Kondratieffgolf

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Kondratieff-golf)
Ga naar: navigatie, zoeken
Versimpelde weergave van de kondratieffgolf.

Kondratieffgolven (ook gespeld Kondratjev, Kondratiev, Kondratiew) of lange (conjunctuur)golven zijn de benaming voor een conjunctuurbeweging in de moderne kapitalistische wereldeconomie. Lange golven hebben een periode van vijftig tot zestig jaar en beschrijven een afwisseling van hoge sectoriële groei met tragere groei. Deze economische cyclus is beter zichtbaar in internationale productie dan in individuele nationale economieën en heeft bovendien meer betrekking op productiehoeveelheid dan op prijzen.

Sommige economen verdelen de kondratieffgolf in twee ‘seizoenen’: de kondratieffherfst en het latere gedeelte de kondratieffwinter. Een bullmarkt wordt geassocieerd met herfst en een bearmarkt met winter. Meer gebruikelijk is Kondratjevs eigen indeling in vier afzonderlijke perioden of seizoenen, met een kenterpunt (instorting) tussen de eerste en de laatste twee.

Geschiedenis en ontwikkeling van de theorie[bewerken]

De Russische econoom Nikolaj Kondratjev (1892-1938) was een van de eersten die deze observaties naar voren brachten. Hij presenteerde ze in de jaren 20. Twee Nederlanders, Jacob van Gelderen (1891-1940) en Salomon de Wolff (1878-1960), hadden al eerder geduid op het bestaan van vijftig tot zestig jaar durende cycli: Van Gelderen in 1913, De Wolff in 1924.[1] Omdat beiden echter enkel in het Nederlands publiceerden, kregen hun ideeën pas veel later bekendheid.

Aanvankelijk ontwikkelden zich vier denkscholen over de vraag waarom kapitalistische economieën zulk een cyclus ondergaan. Deze denkscholen draaiden rond innovaties, kapitaalinvesteringen, oorlog en kapitalistische crisis.

Kondratjevs ideeën werden in de jaren 1930 opgepikt door Joseph Schumpeter. De theorie stelde als hypothese het bestaan van heel lange macro-economische cycli en prijscycli, oorspronkelijk met een geschatte duur van 50 tot 54 jaar. Schumpeter bepleitte bovendien het tegelijkertijd bestaan van kondratieff-, kuznets-, juglar- en kitchingolven, terwijl Kondratjev en Kuznets rivalen waren en elkaars theorieën niet wilden erkennen.

Verloop van kondratieffgolven[bewerken]

Volgens de theorie van innovatie berust het opwaartse deel van deze golven op de opeenhoping of clusters van basisinnovaties die technologische revoluties veroorzaken, die op hun beurt leidende industriële en economische sectoren creëren; deze vormen dan een tegenwicht voor de wet van de dalende winstvoet die het neergaande deel van de cyclus veroorzaakt.[2] Zo'n basisinnovatie hoeft niet per se gloednieuw te zijn, maar dient wel een zekere ontwikkeling te hebben en de maatschappij en technische ontwikkeling moeten er op dat moment klaar voor zijn en er behoefte aan hebben. De auto bestond bijvoorbeeld al enige tijd toen hij de vierde kondratieffgolf ging aanjagen, maar werd nu voor een veel breder publiek beschikbaar en leidde bovendien tot ingrijpender veranderingen. Het stoomkrachtprincipe, aanjager van de tweede kondratieffgolf, was zelfs al in de Oudheid ontdekt, maar men zag er destijds geen praktische toepassing voor. Basisinnovaties kunnen ook gecombineerd worden met producten uit eerdere kondratieffgolven die zodoende nog steeds hun nut behouden: een voorbeeld is het monteren van navigatiesystemen (vijfde kondratieffgolf) in auto's (vierde kondratieffgolf).

