunctuurschommelingen. Andere branches reageren hier minder sterk op, en weer anderen reageren zelfs tegengesteld aan de conjunctuur. Ook lopen sommige sectoren op de conjunctuur vooruit terwijl anderen hierop achterlopen.

Conjunctuurgevoelig zijn:

  • Goederen en diensten met hoge inkomenselasticiteit, ze zijn dit omdat men hier als eerste op gaat bezuinigen wanneer het eventjes wat minder zit. Men kan denken aan luxeproducten en -diensten zoals merkkleding, dure auto's, duur restaurantbezoek.
  • De financiële sector. Rente- en economische bewegingen, en economische ingrepen als gevolg van de conjunctuur, beïnvloeden direct de vraag naar financiële producten.
  • De bouw. Deze reageert over het algemeen met wat vertraging op de conjunctuur omdat men pas in dure langetermijnprojecten wil stappen wanneer de vooruitzichten langdurig goed zijn. Anderzijds zal ook een conjunctuurdaling vertragend doorwerken, omdat men niet op korte termijn uit bouwprojecten kan stappen.
  • Compliance loopt eveneens achter op de conjunctuur, doordat economische crisis in een later stadium leiden tot regulering.
  • De uitzendbranche loopt meestal vooruit op de conjunctuur omdat men vaak uit voorzichtigheid begint met tijdelijke krachten aan te trekken als het beter begint te gaan. Als het even slechter gaat zal men als eerste hierop bezuinigen. Als het langdurig beter gaat zal men ook permanente krachten willen aantrekken waardoor de recruiteringsbranche in een later stadium dan de uitzendbranche aantrekt.
  • De onroerend goedmakelaardij.
  • Binnen de juridische branche zijn vooral effectenrecht, onroerend goed, fusies en overnames, vennootschapsrecht, belastingrecht en structured finance conjunctuurgevoelig. Dit heeft te maken met het feit dat grote projecten en beursintroducties worden uitgesteld of afgesteld als het even wat minder gaat.
  • Accountancy en zakelijke dienstverlening. Hoewel dit veel taken behelst waartoe ondernemers sowieso verplicht zijn (jaarrekening, belastingaangifte), omvat dit ook veel uitbestede taken die veel ondernemers als het minder gaat weer zelf gaan doen.

Conjunctuurongevoelig zijn:

  • Inkomensinelastische goederen, waaronder water, energie, dagelijkse behoeften, kleding, zout, peper, etc. Deze zaken moet men hoe dan ook afnemen.
  • Binnen de juridische branche zijn vooral familierecht, strafrecht, consumentenrecht, erfrecht en burenrecht relatief conjunctuurongevoelig, omdat deze zaken zich blijven voordoen ongeacht de conjunctuur.

Branches, goederen en diensten waarvan de vraag tegengesteld aan de conjunctuur loopt, zijn:

  • De deurwaarders-, faillissements- en incassobranche. Laagconjunctuur veroorzaakt veel betalingsproblemen en faillissementen, en daarmee veel vraag naar deze diensten. Binnen de juridische branche verlopen dan ook insolventie- en incassorecht tegengesteld aan de conjunctuur.
  • Goedkopere supplementen van duurdere goederen (inferieure goederen).
  • De goudhandel, omdat goud als veilige belegging wordt gezien.

Overigens kunnen ook de (financiële) situatie van het bedrijf zelf, het management, het overheidsbeleid, de lokale economie, en externe factoren zoals natuurrampen of epidemieën, invloed op een bedrijf hebben.

  • Wanneer de rente stijgt, brengen spaargelden meer op, gaat men meer geld op de spaarrekening storten en dus minder consumeren.
  • Wanneer de rentevoet stijgt, zijn leningen om te investeren duurder en gaat men minder investeren.
  • Wanneer de Europese intrestvoet stijgt, zijn Amerikaanse beleggers geneigd hun kapitaal in Europa te beleggen. De vraag naar euro's op de valutamarkt zal stijgen, waardoor de wisselkoers van de euro zal stijgen ten opzichte van de Amerikaanse dollar, met andere woorden: de euro apprecieert ten opzichte van de dollar.
  • Door een appreciatie van de euro wordt voor Amerikaanse afnemers importeren duurder en voor Europese afnemers wordt importeren vanuit de VS goedkoper. De Europese netto-export daalt.
  • Een stijging van de rente veroorzaakt een afname van de aggregate vraag en een daling van het reële bbp.
  • Hoe hoger de inflatie, hoe hoger de rente, hoe lager de aggregate vraag, hoe groter de daling van het reële bbp.