Michel Foucault

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Michel Foucault
Afbeelding gewenst
Persoonsgegevens
Naam Paul-Michel Foucault
Geboren Poitiers, 15 oktober 1926
Overleden Parijs, 25 juni 1984
Land Vlag van Frankrijk Frankrijk
Oriënterende gegevens
Discipline Filosofie
Domein Continentale filosofie
Tijdperk Hedendaagse filosofie
Stroming Structuralisme, poststructuralisme
Belangrijkste ideeën épistémè, vertoog, discoursanalyse, disciplinemaatschappij, dispostief, panopticum, biomacht, biopolitiek, bestuurlijkheid, genealogie
Beïnvloed door Louis Althusser, Gaston Bachelard, Georges Bataille, Charles Baudelaire, Maurice Blanchot, Georges Canguilhem, Georges Dumézil, Martin Heidegger, Jean Hyppolite, Immanuel Kant, Friedrich Nietzsche, Jules Vuillemin
Beïnvloedde Talal Asad, Giorgio Agamben, Pierre Bourdieu, Judith Butler, Gilles Deleuze, Hubert Dreyfus, Félix Guattari, Ian Hacking, Michael Hardt, Antonio Negri, Paul Rabinow, Edward Saïd
Belangrijkste werken
1966 Les mots et les choses
1975 Surveiller et punir
1976 Histoire de la sexualité I: La volonté de savoir
1984 Histoire de la sexualité II: L'usage de plaisirs
Portaal  Portaalicoon   Filosofie

Paul-Michel Foucault (Poitiers, 15 oktober 1926 - Parijs, 25 juni 1984) was een Frans filosoof. Hij is bekend vanwege zijn vernieuwende analyses in de politieke filosofie via begrippen zoals disciplinemaatschappij, biopolitiek en biomacht. Foucault wordt geplaatst binnen de continentale filosofie, concreter wordt zijn werk verbonden met stromingen zoals structuralisme en poststructuralisme, hoewel hij geen van deze termen zelf accepteerde. Verder is hij ook bekend vanwege zijn politiek activisme in de jaren 70 en 80 in Frankrijk.

Het oeuvre van Foucault wordt traditioneel ingedeeld in drie periodes. In de vroege periode, tot 1975, richt Foucaults onderzoek zich op een analyse van het ontstaan van de menswetenschappen en hun onderzoeksobjecten: de waanzinnige en de patiënt. In deze periode onderzocht Foucault de verschillende conceptuele systemen, épistémès genaamd, die waarheid en kennis binnen een periode bepalen. De twee grote inspiratiebronnen uit deze periode zijn de Franse traditie in de epistemologie enerzijds en het structuralisme anderzijds. Het bekendste werk uit deze periode is Les mots et les choses (1966) en Foucault typeert zijn eigen methode als een 'archeologie van de kennis'.

In zijn tweede periode, van 1975 tot 1980, verschuift Foucaults focus naar het fenomeen macht. Hij is vooral geïnteresseerd in hoe structuren van macht aan de oorsprong liggen van bepaalde kennissystemen, zoals de menswetenschappen. In Surveiller et punir (1975) stelt hij vast dat men in de 18e eeuw kan spreken van een overgang van soevereine macht naar disciplinaire macht. Iets later, tegen het einde van de 18e eeuw, ziet hij naast disciplinaire macht ook biomacht opkomen. Ten slotte komen discipline en biomacht samen in biopolitiek, met name geïllustreerd op vlak van seksualiteit. Deze laatste overgang beschrijft hij in de eerste plaats in Histoire de la sexualité I: La volonté de savoir (1976). Tijdens deze periode inspireert hij zich vooral op het werk van Friedrich Nietzsche en diens geneaologische methode.

In de laatste periode, van 1980 tot 1984, veranderde Foucault nogmaals van thematiek. Hij was oorspronkelijk van plan het eerste volume van de Histoire de la sexualité te vervolledigen met nog 4 delen, maar kwam op die plannen terug. Pas in 1984 verschenen, enkele maanden voor zijn dood, twee boeken die weliswaar over seksualiteit gaan, maar een andere opzet hadden. In plaats van zich te richten op de (anonieme) machtsstructuren die het denken over seksualiteit bepalen, focust hij nu op hoe individuen aan hun eigen leven vorm geven, wat Foucault zelfsubjectivering noemt. In plaats van het bespreken van de 18e en 19e eeuw, beschrijft Foucault in de eerste plaats hoe de Oude Grieken en Romeinen een ware bestaansesthetica uitbouwden.

Levensloop[bewerken]

Vroege leven[bewerken]

Koud Vierkant - Installatie door de kunstenaar Tom Fecht van straatstenen met de namen van beroemde aids-slachtoffers bij de ingang van de Kunst- en Tentoonstellingshal van de Duitse Bondsrepubliek te Bonn
Koud Vierkant - De steen ter nagedachtenis aan Michel Foucault.

Paul-Michel Foucault werd geboren op 15 oktober 1926 in Poitiers, als de tweede kind van een welgestelde gezin uit de hogere middenklasse. Hij werd vernoemd naar zijn vader, Dr. Paul Foucault, zoals een familietraditie voorschreef, maar door toedoen van zijn moeder kwam er ook 'Michel' achter. Als kind werd Michel Foucault dan ook 'Paul' genoemd, terwijl hij in zelf de naam 'Michel' prefereerde.

Zijn vader (1893-1959), geboren in Fontainebleau, was een lokaal succesvolle chirurg. Hij verhuisde later naar Poitiers, waar hij zijn eigen praktijk opstartte en met Anne Malapert trouwde. Zij was ook dochter van een welgestelde chirurg, Dr. Prosper Malapert, die een privépraktijk leidde en daarnaast ook anatomie doceerde aan de universiteit van Poitiers. Paul Foucault nam uiteindelijk de praktijk van zijn schoonvader over, terwijl zijn vrouw zich bezighield met hun groot 19e-eeuwse huis, Le Piroir, in Vendeuvre-du-Poitou. Ze kregen drie kinderen, een meisje genaamd Francine en twee jongens, Paul-Michel en Denys. Ondanks dat de familie niet streng gelovig was, werden de kinderen wel Rooms-katholiek opgevoed en ze bezochten op regelmatige wijze de mis. Michel was zelf voor een tijd misdienaar. In zijn latere leven liet Foucault weinig los over zijn kindertijd. Hij beschreef zichzelf als een 'jeugddelinquent' en stelde dat zijn vader een 'bullebak' was, die de gewoonte had Michel streng te straffen.

Foucault begon in 1930 zijn onderwijs, twee jaar te vroeg, op het locale Lycéé Henry-IV. Hier volgde hij twee jaar basisonderwijs vooraleer hij werkelijk aan het lycée begon. Hier genoot hij ook zijn eerste vier jaar van secundair onderwijs, waar hij uitblonk in Frans, Grieks, Latijn en geschiedenis, maar scoorde hij zwak voor wiskunde. In 1939, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, starte de bezetting van Frankrijk door Nazi-Duitsland, die tot 1945 bleef duren. Michels ouders steunde de bezetting door het Vichyregime, maar traden niet toe tot het Frans verzet. In 1940 schreef de moeder van Michel hem in voor het Collège Saint-Stanislas, een strikt Rooms-katholieke instelling, geleid door de Jezuïeten. Door de verregaande eenzaamheid die Foucault hier ervoer, beschreef hij deze periode als een 'beproeving'. Doch zijn resultaten waren uitstekend, vooral op gebied van filosofie, geschiedenis en literatuur. In 1942 begon zijn laatste jaar, de terminale, waar hij zich vooral toelegde op de filosofie en in 1943 behaalde hij zijn baccalauréat.

Vervolgens keerde hij terug naar Lycée Henry-IV om er voor een jaar geschiedenis en filosofie te studeren, onder meer via de hulp van de filosoof Louis Girard als privéleraar. Deze studie was bedoeld als voorbereiding op de studie aan de École Normale Supérieure, de elite-universiteit van Frankrijk. Hij scoorde echter slecht op de schriftelijke test en werd zo 101e, terwijl de eerste 100 werden toegelaten voor het mondelinge gedeelte. Michels vader wilde dat Michel in zijn voetsporen trad en geneeskunde zou studeren, maar Michel weigerde dit. In 1945 ging Foucault dan ook naar Parijs waar hij zich inschreef voor een gelijknamige school Lycéé Henri-IV, een van de meest prestigieuse scholen binnen het secundair onderwijs in Frankrijk. Hier kreeg hij les van Jean Hyppolite, een existentialist en een Hegel-expert, die het als zijn doel zag existentialisme te verenigen met de dialectische theorieën van Hegel en Karl Marx. Hyppolite had een sterke invloed op Foucault, bijvoorbeeld in de zin dat Hyppolite ervan overtuigd was dat men filosofie moest bestuderen via de geschiedenis. Doordat hij bij Hyppolite uitblonk, werd hij alsnog toegelaten aan de École Normale Supérieure.

