Deflatie (economie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ontwikkeling van de prijsindexen in Japan, 1980-2008. Vanaf 1993 trad deflatie op; de daaropvolgende periode geldt als een 'verloren decennium' voor de Japanse economie.

Deflatie ('uitblazen') is in de economie een aanhoudende daling van het algemene prijsniveau. Anders gezegd is deflatie een negatieve inflatie. Hoewel deflatie op de korte termijn een stijging van de koopkracht betekent, kan het op de middellange termijn zeer schadelijke gevolgen hebben, omdat het de winstgevendheid van bedrijven aantast: zowel huishoudens als bedrijven zullen consumptie en investeringen uitstellen. Deflatie wordt dan ook geassocieerd met recessies.

Effecten[bewerken]

Het lijkt dat dit een gunstig effect op de economie zou moeten hebben, maar deflatie kan zeer schadelijk voor de economie zijn, omdat consumenten hun bestedingen zullen uitstellen: over een jaar kunnen zij immers meer kopen voor dezelfde hoeveelheid geld. De bedrijven zullen nu hun prijzen nog meer moeten verlagen om hun klanten te behouden. Hiermee is de indruk van de consument bevestigd: wachten loont. Ze zullen hierdoor nog langer wachten op nog lagere prijzen: een negatieve spiraal is geboren. Gevolg hiervan is echter dat de omzet van bedrijven verder terugloopt, waardoor zij in de problemen kunnen komen. De deflatie heeft ook invloed op de conjunctuur. Bij deze platitude dient men wel alle omstandigheden in aanmerking te nemen, voor men tot een oordeel komt. Er zijn namelijk ook economen die wijzen op de productverbetering -een vorm van deflatie, omdat men een beter product voor hetzelfde of minder geld krijgt-, die wel degelijk mensen tot kopen overhaalt. Zo verbeteren fabrikanten de computers continu en toch stellen mensen de aanschaf ervan echt niet (lang) uit.

Een ander effect van deflatie is dat de reële rente stijgt: de schulden moeten immers nominaal afgelost worden, dus met een geldbedrag dat door de deflatie reëel meer waard is geworden dan op het moment dat de schuld werd aangegaan. Aangezien de nominale rentestand niet lager kan worden dan nul, is er een absolute grens voor het stimuleren van investeringen door verlaging van de rentestand en kan het rente-effect van oplopende deflatie niet onbeperkt worden gecompenseerd.

Uiteindelijk kan de economie op deze wijze in een recessie terechtkomen. Soms kan het verschijnsel zelfs leiden tot een totale economische ineenstorting: een berucht voorbeeld is de Grote Depressie vanaf 1929. Een veel gematigder variant van het scenario heeft zich voltrokken in Japan, dat vanaf de jaren 80 gedurende langere tijd deflatie kende.

Om deze reden wordt meestal geprobeerd deflatie te voorkomen. De instantie (regering of centrale bank) die het uitgeven van geld beheert, en daarmee het monetair beleid voert, streeft veelal naar het handhaven van een lage inflatie, het tegengestelde van deflatie. Het grootste risico wordt gelopen wanneer de rente al laag is: de oplopende besparingen door bestedingsuitstel kunnen dan niet tot een nog lagere rentestand leiden, het normale evenwichtsmechanisme.

Deflatie is minder zeldzaam dan algemeen wordt aangenomen. De Britse econoom Roger Bootle schreef hierover het boek “The Death of Inflation” (1997, ISBN 1-85788-148-6). Hij heeft de prijsontwikkeling in Groot-Brittannië onderzocht vanaf 1264 en concludeert dat 97% van alle Britse inflatie in de onderzochte periode heeft plaatsgevonden sinds 1940. Inflatie is volgens hem de uitzondering die de regel bevestigt.

Externe link[bewerken]