Historisch materialisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
COMMUNISME

Communist star.svg

Portaal  Portaalicoon  Communisme

Historisch materialisme is een geschiedbeschouwing die vooral in het marxisme wordt gebruikt. In het historisch materialisme wordt de wereldgeschiedenis in grote mate bepaald door materiële, economische, omstandigheden; deze worden beschouwd als de oorzaak voor de sociale verhoudingen en de verdeling van maatschappijen in klassen, die voortdurend strijd met elkaar leveren.

Marx presenteerde zijn geschiedkundig werk op dialectische wijze, in navolging van Hegel, maar waar Hegel de geschiedenis als een strijd tussen tegengestelde ideeën beschouwt, ziet Marx de mensen zelf aan het werk, verenigd in klassen die onderling strijden om hun economische positie te behouden of verdedigen.

Marx (1852) schreef in De achttiende brumaire van Lodewijk Napoleon:

Aanhalingsteken openen

De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar zij maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden.

Aanhalingsteken sluiten

In deze visie is er een continu proces van scheppen, bevrediging en herscheppen van de menselijke behoeften. Om die behoeften te bevredigen is arbeid nodig. Deze arbeid is de grondslag van de maatschappij en bepaalt de vorm van de samenleving. Daarom is het belangrijk voor de geschiedenis en de sociologie om naar de onderbouw van de maatschappij te kijken, namelijk naar de economie en de organisatie van de arbeid.

Volgens Marx is er een universeel model waarin de maatschappij de arbeid verdeelt en organiseert. Hij noemt dit de productiewijzen. In de geschiedenis is er een toenemde verdeling die zorgt voor vervreemding en een groeiend privaat eigendom. Marx onderkende vijf types van productiewijzen.

  • Primitief communisme: gemeenschappelijk gevoel staat hoger dan het individu. Er is een minimale arbeidsverdeling die echter toeneemt doordat de mens aan landbouw doet en een surplus verkrijgt. Daardoor krijgen we verdere arbeidsdifferentiatie en individualisme (Prehistorie)
  • Slavernij: differentiatie tussen rijken en armen. De rijken baseren zich vooral op grondbezit en streven territoriale expansie na. Er is een groeiende concentratie van landbezit en een grotere differentiatie. (Klassieke oudheid)
  • Feodaliteit: kleinschalige boerenbedrijven en huisnijverheid. De horige staat in dienst voor de heer, maar de sociale relaties primeren boven het financiële.
  • Industrieel kapitalisme: vervreemding van de arbeider en alles draait rond geld en winst. De arbeider wordt door de kapitalist uitgebuit doordat deze de meerwaarde zich toeëigent. De differentiatie wordt steeds groter en er volgt een arbeidersrevolutie die leidt tot het oprichten van een industrieel communistische wereld.

Deze productiewijzen gaan echter vooral op voor de Westerse wereld, maar volgens Marx was zijn theorie universeel en hij voegde een zesde productiewijze toe die typisch was voor het oosten: Aziatische productiewijze.

De Nederlandse marxist Anton Pannekoek merkt over het historisch materialisme op:

Aanhalingsteken openen

Het materialisme van Marx' geschiedenisverklaring betekent niet een ontkenning van deze geestelijke motieven, maar het terugbrengen van deze motieven tot materiële oorzaken, tot de werkelijke verhoudingen van de mensenwereld. Wij noemen deze werkelijke verhoudingen materieel in de zin van objectief te constateren, waarneembaar, in tegenstelling tot subjectieve voorstellingen, niet in de zin van stoffelijk tegenover geestelijk.

Aanhalingsteken sluiten

Zie ook:

Externe links[bewerken]