Latere leven[bewerken]

Tijdens zijn studie aan de ENS worstelde Foucault met zijn homoseksuele geaardheid en had zelfmoordneigingen. Hij was korte tijd lid van de communistische partij. Begin jaren 50 slaagde hij erin zowel in de filosofie als in de psychologie af te studeren. Zijn interesse ging daarna in eerste instantie uit naar de psychopathologie, de leer van de geestesziekten. Geheel in die lijn lag zijn proefschrift, waarop hij in (onder begeleiding van Georges Canguilhem) 1961 promoveerde: Folie et déraison. Histoire de la folie à l’âge classique (Geschiedenis van de waanzin in de klassieke tijd). Daarmee verwierf hij nauwelijks bekendheid.

Dat veranderde in 1966 toen zijn boek Les mots et les choses. Une archéologie des sciences humaines uitkwam. Vanaf deze publicatie is zijn reputatie gevestigd. Dat werd extra bevestigd toen hij in 1970 werd voorgedragen voor het befaamde Collège de France, waar hij de leerstoel 'Geschiedenis van Denksystemen' bekleedde. Foucaults colleges trokken vaak overvolle zalen. Hij zou die positie bekleden tot hij in 1984 aan de gevolgen van aids overleed.

Na de opstanden van mei 1968, die Foucault niet van nabij meemaakte omdat hij toen in Tunis gasthoogleraar was, keerde hij zich af van het marxisme. De Franse Communistische Partij, die weigerde de opstand te steunen, was in zijn terminologie een disciplinair instituut geworden in dienst van de gevestigde orde. De tweedeling tussen arbeidersklasse en kapitaal, die in de marxistische traditie centraal staat, maakte in Foucaults werk plaats voor een 'microkosmos' van strijdige krachten: niet alleen de arbeidersstrijd, maar ook de vrouwen, homoseksuelen en andere gemarginaliseerde groepen boden legitieme vormen van verzet tegen overheersing.[1]

Nalatenschap[bewerken]

Na de dood van Foucault kwam de vraag naar boven wat men met zijn nalatenschap zou doen. Hijzelf had duidelijke instructies gegeven dat er geen enkele postume publicaties van zijn geschriften, die niet tijdens zijn leven verschenen zijn, zouden mogen verschijnen. Dit verzoek werd geëerd, maar met een kwalificatie: lezingen waarbij Foucault de toestemming had gegeven dat deze mochten worden opgenomen, zouden wel gepubliceerd kunnen worden.

Filosofie[bewerken]

Het werk van Foucault wordt vaak ingedeeld via drie periodes, waarin verschillende kernbegrippen centraal staan: waarheid (jaren 60), macht (jaren 70) en lust en het Zelf (jaren 80). Toch wil dit niet zeggen dat de periodes onafhankelijk van elkaar zijn, en er geen wederzijdse interactie en inspiratie was. Mede hierdoor is er ook een hele discussie ontstaan over de vraag of er in Foucaults oeuvre een eenheid zit of men moet spreken van breuken. Foucault heeft echter hiernaast nog vele andere begrippen en thema's besproken, zoals bijvoorbeed bestuurlijkheid of heterotopie.

Archeologie van de menswetenschappen[bewerken]

Het eerste werk dat van de hand van Foucault verscheen was Maladie mentale et personnalité (1954). In dit vroege werk is de latere thematiek van Foucault al duidelijk: de wereld van de geneeskunde, psychiatrie en waanzin. In de oorspronkelijke versie leunt Foucault sterk aan bij de psychoanalyse van Sigmund Freud en de fenomenologische en existentiële Daseinsanalyse van auteurs zoals Martin Heidegger en Ludwig Binswanger. In een heruitgave van 1962 komt hij echter op zijn stappen terug: vanuit historisch oogpunt gezien is het fenomeen van 'waanzin' zoals ze in de psychologie naar voren komt een sociale constructie. Hij werkte dit thema dan ook uitvoeriger uit in zijn volgende werk Histoire de la folie à l'âge classique: Folie et déraison (1961).

In zijn Histoire de la folie onderzoekt Foucault hoe het begrip 'waanzin' door de geschiedenis heen, van de Renaissance tot het einde van de 18e eeuw, werd begrepen. Zijn opzet is een kritiek op de hedendaagse psychologie en psychiatrie en de wijze waarop deze disciplines naar hun eigen geschiedenis kijken. Ze beschrijven hun eigen ontstaan samenhangend met het 'ontdekken' van hun onderzoeksobject: de 'mentale ziekte' (maladie mentale) en een steeds meer 'humane' omgang met de patiënt. De mentaal zieke wordt hier met andere woorden beschouwd als een soort onafhankelijk object dat eeuwig bestond en pas in de moderne tijd ontdekt wordt door de wetenschap. Foucault zelf daarentegen stelt dat 'waanzin' geen vaststaand gegeven is, maar dat de wijze waarop ze wordt beschreven en begrepen sterk bepaald is door de historische periode waarin men zich bevindt. Zo komt Foucault tot de stelling dat er drie verschillende fases te onderkennen zijn:

  1. De Renaissance: In deze eerste periode werden waanzinnigen in de kunst voorgesteld als bezitters van een specifieke vorm van wijsheid, namelijk kennis van de grenzen van onze wereld. In de literatuur toonden zij ook de grens wat mensen zijn en wat ze pretendeerden te zijn. Een voorbeelden hiervan zijn Het narrenschip (ca. 1494) van Jheronimus Bosch of Erasmus' Lof der Zotheid (1511).
  2. De Klassieke Periode (17e - 18e eeuw): Foucault stelt dat er zich in het midden van de 17e eeuw een verschuiving voordoet van hoe met gekken om te gaan. Terwijl vroeger waanzinnigen getolereerd werden in de marges van de maatschappij, worden ze nu, samen met prostituees, landlopers en andere 'irrationele' randfiguren opgesloten in nieuw opgerichte instellingen. Foucault spreekt van "de Grote Opsluiting". De afwijkingen waren deze opgesloten groepen leden, werden gezien als producten van morele fouten. Prostituees, landlopers en gekken werden gezien als personen die vrijwillig voor hun levensstijl hebben gekozen. Binnen deze instellingen kon echter het beeld ontstaan van waanzin als een reële categorie, die bestudeerd en genezen kan worden.
  3. De Modene Tijd (18e eeuw -): Vanaf het einde van de 18e eeuw ziet Foucault een reeks plaatsen ontstaan die louter dienen om deze 'gekken' op te sluiten en te observeren. Zulke instituten waren het product van een dubbel motief: enerzijds het genezen van deze waanzin en anderzijds het opsluiten ervan om de maatschappij tegen hen te beschermen. Toch is er een evolutie waar te nemen die zich nog enkel gaat richten op de therapeutische functie. Hoewel de overgang naar gespecialiseerde instellingen vaak wordt beschouwd als een morele stap vooruit, bestrijdt Foucault dit. Voor hem is de 'verlichte' behandeling van deze nieuwe patiënten even wreed als de vroegere behandelingen.

Met dit boek had Foucault al snel invloed op discussies rond antipsychiatrie, de vraag of er wel zoiets als een mentale ziekte bestaat en of waanzin vanuit dit perspectief moet geanalyseerd worden. Foucault zelf stelt ook dat dit werk als doelstelling had een andere kijk op de waanzin terug uit de vergetelheid te halen, namelijk een visie die terug te vinden is in de literatuur en de kunst. Foucault verwijst naar auteurs als Friedrich Nietzsche, Antonin Artaud, Gérard de Nerval en Albert Roussel. Zo schrijft Foucault: "Onder het kritische bewustzijn van de waanzin en zijn filosofische of wetenschappelijke, morele of medische vormen is een stil, tragisch bewustzijn blijven waken."[2]

Na nog een studie over het ontstaan van het ziekenhuis, namelijk Naissance de la clinique (1963), verscheen Foucaults belangrijke studie over de menswetenschappen in het algemeen, namelijk Les mots et les choses (1966; De woorden en de dingen). In dit boek stelde hij de vraag hoe de mens over zichzelf vanaf de Renaissance is gaan denken. Met zijn 'archeologische' methode groef hij de denklagen van de geschiedenis af. Hij kwam tot de conclusies dat:

  • de geschiedenis van de kennis zich discontinu ontwikkelt.
  • de waarheid een tijdelijke constructie is, geen oorsprong maar een effect.
  • de hedendaagse, zelfbewuste mens een uitvinding is die dateert van rond 1800, een uitvinding die overigens op het punt staat te verdwijnen.