Nefiodow gaat ervan uit dat tijdens de eerste fase van een kondratieffgolf de basisinnovaties worden gevonden die een bepaalde behoefte vervullen die merkbaar werd tijdens het aflopen van de vorige golf. De tweede fase breekt aan wanneer deze basisinnovaties zodanig ontwikkeld zijn dat ze voor een steeds breder publiek op de markt komen en zodoende via de bedrijven die ze produceren de economische groei stimuleren. In de derde fase raakt de markt verzadigd en treedt de kentering op, waarna de vierde fase, de crisis, aanbreekt. Tijdens deze crisis worden vaak hervormingen doorgevoerd als reactie op de ervaringen uit de eerdere fases, en dient zich de behoefte aan die zal leiden tot een of meerdere nieuwe basisinnovaties voor de volgende golf.[3]

Alternatieven[bewerken]

Sinds de eerste ontwikkeling van deze theorie hebben verschillende studies het aantal mogelijke cycli vergroot, waarbij men langere en kortere cycli vond in de gegevens. De marxistische wetenschapper Ernest Mandel deed de interesse in de langegolftheorie opleven door zijn essay in 1964, dat het einde van de lange boom binnen vijf jaar voorspelde, en in zijn Alfred Marshall-lezingen van 1979. In Mandels theorie is er echter geen sprake van lange “cycli”, maar alleen van verschillende tijdperken die zich van elkaar onderscheiden door snellere en tragere groei met een duur van 20 tot 25 jaar.

Kritiek[bewerken]

De langegolftheorie wordt niet aanvaard door de meeste neoklassieke economen, die technische veranderingen en innovaties meer als exogeen dan als endogeen fenomeen beschouwen in relatie tot economie. Het is echter een van de steunpilaren van innovatiegebaseerde, ontwikkelings- en evolutionaire economie – met andere woorden: een van de grote heterodoxe stromingen in de economie.

Onder de economen die de theorie aanvaarden, bestaat geen duidelijke overeenstemming over de begin- en eindjaren van de afzonderlijke cycli. Dit is een ander punt van kritiek op de theorie: het komt neer op patronen zien in een massa van statistieken die veel ruimte voor subjectiviteit openlaat. Tevens is er gebrek aan overeenstemming over de achterliggende oorzaken van dit fenomeen. Ook is men het oneens over de invloed van externe factoren zoals natuurrampen en oorlogen. Waarschijnlijk vanwege het ontbreken van betrouwbare statistische gegevens of een gebrek aan economisch en technisch inzicht, zijn er geen kondratieffgolven van voor 1771 bekend. Verder reflecteert de theorie sterk het Europese economische model, dat werd geëxporteerd naar andere landen. Zodoende kan het als eurocentrisch worden gezien.

Geïdentificeerde kondratieffgolven[bewerken]

De meeste aanhangers van de theorie zijn het echter eens met het “Schumpeter-Freeman-Perez”-paradigma van vijf golven sinds de industriële revolutie en de zesde die eraan komt. Deze vijf cycli zijn:

  • Industriële revolutie, gebaseerd op textielproductie en aanleg van kanalen – 1771
  • Tijdperk van stoom en spoorwegen, gebaseerd op stoomkracht en de trein – 1829
  • Tijdperk van staal en elektriciteit, gebaseerd op bessemerstaal, elektriciteit en chemie – 1875
  • Tijdperk van olie en de auto, gebaseerd op auto's en wegen – 1908
  • Informatietijdperk, gebaseerd op computers, telecommunicatie en het internet – 1971[4]

De eerste en tweede cyclus begonnen in het Verenigd Koninkrijk, de derde in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en de Verenigde Staten, waarna de Verenigde Staten het voortouw namen met de vierde en vijfde kondratieffgolf (hoewel de vijfde golf uiteindelijk sneller door Europa en Japan werd opgepikt).

Volgens deze theorie bevinden we ons momenteel in de tweede helft van de vijfde cyclus, maar waar precies (keerpunt, neergang of crisis) is niet duidelijk. Wanneer de zesde cyclus gaat beginnen is daarom eveneens niet duidelijk. Zowel de dotcomcrisis als de kredietcrisis kunnen worden aangehaald als crises die de kentering markeren. Het begin van de opgang naar de zesde cyclus zou dan wellicht tussen 2015 en 2030 kunnen plaatsvinden. Ook op de vraag welke basisinnovaties deze zesde cyclus gaan aanjagen kan nog geen eenduidig antwoord worden gegeven. Een basisinnovatie dient een zekere toegevoegde (behoeftevervullende) waarde en een marktvolume te hebben, wil ze als aanjager functioneren. Kandidaten zijn biotechnologie, nanotechnologie, schone en duurzame energie, milieubescherming, robotisering en nieuwe ontwikkelingen in de gezondheidszorg.[3]

Immanuel Wallerstein wijst erop dat een cyclus van globale oorlogen verbonden is met de kapitalistische lange golven: grote, zeer destructieve oorlogen beginnen telkens vlak voor een productieverhoging.[5]

Zie ook[bewerken]