Het kernbegrip dat deze drie inzichten met elkaar verbindt, is dat van épistémè. Volgens Foucault wordt elke periode in de geschiedenis getypeerd door zo'n épistémè: een onderliggend gestructureerde epistemologische ruimte die als mogelijkheidsvoorwaarde dient van alle kennis en wetenschap van een periode. Een wetenschappelijke discipline moet dan ook niet vanuit het perspectief van de ideeëngeschiedenis bekeken worden, met de focus op hoe eenzelfde discipline of idee zich door de geschiedenis heen ontwikkelt. Foucault stelt dat er weinig verbindingen zijn tussen de verschillende 'stadia' van een discipline, maar eerder tussen de verschillende disciplines binnen één épistémè. Zo schrijft Foucault:

Aanhalingsteken openen

"Zo de natuurlijke historie van Tournefort, Linnaeus en Buffon verband houdt met iets anders dan met zichzelf, dan is dat niet met de vergelijkende anatomie van Cuvier of met de evolutieleer van Darwin, maar met de grammaire générale van Bauzée, met de analyse van geld en goederen, zoals die wordt aangetroffen bij Law, bij Véron de Fortbonnais of bij Turgot."[3]

Aanhalingsteken sluiten

Belangrijk is ook dat de épistémè van een maatschappij kan veranderen en dat men dus kan spreken van bepaalde epistemische breuken in inde geschiedenis die zorgen dat de wereld anders ervaren wordt (analoog aan de verschuiving van hoe men naar waanzin kijkt). Volgens dit perspectief is een idee van een eeuwig geldende waarheid die leidt tot zekere kennis problematisch. Eerder dan dat is wat als waar of onwaar verschijnt afhankelijk van het épistémè van waaruit men denkt. De waarheid, adequaatheid of juistheid van kennis is geen onproblematische zaak die draait om een correct afspiegelen van de werkelijkheid.

Foucault maakt er zijn taak van in Les mots et les choses om de historische opeenvolging van deze epistèmès te beschrijven. Het is ook vanuit dit perspectief dat men het ontstaan van de hedendaagse menswetenschappen moet begrijpen: zij duiken in de 18e en 19e eeuw op binnen een nieuw épistémè waarin het moderne begrip van de mens als 'autonoom subject' ontstaat. Doordat de mens als onafhankelijk object naar voren komt, los van theologie of traditie, kan hij ook een studieobject vormen voor de wetenschap, namelijk de menswetenschappen. Foucault eindigt zijn analyse met te wijzen op bepaalde hedendaagse tendensen in de wetenschap: in de literatuur, in het structuralisme wordt de idee van mens als autonoom subject in vraag gesteld. De mens lijkt zo niet meer autonoom te zijn, maar bepaald te worden door een anoniem 'men', het 'systeem' en de maatschappelijke 'structuren'. In die zin voorspelt Foucault dat er misschien een nieuw épistémè gaat ontstaan, waarbinnen de mens als centrale categorie zal verdwijnen. Hij schrijft:

Aanhalingsteken openen

"De mens is een uitvinding waarvan de archeologie van ons denken gemakkelijk de jonge datum kan aantonen. En misschien ook het naderend einde. Als die dispositie, die indeling van het weten, mocht komen te verdwijnen zoals zij ook eens verschenen is, als zij door de een of andere gebeurtenis waarvan wij op zijn hoogst de mogelijkheid kunnen voorvoelen, maar waarvan wij voor het ogenblik vorm en belofte nog niet kennen, omver kwamen te tuimelen zoals bij de overgang van de XVIIde naar de XVIIIde eeuw de grond onder het klassieke denken aan het wankelen raakte, - dan kunnen we wel wedden, dat de mens zou verdwijnen, - zoals een gelaat van het zand, bij de grens der zee."[4]

Aanhalingsteken sluiten

In L'archeologie du savoir (1969) gaat Foucault in op de stroom van kritieken die volgde op dit boek. Hij focust hier vooral op de nieuwe geschiedkundige methode die hij in zijn vorige werken uitwerkte: de archeologische methode. Vaak wordt dit werk in een adem genoemd met Les mots et les choses, alsof het louter om een appendix gaat bij dit vorige boek. Toch zijn er ook auteurs die erop wijzen dat er vergaande herzieningen worden doorgevoerd binnen dit werk en het qua reikwijdte ook veel verder gaat. Zo bevat het boek verscheidene kritieken op andere historiografische methoden, zoals bijvoorbeeld de ideeëngeschiedenis, de methode van de Annales-school, maar ook Foucaults eigen leermeesters zoals Gaston Bachelard en Louis Althusser.[5]

Genealogie van de macht[bewerken]

Na 1970 voltrok er zich een verschuiving in het werk van Foucault. Hij ging zich niet meer zozeer richten op de rol van kennis bij de menswetenschappen, maar focuste vanaf dan op de rol van macht en machtsstructuren. Eerder dan te kijken hoe bepaalde épistémès of vertogen het denken en handelen van de mens bepalen, vraagt hij zich af hoe machtsuitoefening hiertoe bijdraagt. Om dit te onderzoeken gaat hij zijn aandacht richten op andere instituten namelijk het leger, tuchtscholen en gevangenissen in plaats van ziekenhuizen en gestichten. Ook is er een verschuiving in methodologie vast te stellen: waar Foucault zijn werk vroeger typeerde als archeologie, gaat hij het nu de naam 'genealogie' geven, in navolging van Friedrich Nietzsche. Hij verlaat het statisch model van épistémès die elkaar als lagen opvolgen en verruilt het voor een meer genealogische kijk op de geschiedenis. Dat wil zeggen: hij onderzocht de ontstaansgeschiedenis van macht als dynamisch gegeven.

In zijn boek Surveiller et punir (1975) komt Foucault tot de vaststelling dat er de laatste eeuwen een overgang plaatsvond van soevereine macht naar disciplinerende macht. Onder soevereine macht verstaat Foucault macht zoals het uitgeoefend wordt door bijvoorbeeld absolute vorsten. Hun macht bestaan in een (af)nemen en opeisen. Enerzijds het afnemen van een deel van het eigendom, bijvoorbeeld via belastingen. Anderzijds ook een opeisen van het leven indien de soeverein zelf in gevaar komt. Dit kan zowel voorkomen in de vorm van publieke executies wanneer iemand de wetten van de soeverein schendt als de eis dat men zijn leven opoffert voor het vaderland bij een oorlog met een andere staat. Macht is hier volledig zichtbaar en toont zich op bepaalde momenten in haar volle glorie: bij een kroning, een intocht of een publieke executie. De onderdanen daarentegen zijn onzichtbaar: ze worden niet vermeld in de kronieken en hun welzijn en levenskeuzes zijn niet de hoogste prioriteit.

Vanaf de 17e eeuw ziet Foucault echter een nieuwe vorm van machtsuitoefening opduiken: disciplinerende macht. Het grote verschil met de soevereine macht is dat de rollen in zekere zin worden omgedraaid: terwijl bij de soevereine macht de machtsoefening volledig zichtbaar was en diegene waarop het wordt uitgeoefend juist onzichtbaar was, is het in de disciplinemaatschappij omgekeerd. De machtsuitoefening wordt in zekere mate onzichtbaar, executies worden bijvoorbeeld slechts uitgeoefend achter gesloten deuren, terwijl het slachtoffer centraal gaat staan. De staat gaat beginnen gegevens te verzamelen over zijn bevolking.

Een eerste vorm daarvan is de discipline: de lichamen van de onderdanen worden opgevat als machines, die men productief kan inzetten en sturen. De mens komt hier terecht in een samenleving vol met instituties die hem disciplineren, zoals de school, het leger, de gevangenis of het ziekenhuis. Er wordt hem een vaste, gestructureerde wijze van handelen aangeleerd in zo'n mate dat hij het uiteindelijk ook spontaan zal doen. Foucault illustreert dit met het principe van het panopticum: dit is een door Jeremy Bentham voorgestelde inrichting van een gevangenis waarin er in het midden een centrale toren staat met daarrond de cellen. De ruimte is echter zo ingericht dat de bewaker in de toren altijd alle cellen kan zien, terwijl de gevangenen daarentegen nooit kunnen zien of de bewaker nu juist zijn cel in de gaten is aan het houden of niet. Op die manier gaan de gevangenen zich gedragen alsof ze op elk moment bespied worden. Voor Foucault gaat dit echter verder dan de gevangenis, maar komt het terug in alle gebieden van de maatschappij. Door toedoen van vaste dagschema's, dossiers en evaluaties is men steeds op de hoogte van wat de individuen aan het doen zijn en waar. Op die manier moet iedereen zich overal gedisciplineerd gedragen alsof ze altijd gecontroleerd worden.

In Histoire de la séxualité I: La volonté de savoir (1976) en in verscheidene reeksen colleges aan het Collège du France, zoals Il faut défendre la société (1975-1976) en Sécurité, territoire, population (1977-1978) introduceert Foucault een tweede vorm van biomacht: biopolitiek. Terwijl bij discipline het individu het voorwerp is waarop macht wordt uitgeoefend, richt biopolitiek zich op de bevolking. Via opkomende disciplines zoals statistiek en demografie is het mogelijk om wetmatigheden te vinden in gedrag dat op individueel niveau slechts willekeurig lijkt. Nataliteit, vruchtbaarheid of mortaliteit kennen op het niveau van een bevolking een duidelijk en beïnvloedbaar patroon.

In beide werken staat een stelling centraal: macht moet niet gezien worden als iets dat louter ontkent, onderdrukt of onmogelijk maakt. Daarentegen is macht juist iets positiefs en productiefs. De disciplinerende macht maakt bijvoorbeeld het crimineel subject mogelijk, dat dan dienst kan doen als onderzoeksobject voor de criminologie. In dezelfde lijn hiervan bekritiseert Foucault, in Histoire de la séxualité, de 'repressiehypothese': de stelling dat er vandaag de dag machtsmechanismen aan het werk zouden zijn die onze seksuele identiteit, noden en behoeften zou onderdrukken. Een soort preutsheid die ons verbiedt over seks te spreken. Volgens Foucault is eerder het omgekeerde aan de gang: de macht ontkent seksualiteit niet, maar produceert juist enorm veel kennis erover. Via de machtsrelaties die spelen bij therapeuten, dokters en psychoanalytici worden individuen gedwongen de waarheid over hun eigen seksualiteit uit te spreken. Ze moeten zichzelf subjectiveren als perverse of als homoseksueel.

Foucault was van plan om het eerste deel van Histoire de la séxualité te vervolledigen met nog vijf studies. deze zouden handelen over de (vroeg-)christelijke houding tegenover seksualiteit (La chair et le corps), de focus op het seksuele gedrag bij kinderen, zoals masturbatie vanaf de 19e eeuw (La croisade des enfants), de idee van de hysterische vrouw (La femme, la mère et l'hystérique), de perversies (Les pervers) en biopolitiek en racisme (Populations et races).

Zorg van het zelf[bewerken]

In zijn laatste intellectuele fase verandert Foucault dit project radicaal. In plaats van de focussen op de moderne verhouding tot seksualiteit en homoseksualiteit, gaat hij verder terug in de tijd en in 1984 verschijnen, in de laatste maanden van Foucaults leven, nog twee delen: L’usage des plaisirs en Le souci de soi. Een vierde deel, Les aveux de la chair, zou bijna voltooid zijn toen Foucault plots stierf. Doordat Foucault zelf geëist had dat er geen postume werken van hem zouden verschijnen, blijft dit werk tot vandaag de dag ongepubliceerd.

In deze werken gaat Foucault op zoek naar middelen om weerstand te bieden tegen waarheids- en machtspraktijken die de mens in een keurslijf plaatsen en hem onderwerpen (assujetissement). Hij focust in de eerste plaats op de wijze hoe, bij de oude Grieken, er technieken van het zelf worden ontwikkeld die het individu in staat stelden zichzelf op een bepaalde wijze te subjectiveren. Door een reeks praktijken, zoals ascese, het bijhouden van een dagboek, matigheid, ataraxia bouwden Griekse filosofen en burgers een bepaalde levensstijl voor henzelf uit. Vaak was de rol van een mentor of leraar cruciaal, die instond voor het tonen van de juiste weg.

Ook bij de vroege christenen zijn gerelateerde praktijken terug te vinden. Ook bij hen is er een soort zelfonderzoek aanwezig, maar radicaler en anders qua karakter. Eerder dan de objecten waarnaar men verlangt te onderzoeken (of men er bijvoorbeeld controle over heeft), worden de verlangens en ideeën zelf onderzocht. Elk idee moet bekeken worden en de bron ervan moet worden beoordeeld: ofwel komt hij van het Goede, God, dan wel van de Duivel. In die zin leidt dit tot wat Foucault een 'hermeneutiek van het zelf' noemt. Ook wordt de relatie leerling-leraar geradicaliseerd in praktijken van bekentenis en biecht. Het resulteert uiteindelijk in een vorm van 'pastorale macht', waarin een herder moet instaan voor het welzijn van zijn kudde. Dit geldt zowel voor de gehele kudde als voor ieder apart 'schaap' onderling.[6]

In zijn laatste colleges focuste Foucault zich voornamelijk op de cynici, een Griekse filosofische school, die een vorm van radicale zelfascese lijkt te prediken. Vaak ontzeggen ze zich alle luxe, leven ze op straat en lappen alle heersende zeden aan hun laars. Een belangrijk begrip, volgens Foucault, daarbij is dat van Parrèsia: het vrijmoedig spreken en de waarheid zeggen. Het draait hier om een handeling, gelijkend op een taalhandeling, waarbij iemand, verzekerd door een bepaalde levenswandel en achtergrond, gerechtigd is de waarheid over een ander te spreken, ook al komt deze hard aan. Vaak impliceert dit ook een risico: men spreekt bijvoorbeeld de waarheid tegenover een tiran of heerser en riskeert zo het eigen leven. Foucault was van plan om historisch onderzoek te verrichten naar deze handeling van de parrèsia te onderzoeken: van Griekse leermeester die tot zijn leerling sprak, tot raadgever die tegen de Prins spreekt, en uiteindelijk ook vormen zoals de minister tegen de soeverein en het waarheidspreken van een revolutionair. Foucault heeft dit echter nooit kunnen uitwerken vanwege zijn vroege dood in 1984.[7]

Bestuurlijkheid[bewerken]

Een ander invloedrijk, en gerelateerd, begrip dat Foucault heeft geïntroduceerd is dat van 'bestuurlijkheid' (gouvernementalité). Dit concept duikt onaangekondigd op in zijn colleges aan het Collège de France van 1977-78 (Securité, territoire et population) en worden verder uitgewerkt in 1978-79 (Naissance de la biopolitique). Met dit begrip wil Foucault in de eerste plaats een nieuwe benadering van de staat naar voren brengen, namelijk een analytiek van de bestuurlijkheid (naar analogie met een analytiek van de macht). Ook hier weer staat de vraag naar het hoe centraal, eerder dan het wat. Men moet vragen naar hoe de staat specifiek ingrijpt op het leven van de burgers en de vraag 'wat' deze staat net is, links laten liggen.

Foucault wil met dit begrip ook de nadruk leggen op de meer intellectuele dimensie van het besturen: besturen gaat niet enkel over brute macht uitoefenen op lichamen, maar juist op een heel rationele wijze een beleid uitstippelen. Ook is het niet zozeer gericht op het opleggen (via geweld) van bepaalde maatregelen, maar daarentegen wil de staat subjecten aanzetten tot zelfbestuur. In die zin definieert Foucault macht hier als "conduire les conduites": het sturen van het zelfbestuur van de burgers. In die zin steunt de staat op een (gecreëerde) handelingsvrijheid van de burgers: zij mogen binnen de door de grenzen van de staat vrij handelen, maar dit handelen wordt wel gestuurd of gestimuleerd in een bepaalde richting.

Volgens Thomas Lemke steunt deze nieuwe analytiek van de bestuurlijkheid op drie grote uitgangspunten:[8]

  1. Allereerst wordt de staat niet meer opgevat als een onproblematisch gegeven, maar juist iets dat door de tijd heen tot stand komt en verandert. De staat is met andere woorden een heterogene massa van instellingen en instituties, die pas in tweede instantie verschijnt als 'de staat'.
  2. Ten tweede hanteert ze hierbij bepaalde bestuurstechnologieën. Analoog met het vroeger onderscheid tussen discipline en biomacht, kan men hier spreken van technologieën van het zelf en politieke technologieën van de individuen. De eerste is vooral gericht op het stimuleren van bepaalde vormen van zelfbestuur, terwijl de tweede groep zich focust op de relatie tussen individu en de staat.
  3. De staat is ten slotte niet enkel een effect, maar ook een instrument van strategieën. De 'staat' is de inzet van een strijd tussen verschillende belangengroepen (vakbonden, lobbygroepen, partijen, enzovoort) die haar gebruiken ten voordeel van hun eigen doelstellingen.

In zijn collegereeks met de (misleidende) titel Naissance de la biopolitique werkt Foucault dit begrip uit aan de hand van de liberale en vervolgens de neoliberale vorm van bestuurlijkheid die in het Westen zijn ontwikkeld.[9] Terwijl de liberale bestuurlijkheid nog vertrok van de idee dat de vrije markt onproblematisch is, de staat zo miniem mogelijk moet zijn, en dat vrije concurrentie tot een soort evenwicht in het voordeel van allen zou leiden, verschilt de neoliberale versie hiervan. Voor het neoliberaal model is de vrije markt een ideaal, maar tegelijkertijd een feitelijk problematisch gegeven, omdat het steeds wordt bedreigd door sociale, buiten-economische invloeden. Anderzijds komt er ook een andere visie op de mens naar voren, namelijk een van een homo oeconomicus die drager is van menselijk kapitaal en dit kapitaal zo efficiënt en rationeel mogelijk wil investeren. In die zin moeten ook alle gebieden van de samenleving (onderwijs, zorg, huwelijk, vriendschap) opgevat worden als een 'markt' waarin wordt gekozen naargelang het opbrengt voor het eigen kapitaal. Deze verschuiving van gedachtegoed heeft ook zijn implicaties voor de taken van de staat: terwijl bij een liberale staat de overheid zo minimaal mogelijk moest zijn en de vrije markt volgens haar eigen wetten moest laten werken, krijgt de neoliberale staat wel een actieve functie. Ze moet echter niet meespelen op de markt (zoals bij het keynesianisme), maar de randvoorwaarden scheppen die het ideaal van een vrije markt mogelijk maken (door bijvoorbeeld het mededingingsrecht te waarborgen) en de sociale invloeden onder controle houden. Ook moet zij zorgen dat haar eigen instellingen, zoals onderwijs en zorg, optimaal georganiseerd worden zodat het menselijk kapitaal van de burgers een optimaal rendement opbrengt.

Er is na Foucault een bredere 'school' ontstaan van zogenaamde governmentality studies met auteurs als Mitchell Dean, Colin Gordon, Thomas Lemke, Peter Miller en Nikolas Rose. De focus bij deze auteurs ligt vooral op het verder analyseren van de neoliberale bestuurlijkheid.

Rol van de intellectueel[bewerken]

Foucault zet zich in zijn werk ook fel af tegen het ideaal, dat hij aan het werk ziet bij auteurs als Jean-Paul Sartre en Jürgen Habermas: de taak van de filosoof als dat van een 'universele intellectueel', die een kritiek op de maatschappij opstelt in naam van 'de' waarheid of 'het' goede:

Aanhalingsteken openen

"Ik wil als intellectueel niet de profeet of de moralist spelen. De mensen zijn op politiek en moreel gebied volwassen geworden. Zij moeten individueel en collectief keuzes maken. Ik vind het belangrijk te zeggen hoe een bepaald regime functioneert en hoe het samengesteld is, en een reeks manipulaties en mystificaties te verhinderen. Maar het zijn de mensen die moeten kiezen."[10]

Aanhalingsteken sluiten

Foucault ziet zichzelf eerder als een 'specifiek intellectueel', wiens waarde ligt in het produceren van gereedschapskisten voor lokaal verzet. De individuen moeten zelf beslissen, eerder dan luisteren naar de filosoof die voor hen de waarheid spreekt. Hij schrijft:

Aanhalingsteken openen

"De rol van de intellectueel bestaat erin dat hij door de analyses die hij maakt op domeinen waarmee hij vertrouwd is, de vanzelfsprekendheden en postulaten opnieuw in vraag stelt, de gewoontes, de wijzen van doen en denken dooreenschudt, de ingeburgerde vertrouwdheden doet verdwijnen, de maat van de regels en de instellingen opnieuw neemt, en dat hij, vanuit dit herproblematiseren (waar hij zijn specifieke beroep van intellectueel vervult), participeert aan de vorming van een politieke wil (waar hij zijn rol van burger moet spelen)."[11]

Aanhalingsteken sluiten

Eenheid in oeuvre[bewerken]

Een belangrijke vraag die in de secundaire literatuur over Foucault wordt gesteld is de vraag of er sprake is van een eenheid doorheen het hele oeuvre van Foucault of dat men moet spreken van verschillende (onverzoenbare) fases of breuken. Deze discussie blijkt al uit de klassieke opdeling van zijn oeuvre in drie verschillende thematieken: eerst waarheid en kennis, dan macht en uiteindelijk subjectiviteit. Foucault zelf herhaalt op verschillende plaatsen dat dit geen breuken zijn, maar dat hij slechts hetzelfde vanuit verschillende perspectieven heeft beschreven.

Zo is het mogelijk om zijn heel oeuvre vanuit een van deze drie peilers te begrijpen. Vanuit zijn eerste fase, een zoektocht naar de epistemologische voorwaarden van het tot stand komen van waarheid, kan men stellen dat hij in zijn tweede fase de rol van macht in de productie van waarheid onderzoekt, via onder meer de biecht en bekentenis, en in zijn laatste fase zich focust op de wijze waarop het 'ik' of het 'zelf' tot stand komt door waarheid te spreken (parrèsia) over zichzelf. Vanuit het perspectief van macht kan men naar de eerste fase kijken als een onderzoek naar de rol van het produceren van kennis en waarheid in de vorming van verschillende machtsstructuren. Ook het 'zelf' wordt grotendeels gevormd door de machtsstructuren waarin de persoon in kwestie zich bevindt. Van het individu wordt een dossier aangemaakt waarin kennis over hem verzamelt wordt en zo komt ook een specifiek begrip van zijn subjectiviteit tot stand: als patiënt, als gevangene, als consument, enzovoort. Ten slotte kan men het ook vanuit het derde perspectief bekijken: de kernvraag is dan hoe mensen gesubjectiveerd worden, hoe hun 'zelf' tot stand komt, en welke rol bepaalde kennis- en machtsstructuren hierin spelen. In zijn werk hield Foucault zich dan bezig met de mate waarin het zelf tot stand komt door zich in te schrijven in bepaalde épistémès of in bepaalde machtsstructuren.

Ook een reeks secundaire literatuur bevestigt deze eenheid. Een kritische versie hiervan vindt men bij Beatrica Han, die stelt dat Foucaults poging om de épistémè, het vertoog, de problematiek of het waarheidsspel van een bepaalde periode in kaart te brengen faalt omdat het zichzelf schuldig maakt aan dat wat het aanvalt.[12] Foucault zou enkel empirisch-waarneembare schema's in kaart brengen, wijzen waarop mensen feitelijk spreken. Het mist echter elke normatieve dimensie: mensen kunnen hoogstens handelen in overeenstemming met die patronen, maar ze volgen die regels niet. Een andere visie vindt men dan weer terug bij Gilles Deleuze.[13] Volgens Deleuze kan men Foucaults hele opzet begrijpen vanuit de relatie tussen de woorden en de dingen, en de rol van macht als onderhandelaar tussen beide. Foucault focust zich op hoe machtsstructuren bepaalde zichtbare dingen aan bepaalde woorden linken. Iemand als Kevin Thompson wijst dan weer op de relevantie van een bepaalde traditie van de Franse filosofie om de opzet van Foucaults oeuvre te begrijpen.[14] Auteurs zoals Jean Cavaillès en Georges Canguilhem kunnen geplaatst worden onder een 'filosofie van het concept', tegenover een 'fenomenologie van het subject' zoals men die bij Edmund Husserl of Jean-Paul Sartre vindt. Het grote verschil is dat de klassieke fenomenologie vertrekt van atemporele structuren van het bewustzijn of transcendentaal subject, terwijl deze filosofie van het concept hier een historische dimensie aan toevoegt. De centrale vraag is niet 'wat zijn de structuren van het transcendentaal subject die ervoor dat de dingen verschijnen aan ons bewustzijn zoals ze verschijnen?', maar 'Hoe evolueren deze transcendentale structuren in de loop van de geschiedenis?'. Foucaults werk staat dus in het teken van een zoektocht naar de transcendentale structuren van een bepaalde periode en de rol van macht hierbij.

Doch deze unificerende visies kunnen op bepaalde punten in vraag worden gesteld. Verscheidene auteurs hebben er op gewezen dat het werk van Foucault niet altijd even verzoenbaar is. Zo stelt Rob Devos dat Foucaults latere kritiek op de regressiehypothese evengoed van toepassing is op zijn eigen vroege werk.[15] In zijn Histoire de la folie denkt hij bijvoorbeeld macht nog geheel als iets negatiefs en onderdrukkend. Rudi Visker daarentegen stelt dan weer dat zijn vroege archeologische fase de meest consistente periode is, terwijl zijn latere genealogische fases veel problematischer zijn.[16] Zo hanteert Foucault in zijn latere werk het begrip macht-weten (pouvoir-savoir) om aan te tonen dat macht constitutief is voor kennis. Tegelijkertijd lijkt hij echter ook de menswetenschappen te bekritiseren juist omdat ze een te nauwe band met machtsstructuren te hebben. Zijn vroegere werk lijkt aan deze kritiek te ontsnappen omdat hij zich daar vooral focust op de epistemologische aspecten van de menswetenschappen.

Inspiratiebronnen[bewerken]

Franse epistemologie[bewerken]

Foucaults focus, zeker in zijn vroege werk, op de ontstaansvoorwaarden voor bepaalde vormen van kennis, verraadt een invloed van de Franse traditie in de epistemologie en wetenschapsfilosofie.[17] In tegenstelling tot de Anglosaksische traditie in de wetenschapsfilosofie, focust de Franse traditie vooral op wetenschapsgeschiedenis. Bekende namen in deze traditie zijn Gaston Bachelard, Jean Cavaillès, Georges Canguilhem en Alexandre Koyré. Foucault lijkt in deze traditie te passen onder meer door gebruik van verwante terminologie zoals 'épistémè' en epistemologische deblokkeringen. Deze lijken geïnspireerd te zijn op Bachelards noties van 'epistemologische breuk' (rupture épistémologique) en 'epistemologisch obstakel' (obstacle épistémologique).[18]

Canguilhem was ook de promotor van Foucaults proefschrift, Histoire de la folie, en vertoont qua onderzoeksonderwerpen sterke overeenkomsten. Canguilhem bekendste werken handelen expliciet over de wijze waarop in de geneeskunde en levenswetenschappen wordt omgegaan met noties zoals ziekte, gezondheid en normaliteit. Canguilhems bredere belangstelling voor de rol van (sociale) normen weerspiegelt zich in de belangstelling van Foucault, in boeken zoals L'histoire de la folie en Naissance de la clinique voor de cruciale rol van maatschappelijke normen in het beoordelen van krankzinnigheid of ziekte. Foucault bevestigt deze verwantschap ook in zijn voorwoord voor de Engelse vertaling van Canguilhems boek Le normal et le patholoqiue (1943):

Aanhalingsteken openen

"[...] take away Canguilhem and you will no longer understand much about Althusser, Althusserism and a whole series of discussions which have taken place among French Marxists; you will no longer grasp what is specific to sociologists such as Bourdieu, Castel, and Passeron and what marks them so strongly within sociology; you will miss an entire aspect of the theoretical work done by psychoanalysts, particularly by the followers of Lacan. Further, in the entire discussion of ideas which preceded or followed the movement of ’68, it is easy to find the place of those who, from near or from afar, had been trained by Canguilhem."[19]

Aanhalingsteken sluiten

Structuralisme[bewerken]

Foucaults beroemdheid begon met de publicatie van Les mots et les choses in 1966. In die tijd kwam in Frankrijk ook de stroming van het structuralisme tot volle bloei met auteurs als Louis Althusser, Roland Barthes, Jacques Lacan en Claude Lévi-Strauss. Volgens het structuralisme moest de maatschappij geanalyseerd worden vanuit diepere, onderliggende structuren. Het zette zich af tegen het tot toen heersende 'humanisme' en focus op het subject in de (Franse) filosofie. In die zin werd het gezien als de grote tegenstander en opvolger van het existentialisme en de fenomenologie van auteurs als Jean-Paul Sartre.

Foucaults les mots et les choses leek perfect in deze stroming te passen omdat ook hierin een theoretisch antihumanisme werd uiteengezet. De samenleving werd geanalyseerd vanuit 'epistèmes', eerder dan vanuit menselijke intenties en verlangens. Zo schrijft Foucault zelf ook:

Aanhalingsteken openen

"Wij hebben de generatie van Sartre zeker ervaren als een moedige generatie, die gepassioneerd was voor het leven, de politiek, de existentie. Maar wij hebben iets anders ontdekt: de passie voor “het systeem”. Wat is dit anonieme systeem zonder subject? Wat denkt er? Het “ik” is geëxplodeerd (kijk naar de moderne literatuur). Het is de ontdekking van het “er is” (il y a). Er is een men. Wij zijn in zekere zin terug bij het gezichtspunt van de 17e eeuw, met dit verschil dat wij niet de Mens op de plaats van God stellen, maar een anoniem denken, het weten zonder subject, het theoretische zonder identiteit."[20]

Aanhalingsteken sluiten

Toch distantieerde Foucault zich (later) van deze term van 'structuralist', een eigenschap die trouwens vele structuralisten typeert (bijvoorbeeld ook Althusser ontkende dit label). Volgens Foucault zijn de structuren die iemand als Lévi-Strauss probeert bloot te leggen veel te atemporeel, terwijl hij zelf juist de historische veranderingen ervan probeert te denken. Het structuralisme was voor Foucault dan ook meer een symptoom dat het einde van het laatste épistémè aankondigde, en zo de dood van de mens.

Friedrich Nietzsche[bewerken]

Een andere grote invloed op het werk van Foucault is Friedrich Nietzsche. Foucault kwam vooral in aanraking met Nietzsche via het werk van Georges Bataille en Maurice Blanchot. De invloed van Nietzsche is vooral te merken in de 'tweede periode' van Foucault, wanneer hij zich gaat toeleggen op het fenomeen macht. Allereerst blijkt dit al uit het overnemen van de methode van de genealogie. Nietzsche introduceert deze methode in Zur Genealogie der Moral (1887). Met zijn genealogische methode wilde Nietzsche de herkomst van de moraal op het spoor komen; dit in contrast met een oorsprong van de moraal, die de geschiedenis ervan presenteert als een gerichte ontwikkeling en vooruitgang. Nietzsche zag de moraal echter als een toevallig ontstaan gegeven uit het ressentiment van een groep mensen ten opzichte van het andere. In Jenseits von Gut und Böse (1886) ging Nietzsche vervolgens op zoek naar de herkomst van de rede.

Foucaults interesse in het werk van Nietzsche blijkt al uit een tekst uit 1971, Nietzsche, la généalogie, l'histoire, waarin hij de methode van Nietzsche analyseert. Foucault past deze methode zelf toe in Surveiller et punir (1975) waarin hij op zoek gaat naar de herkomst van de gevangenis, en bespreekt het ook in verscheidene van zijn colleges, zoals Il faut défendre la société (1975-1976). Op zijn beurt zal Talal Asad deze methode overnemen en toepassen op het fenomeen secularisme.

Nietzsches invloed blijkt ook uit onder meer de ondertitel van het eerste deel van Foucaults Histoire de la séxualité (1976), namelijk La volonté de savoir. Nietzsche sprak in zijn werk al van een "wil tot weten" die voor Nietzsche nooit losstond van de "wil tot macht". Foucault op zijn beurt zal stellen dat er steeds een verband is tussen macht en weten en spreekt van pouvoir-savoir. Ten slotte valt ook de gedeelde interesse in de rol en de disciplinering van het 'lichaam' op.

Andere invloeden[bewerken]

Naast deze voornaamste invloeden zijn er nog enkele aan te wijzen. Zo speelt het werk van Immanuel Kant ook altijd een zekere rol bij Foucault. Zo schreef hij zijn kleine thesis al over de antropologie van Kant. Later verwijst hij vooral naar Was ist Aufklärung? (1784), onder meer door zelf ook een tekst te publiceren met dezelfde titel: Qu'est-ce que les Lumières? (1984). Foucault plaatst zijn eigen werk in de lijn van Kant. Juist zoals Kant in zijn essay een diagnose wil stellen van zijn eigen tijd ("we leven in een tijd van verlichting en niet in een verlichte tijd"), wil Foucault dit doen van zijn eigen tijd: hij wil een geschiedenis schrijven van het heden. Het verleden beschrijven om bepaalde dingen in het heden te laten oplichten.

Verder zijn er nog de literaire invloeden te vermelden, zoals Maurice Blanchot en Georges Bataille. Ook de historische studies van Georges Dumézil, waarmee Foucault tevens bevriend was, speelde een belangrijke rol. Ten slotte is er volgens sommige commentatoren nog een laatste, maar door Foucault amper vermelde invloed, namelijk het werk van Martin Heidegger.[21] Deze is zeker aanwezig in Foucaults vroegste werken, zoals Maladie mentale et personnalité (1954), maar blijf volgens deze auteurs ook meespelen in zijn latere denken.

Invloed[bewerken]

In Frankrijk had Foucault een invloed op vele filosofen waarmee hij tevens vaak bevriend was, bijvoorbeeld Louis Althusser, Georges Canguilhem, Gilles Deleuze en Bernard Stiegler. Deleuze en Felix Guattari hun L'Anti-Œdipe (1972) vertoont zo bijvoorbeeld sterke overeenkomsten met de thematiek van Foucault. Foucault schreef tevens het voorwoord op dit werk. De analyse van macht en de hedendaagse maatschappij door Deleuze en Guattari lijkt sterk overeen te komen met die van Foucault, maar een groot verschil is dat Deleuze en Guattari het verbinden met een ontologie. Terwijl Foucault enkel spreken over hoe macht werkt (een analytiek van de macht), zoeken Deleuze en Guattari naar wat macht ook in wezen is. Concreter analyseren ze het aan de hand van de begrippen deterritorialisatie en reterritorialisatie. Het leven is voor Deleuze en Guattari getypeerd door een neiging tot deterritorialisatie: het verwijdert zich steeds van het centrum, van alle hiërarchische structuren. Macht wordt hier opgevat al een reterritorialisatie: het terugbrengen van deze elementen tot een hiërarchische structuur.

Verder is ook een korte tekst van Deleuze beroemd geworden, Post-scriptum sur les sociétés de contrôle.[22] Hierin bouwt Deleuze verder op de analyse van Foucault van de disciplinemaatschappij. Deleuze stelt dat er sinds midden van de 20e eeuw een verschuiving is gebeurd van een disciplinemaatschappij naar een controlemaatschappij. Het model is niet langer de gevangenis, maar het bedrijf. Individuen worden niet zozeer meer in disciplines gecontroleerd (de gevangenis, de school, enzovoort), maar controle wordt nu uitgeoefend terwijl ze in beweging zijn. Dit gebeurt aan de hand van een controle van big data: individuen worden gevolgd via camera's, bankgegevens en klantenkaarten. In die zin spreekt Deleuze ook liever over het 'dividu': individuen zijn tegenwoordig versplintert over verschillende codes en paswoorden.

In de Angelsaksische wereld is het werk van Foucault minder besproken, hoewel er ook hier van een duidelijke invloed sprake is. Een voorbeeld hiervan is de wetenschapsfilosofie van Ian Hacking, die zich bijvoorbeeld focust op het ontstaan en de geschiedenis van de statistiek.[23] In het Nederlandstalig gebied is Foucault dan weer cruciaal binnen het werk van Hans Achterhuis, die dit uitwerkt binnen een kritiek op fenomenen zoals de andragogie en arbeid.[24][25]

Italiaanse filosofen[bewerken]

Het oeuvre van Foucault is ook van invloed geweest, grotendeels via het werk van Deleuze, bij een reeks Italiaanse denkers zoals Giorgio Agamben, Roberto Esposito, Maurizio Lazzarato, Antonio Negri en Paolo Virno.[26] Negri en Virno hanteren bijvoorbeeld Foucaults analyses van biomacht en biopolitiek om een herlezing van het marxisme uit te voeren. We leven thans niet meer in een fordistische, maar in een postfordistische maatschappij. Terwijl vroeger het kapitalisme zich enkel inmengde op gebied van de arbeid, wordt tegenwoordig het hele menselijk bestaan binnen het kapitalisme opgenomen. Met fenomenen zoals de overgang naar een kenniseconomie, mondialisering, telewerken, de cruciale rol van creativiteit en taal in (diensten)arbeid wordt het onderscheid tussen privé en werk opgeheven.

In het boek Empire: De nieuwe wereldorde (2000) van Michael Hardt en Negri volgen de auteurs dan weer het methodologisch principe van Foucault om steeds van onderuit, bij het verzet te beginnen, wil men de macht begrijpen. Juist als Deleuze, echter, vatten ze dit wel ontologisch op. In tegenstelling tot het klassiek marxisme dat geneigd is te stellen dat het de productieverhoudingen zijn die de maatschappij sturen, stellen zij dat de verschuivende productieverhoudingen slechts een reactie zijn op de spontane creativiteit van de 'menigte'. Zo schrijven ze:

Aanhalingsteken openen

“Wanneer de actie van het Empire effectief is, is dat niet te danken aan zijn eigen kracht maar aan het feit dat het wordt aangedreven door zijn reactie op het verzet van de massa tegen de imperiale macht. Je zou kunnen zeggen dat in die zin verzet feitelijk voorafgaat aan macht.”[27]

Aanhalingsteken sluiten

Lazzarato is eveneens marxistisch geïnspireerd en wil Foucault vooral gebruiken om het hedendaagse neoliberalisme te begrijpen. Dit doet hij ook aan de hand van het begrip van 'schuld', dat naast een economische ook een morele betekenis heeft. Lazzarato's stelling is dat het hedendaags subject aangezet wordt om zich neoliberaal te gedragen doordat het steeds in een schuldrelatie wordt gezet tegenover anderen. Esposito werkt eveneens vooral verder op het begrip van 'biomacht', los echter van het marxistisch kader, en gaat vooral verder in op hoe dit speelt in het vormen van een gemeenschap (communitas) en de bijhorende uitsluitingen (immunitas), een praktijk die in de hedendaagse maatschappij langzamerhand aan het ontsporen zou zijn.

Bij Agamben is de invloed van Foucault ook zeer groot, maar op een andere manier. Agamben is vooral geïnteresseerd in het contrast tussen soevereine en biomacht bij Foucault. Terwijl dit bij Foucault vaak naar voren komt als een strikte tegenstelling, herleest Agamben de geschiedenis eerder als een gradueel verschuiven van de ene pool naar de andere. Dit thema staat centraal in werken zoals Homo Sacer (1995) en Quel che resta di Auschwitz (1998). In de inleiding van Homo Sacer schrijft Agamben bijvoorbeeld:

Aanhalingsteken openen

De stelling van Foucault zal derhalve moeten worden gecorrigeerd, of tenminste moeten worden aangevuld in de zin dat de moderne politiek niet gekenmerkt wordt door opname van het zoè in de polis, wat op zich al zeer oud is, noch enkel door het feit dat het leven als zodanig een prominent object van de berekeningen en planningen van de staatsmacht wordt. Doorslaggevend is eerder het feit dat het naakte leven, dat zich oorspronkelijk in de marge van de politieke orde bevindt, gelijk met het proces waarin de uitzondering de regel wordt, gaat samenvallen met de politieke ruimte, waarin uitsluiting en insluiting, buiten en binnen, bios en zoè, recht en feit, in een zone komen waar hun onderscheid wegvalt. De uitzonderingstoestand, die het naakte leven buiten de politieke orde sloot en er tegelijkertijd in gevangen nam, was in haar afscheiding feitelijk het verborgen fundament waarop het hele politieke bestel rustte.[28]

Aanhalingsteken sluiten

In het concentratiekamp ziet Agamben juist een mengeling van zowel soevereine macht (het afnemen en uitsluiten van het leven van de Joden) als biomacht (deze genocide werd gekaderd in termen van 'ziek leven' dat de echte productieve krachten van het Duitse volk in de weg stond). De oorzaak hiervan legt Agamben in het feit dat de westerse politiek steeds gebaseerd is op het model van de banneling, die ergens op de grens van de wet leeft, en nooit een vorm heeft aangenomen waarin er een adequate verhouding tot het naakte leven mogelijk was. Ook in de hedendaagse democratieën is deze spanning nog volledig aanwezig.

Menswetenschappen[bewerken]

Naast de filosofie, was het werk van Foucault ook zeer invloedrijk binnen de sociale wetenschappen. Zo is hij een van de meest geciteerde auteurs binnen deze disciplines.[29][30] Verder hanteren vele andere bekende sociologen begrippen van Foucault. Voorbeelden hiervan zijn Talal Asad, Pierre Bourdieu, Michel de Certeau, François Ewald, Anthony Giddens, Paul Rabinow, Edward Saïd en Loïc Wacquant.

Verder heeft Foucaults specifieke stijl van discoursanalyse invloed gehad bij verscheidene sociale wetenschappers. Ook de eerder vermelde school van govermentality studies dient nogmaals opgemerkt te worden. Verder is Foucault nog van belang geweest bij feministisch geïnspireerde onderzoekers, zoals Judith Butler, David M. Halperin of Donna Haraway.

Kritiek en debat[bewerken]

Historische inaccuraatheid[bewerken]

De meeste van de werken van Foucault zijn historisch van aard en steunen dan ook vaak op een reeks historische claims. Verscheidene van die claims zijn echter bekritiseerd door andere auteurs.[31] Zo wordt er bijvoorbeeld op gewezen dat zijn stellingen in Folie et déraison (1961) over de geschiedenis van de waanzin ongeveer geheel steunen op Franse bronnen en praktijken. Auteurs als Klaus Doerner of Roy Porter stellen echter dat er geen gelijkaardige verschuivingen te vinden zijn in Duitsland of Groot-Brittannië.[32][33] Ook verscheidene van zijn claims over de Franse geschiedenis zijn aangevallen, onder meer zijn stelling dat het om radicale breuken gaat zonder vormen van continuïteit of het bestaan van de narrenschepen.[34] Ook de sterke neiging tot grote veralgemeningen, door bijvoorbeeld meerdere eeuwen vast te maken aan een simpel begrip van waanzin, is meermaals bekritiseerd.[35]

Vooral ook Les mots et les choses (1966) is zwaar bekritiseerd vanuit historisch oogpunt.[36] Allereerst op het niveau van concrete tekstinterpretaties, zoals het werk van Descartes of Buffon, maar ook op het niveau van algemene interpretaties van hele reeks teksten.[37] Ook het bestaan van de zogenaamde épistémès is vaak in vraag gesteld, zeker aangezien Foucault ze vaak kan vatten in enkele of zelfs een kernbegrip (zoals 'gelijkenis' in de Renaissance of 'representatie' in de Klassieke Periode). Zo wordt er gewezen op het feit dat hij vaak eenzijdig gebruik maakt van het bronnenmateriaal, bijvoorbeeld door in de Renaissance enkel de hermetische auteurs te benadrukken en meer empirische wetenschappelijke auteurs, zoals Copernicus en Vesalius negeert.[38] Ook hedendaagse filosofen, zoals Husserl en Merleau-Ponty, zou hij al te makkelijk verwerpen als gefaalde projecten, en Foucault lijkt geen oog te hebben voor verdere ontwikkelingen binnen de analytische filosofie, maar enkel te spreken over de continentale stromingen.[39]

Relativisme[bewerken]

Het werk van Foucault is ook op bepaalde plaatsen vatbaar voor het verwijt van een relativisme dat zichzelf ondergraaft. In Les mots et les choses beschrijft Foucault bijvoorbeeld de verschillende épistémès in de geschiedenis die het denken van een bepaalde periode structureert. Zijn eigen werk is echter ook historisch gesitueerd, namelijk in de épistémè die in 1966 structurerend zou zijn geweest. In die zin is Foucaults eigen stelling ook maar relatief aan vooronderstellingen die uit deze épistémè volgen.[40][41][42] In die zin zou hij ook afwijken van wetenschapsfilosofen, zoals Bachelard of Canguilhem, waarop hij zich inspireert en die wel een soort eigen rationaliteit aan de wetenschappen toeschrijven. Bij Foucault lijkt wetenschap echter gewoon relatief aan het épistémè te zijn.[43]

Toch kan, in verdediging van Foucault, deze algemene kritiek enigszins genuanceerd worden.[44] Zo ambieert Foucault in de eerste plaats altijd een lokale of regionale analyse van een kennisdomein, zoals de psychiatrie of de menswetenschappen, eerder dan kennis in zijn geheel. De disciplines waarop hij het toepast zijn in zijn ogen altijd ook van 'dubieuze' aard, en zijn archeologische of genealogische methode lijkt niet echt van toepassing op de exacte wetenschappen. Maar zelfs voor deze dubieuze wetenschappen is er volgens Foucault nog wel enige vorm van objectiviteit en kennis weggelegd volgens Foucault. Hij wil deze wetenschappen niet ontmaskeren als 'ideologie', en dus foutief, maar eerder de epistemologische structuur en machtsrelaties die ermee gepaard gaan blootleggen. Verder kan men ook een onderscheid maken tussen het feit dat een zekere waarheid enkel naar voren kan komen via een bepaald épistémè of een reeks machtsstructuren, en het feit dat deze waarheid enkel geldig zou zijn binnen dit épistémè of deze maatschappij. Het is niet omdat deze waarheid enkel tot stand zou kunnen komen binnen deze specifieke maatschappij, dat ze daarmee ook enkel geldig zou zijn binnen die maatschappij.

Cryptonormatief[bewerken]

Een van de vroege critici van Foucault was de toen nog jonge Jacques Derrida. In een kort artikel, Cogito et histoire de la folie (1963), valt Derrida Foucaults geschiedenis van de waanzin aan door aan te tonen dat hij zichzelf ondergraaft in enkele kernpassages.[45] Zo stelt Derrida dat Foucault enerzijds de psychologie kritiseert in haar aanspraak om de 'werkelijke' waanzin en menselijke psyche te kennen. Anderzijds lijkt hij dat zelf te doen vanuit een soort aanspraak op een zuivere ervaring van de oorspronkelijke waanzinnige. Foucault zondigt dus net aan dat wat hij zelf zo kritiseerde. Derrida stelt dus dat Foucault enerzijds de grenzen van wat de rede over de waanzin kan zeggen aan de kaak stelt, maar anderzijds zelf wel een redelijk discours over de waanzin formuleert. Een gelijkaardige kritiek is terug te vinden in een artikel van Pierre Macherey.[46] Hij stelt dat het boek van Foucault geen geschiedenis is van de verschillende vormen van het begrip waanzin, maar een geschiedenis die 'de' waanzin overkomt. Het grote probleem hier is dat Foucault geen rechtvaardiging heeft van waaruit hij kan stellen dat er zoiets is als een oorspronkelijke, vergeten waanzin. Een gelijkaardige claim is ook terug te vinden in Les mots et les choses, waarin hij de 'dood van de mens' bejubeld en beschrijft als een 'bevrijding' van de tirannie van dit concept. Het is echter niet duidelijk op basis waarvan hij dit als een bevrijding ziet.[47]

Op het latere werk, namelijk in de eerste plaats op Foucaults stellingen over de disciplinemaatschappij, is een gelijkaardige kritiek geformuleerd. Ditmaal vanuit vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule en de kritische theorie. Foucault beschrijft in boeken als Surveiller et punir de verschuivingen van macht in de moderne tijd, maar lijkt dit niet op een neutrale manier te doen, maar op een soort kritische wijze. Hij lijkt daarmee de huidige vormen van macht te willen bekritiseren. Tegelijkertijd hanteert hij echter geen normatieve standaard waarmee men kan beoordelen dat deze vormen van macht slecht zijn. Of dat doet Foucault althans niet expliciet. Impliciet lijkt hij echter wel te stellen dat er iets fout mee is, maar het is niet duidelijk wat. Nancy Frazer, een leerlinge van Jürgen Habermas, kaart dit aan in haar werk:

Aanhalingsteken openen

Why is struggle preferable to submission? Why ought domination to be resisted? [...] Only with the introduction of normative notions could [Foucault] begin to tell us what is wrong with the modern power/knowledge regime and why we ought to oppose it.[48]

Aanhalingsteken sluiten

Iemand als Habermas zal dan ook stellen dat het impliciete normatieve criterium waarmee Foucault werkt eigenlijk het criterium van Habermas is, namelijk dat in disciplinaire macht de communicatie asymmetrisch is: de machthebber ziet alles, terwijl de ondergeschikte niets ziet.

Humanisme versus structuralisme[bewerken]

Een ander bekend dispuut, hoewel niet altijd even expliciet gevoerd, is dat met het in Frankrijk toonaangevende existentialisme na de Tweede Wereldoorlog, met name het werk van Jean-Paul Sartre. Sartre werd al eerder door Claude Lévi-Strauss bekritiseerd, namelijk in het laatste hoofdstuk van La pensée sauvage (1962) en zou later ook bijvoorbeeld door Althusser kritiek te verduren krijgen in Réponse à John Lewis (1973). Foucaults Les mots et les choses (1966) zou in zijn oorspronkelijke versie talloze verwijzingen naar en kritieken op Sartre bevatten, maar deze werden er uiteindelijk toch uitgehaald.

Toch werd dit werk door Sartre opgemerkt en hij publiceerde dan ook een vurige kritiek op dit werk waarin de centrale plaats en de vrijheid van de mens volgens hem werd ontkend. Vooral de idee dat de mens slechts een historische uitvinding is, die evengoed weer zal verdwijnen vloekt ook met het vertrekpunt van het humanisme en de fenomenologie, die de mens en zin ervaring juist als vertrekpunt nemen. Al in 1966 uitte Sartre zich fel in een interview gepubliceerd in L'Arc waarin hij stelt dat Foucaults Les mots et les choses een reactionair werk is dat enkel als doel heeft elke serieuze historische reflectie, en zo dus het historisch materialisme, onmogelijk te maken. Hij noemde Foucaults denken dan ook een nieuwe ideologie, en de "laatste barricade die de bourgeoisie weet op te trekken tegen Marx".[49] Later zou Foucault hierop reageren door te stellen: "Arme bourgeoisie; Als ze mij al nodig hebben als 'barricade', dan hebben ze reeds de macht verloren!"[50]

Bibliografie[bewerken]

  • 1954 - Maladie mentale et personnalité (sterk herziene heruitgave in 1962 als Maladie mentale et la psychologie)
  • 1954 - Introduction à Le rêve et l'existence (Traum und Existenz van Ludwig Binswanger)
  • 1961 - Folie et déraison. Histoire de la folie à l'âge Classique, vert. Geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achttiende eeuw (1961 en 1984)
  • 1963 - Naissance de la clinique: une archéologie du regard médical, vert. De geboorte van de kliniek: een archeologie van de medische blik (1986, 2008)
  • 1963 - Raymond Roussel
  • 1966 - Les mots et les choses: une archéologie des sciences humaines, vert. De woorden en de dingen: een archeologie van de menswetenschappen (1973, 2006)
  • 1969 - L'archéologie du savoir
  • 1971 - L'ordre du discours, vert. De orde van het vertoog (1976), De orde van het spreken (1988)
  • 1971 - Nietzsche, la généalogie, l'histoire, vert. in: Nietzsche als genealoog en als nomade (1981)
  • 1973 - Ceci n'est pas une pipe, vert. Dit is geen pijp (1988)
  • 1973 - Moi, Pierre Rivière, ayant égorgé ma mère, ma soeur et mon frère ... Un cas de parricide au XIXe siècle
  • 1975 - Surveiller et punir: naissance de la prison, vert. Discipline, toezicht en straf: de geboorte van de gevangenis (1989, 2010)
  • 1976 - Histoire de la sexualité I: La volonté de savoir, vert. De wil tot weten; geschiedenis van de seksualiteit, 1 (1984)
  • 1978 - Herculine Barbin, dite Alexina B.
  • 1982 - Le désordre des familles : lettres de cachet des Archives de la Bastille au XVIIIe siècle (met Arlette Farge)
  • 1984 - Histoire de la sexualité II: L'usage des plaisirs, vert. Het gebruik van de lust: geschiedenis van de seksualiteit, 2 (1984)
  • 1984 - Histoire de la sexualité III: Le souci de soi, vert. De zorg voor zichzelf: geschiedenis van de seksualiteit, 3 (1985)

Colleges aan Collège de France[bewerken]

Jaartal Franse versie Nederlandse vertaling
1970–1971 La Volonté de Savoir (2011)
1971–1972 Théories et Institutions Pénales (2015)
1972–1973 La Société Punitive (2013)
1973–1974 Le pouvoir psychiatrique (2003)
1974–1975 Les anormaux (1999)
1975–1976 Il faut défendre la société (1997)
1976–1977 Sabbatjaar - geen college
1977–1978 Sécurité, territoire, population (2004)
1978–1979 Naissance de la biopolitique (2004) De geboorte van de biopolitiek (2013)
1979–1980 Du gouvernement des vivants (2012)
1980–1981 Subjectivité et Vérité (2014)
1981–1982 L'Herméneutique du sujet (2001)
1982–1983 Le Gouvernement de soi et des autres (2008)
1983–1984 Le courage de la vérité (2009) De moed tot waarheid (2011)

In het Nederlands verschenen verder[bewerken]

  • De verbeelding van de bibliotheek: essays over literatuur (1986, ook als luisterboek)
  • 'Hoe wordt macht uitgeoefend, in: Comenius (1987), afl. 28, pp. 482-492
  • Parrèsia: vrijmoedig spreken en waarheid (1989)
  • 'Kritiek en Verlichting', in: Krisis (1994), afl. 56, pp. 64-79
  • Breekbare vrijheid: de politieke ethiek van de zorg voor zichzelf (1995)
  • 'Wat is Verlichting', in: Yang 36 (2000), 68-81
  • Breekbare vrijheid: teksten & interviews (2004)

Externe links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Michel Foucault.